Banner

Filmfestival van Gent 2014: wisselblog

Dennis Van Dessel - 13 oktober 2014

Tijdens het Filmfestival van Gent kunt u op deze eigenste fijne website terecht voor de ervaringen van onze filmredactie. Wat we hebben gezien, wat we er van vonden, of we het nog een beetje zien zitten na een week koortsachtig films kijken: the whole shebang!

24/10: Een geest, een god, een man, een goeroe
Ewoud Ceulemans

Op een bepaald ogenblik, na tal van visies, interviews en sessies in de persruimte om je blogberichten en recensies op tijd af te krijgen, moet je kunnen zeggen dat het weer mooi geweest is dit jaar. Er komt een moment waarop je voelt dat de verhouding films/tijd een beetje zijn tol begint te eisen, een moment waarop je voelt dat je moeite hebt om wakker te blijven of alles wat er gebeurt in een film te kunnen registreren. Hoe graag je ook films ziet: na twee weken komt dat moment er wel, believe you me.

Dat moment gaat bij mij overigens gepaard met een behoorlijk ergerlijke vaststelling: ik heb geen tijd gevonden om Leviathan, Le Meraviglie en Birdman in m’n filmfestivalschema te kunnen passen. This is a bummer, man, zoals The Dude zou zeggen. Vooral over die laatste hoor ik steeds meer lof, en het besef dat ik nog tot februari ga moeten wachten om Alejandro González Iñárittu’s nieuwe film te kunnen zien, doet het Film Fest Gent 2014 voor mij bijna op een valse noot eindigen.

Gelukkig eindigt mijn schema dit jaar with a bang: vandaag spoor ik nog een laatste keer speciaal van Brussel naar Gent om 20,000 Days on Earth, de in cinefiele en muzikale kringen langverwachte film over multitalent Nick Cave. Het brein achter The Birthday Party, Grinderman en The Bad Seeds heeft de mensheid immers niet enkel een paar muzikale meesterwerken rijker gemaakt (haast u naar de platenwinkel en koop zeker Your Funeral, My Trial, Let Love In, Abattoir Blues/The Lyre of Orpheus en Push The Sky Away), maar schreef ook enkele magistrale soundtracks (The Assassination of Jesse James, iemand?), een aantal uitstekende filmscenario’s (The Proposition en Lawless) en twee romans, waaronder het geweldige The Death of Bunny Munro. De superlatieven raken snel uitgeput wanneer je over de culturele erfenis van Nick Cave praat.

Dat is een beetje jammer, want nu schieten er niet meer zo veel over voor de documentaire die Iain Forsyth en Jane Pollard over The Brighton Bat hebben gedraaid. Nu ja, het hangt ervan af wat je een documentaire noemt: 20,000 Days on Earth is niet opgebouwd uit interviews met de man of zijn naaste medewerkers, en biedt geen overzicht van zijn indrukwekkende carrière of al even indrukwekkende oeuvre. 20,000 Days on Earth laat zich enkel omschrijven door schijnbare contradicties: laten we het uitgangspunt samenvatten als een in scène gezette documentaire, en laten we de sfeer typeren als oprechte ironie. Of iets in die aard.

Nick Cave, inmiddels alweer 57 jaar oud, heeft een tijdje terug zijn twintigduizendste dag op deze aardkloot beleefd. Het doet een mens stilstaan en mijmeren over de dingen des levens, en aangezien ook Nick Cave, alle godsbewijzen ten spijt, nog steeds tot het mensenras behoort, vraagt ook de zanger-schrijver zich een dag lang af wat hem die afgelopen twintigduizend dagen heeft voortgedreven. Moeten hem daarbij helpen: een psycholoog, een aantal mensen die een Nick Cave-archief (jawel, er bestaat blijkbaar een Nick Cave-archief) organiseren, en vrienden en medewerkers, waaronder Bad Seed par excellence Warren Ellis en guest star Kylie Minogue.

De vaststellingen die ze samen doen, balanceren op de dunne grens tussen clichés van de artistieke rockster en satires op de clichés van de artistieke rockster. Lange en minder lange filosofieën over de transformerende kracht van een goed concert, over de aard van songs, over Vladimir Nabokovs Lolita, over religie, drugs en de dood van zijn vader doorspekken de voice-over en de dialogen. Het is moeilijk te bepalen wat je juist moet geloven en wat niet; soms lijkt de tekst op een scenario, even vaak ontwikkelen de conversaties zich gaandeweg. Velen zullen zich daaraan ergeren – wat heb je hier nu aan? – maar ik vind het geweldig.

Want in de ironische, satirische houding, gaat de essentie van Nick Cave schuil, of toch de essentie van de artiest Nick Cave: iemand die zijn eigen, unieke ding doet binnen een rijke, culturele traditie van muziek en literatuur die hij op z’n duimpje kent. Bovendien vinden Forsyth, Pollard en Cave ook de perfecte toon tussen gravitas en humor: een scène waarin Cave een reeks foto’s van een The Birthday Party-concert analyseert, is oprecht hilarisch.

Tel daarbij de bevreemdende, vaak droomachtige beeldvoering van het regisseursduo en de vanzelfsprekend geweldige muziek, en je krijgt een muziekfilm zoals je er nog nooit één hebt gezien. Aan het eind van de rit spookt niet alleen de magistrale melodie van “Jubilee Street” door m’n hoofd, maar ook die regel tekst uit de Cave classic “Red Right Hand”: Nick Cave, you’re a ghost, you’re a god, you’re a man, you’re a guru.

Oudere berichten

22/10: Strelingen zonder diepgang
Eline Van Hooydonck

Foute dancetracks die met de nodige overdadige decibels door de cinemazaal galmen tijdens een ochtendvoorstelling voor de pers? Dat kan enkel op het Filmfest Gent. Aan het handvol journalisten dat de ochtendscreenings bijwoont kan je zien wie de écht toegewijde leden van de culturele gedrukte media zijn. En dat allemaal om iets te kunnen schrijven over White Bird in a Blizzard, de laatste onconventionele coming of age-prent van Amerikaans cineast Gregg Araki over een tienermeisje (Shailene Woodley: een streling voor het oog zo vroeg in de ochtend) die van de ene dag op de andere haar labiele moeder (Eva Green: eveneens een prettig zicht) verliest. De film is gebaseerd op het gelijknamige boek van Laura Kasischke en volgt de adolescentie van de puberende New Waver Kat, die met haar hippe vrienden een ogenschijnlijk zorgeloos leventje leidt. Maar Kat's moeder is depressief en wil niets liever dan zich losrukken uit haar lege burgerleventje in haar al even holle huwelijk. Ze snauwt Kat regelmatig af omdat ze jaloers is op haar jeugdige schoonheid en vooral: op haar vrijheid. Als Kat's moeder op mysterieuze wijze verdwijnt, kan het meisje dat maar moeilijk plaatsen. Het is een film over opgroeien in traumatische omstandigheden, de draad proberen op te pikken, je eigen seksualiteit ontdekken en het onbegrijpelijke proberen begrijpen en er mee leren leven. Toegegeven, dat klinkt heel veelbelovend. Jammer genoeg komt White Bird in a Blizzard niet veel verder dan de kunstmatige Amerikaanse nepfaçade die het nu net probeert te doorbreken. We zien amper confrontaties tussen de getroebleerde personages en hun omgeving, en alle interessante plotwendingen die naar iets gedenkwaardig zouden kunnen evolueren worden net op tijd de kop ingedrukt. Dit licht-erotische teenage drama heeft veel meer in zijn mars (een meer intrigerende en diepere connectie tussen moeder en dochter, bijvoorbeeld) maar laat te veel kansen liggen om dat niveau te kunnen bereiken.

Vervolgens sloegen de harten van alle Nick Cave fans dat klein beetje sneller. Ik heb het over de eerste vertoning van de documentaire 20.000 Days on Earth, over muziekicoon Nick Cave, geregisseerd door Iain Forsyth en Jane Pollard. Het gaat hier om een fictieve documentaire waarin enkele bevreemdende passages elkaar afwisselen. Het is als ware een soort Cave-archief of museum dat door Forsyth en Pollard tot leven is gewekt. Door de gesprekken met zijn ex-bandleden, ex-medewerkers (Kylie Minogue voor Where the Wild Roses Grow), zijn kinderen en zijn psycho-therapeut lijkt de documentaire verraderlijk realistisch. Archiefwerk is (zoals ik in de theaterwetenschappen geleerd heb) onderzoek doen naar het dode, naar herinneringen die al lang vervlogen zijn. Ergens zou je dat over Cave's carrière en verleden ook kunnen zeggen, maar Forsyth en Pollard slagen er tamelijk goed in om al deze vergane zaken vakkundig te reanimeren. Toch bereikt het geheel nooit echt de diepgang waarvan ik had gehoopt dat die er zou komen. Beklagenswaardig, want Cave zou dat niveau best kunnen bereiken met zijn filosofische hersenspinsels.

20/10: Hoera voor vaste waarden

Tobias Burms

Na de afgelopen dagen vooral banaliteiten gezien te hebben die het vernoemen niet waard zijn, voel ik me als verstokte Abel Ferrara fanboy toch enigszins verplicht om iets te melden over Pasolini, het nieuwste wapenfeit van onze favoriete sleaze-auteur, over de gelijknamige Italiaanse regisseur die in bizarre omstandigheden om het leven werd gebracht door een mannelijke prostitué. Het is een gewaagde film, niet per se door zijn controversieel thema aangezien Ferrara, voor zijn doen tenminste, met verrassend veel tact voor de dag komt, maar vooral door Ferrara’s inmiddels alom gekende en alom verguisde anti-narratieve stijl, anti-biopic stijl en, wel ja, anti-alles stijl. De film voelt bij momenten dan ook verward en onafgewerkt aan, de nonchalance druipt er vanaf (je moest dat ontstemd gegrom in de zaal horen toen bleek dat deze in drie talen gesproken productie totaal arbitrair ondertiteld is, classic Ferrara) en het geheel lijkt haast één lange mijmering die op de meeste leken - waar ik mijzelf in alle grootmoedigheid onder schaar - als een totaal wereldvreemd object zal overkomen. Maar bij Ferrara moet je nu eenmaal niet terecht voor traditionele verhalen: hij vertelt niets, hij evoceert enkel. We krijgen een compacte collage te zien van willekeurig aandoende, maar wonderwel tot een geheel versmeltende sequenties. Loutere impressies van de enorme contrasten in de figuur Pasolini: we zien hem als anti-establishment intellectueel, als subversieve kunstenaar, ongedwongen in huiselijke context, zelfs als man van het volk, voetballend met een stel straatkinderen. Maar Pasolini kende een uitgesproken duister kantje: net als Abel Ferrara had hij een ongewone fascinatie met de onderbuik van de samenleving. ’s Nachts doorkruist Pasolini in zijn Alfa Romeo de straten van een onheilspellend, in schaduwtinten gefilmd Rome, op zoek naar anonieme seks met ruig uitziende boefjes. Het lijkt het ultieme anti-statement: de intellectuele duizendpoot die zichzelf verliest in marginaliteit, allemaal te danken aan lust en enkele vage obsessies. “Ik ben al in de hel geweest” vertrouwt hij een journalist op een gegeven moment toe. Hoewel Pasolini in zijn creaties, zoals in nagespeelde scènes die we te zien krijgen uit één van zijn ongemaakte films, vrije liefde als een paradijselijk goed voorstelde, komen zijn nachtelijke ontmoetingen eerder over als akelig en dantesk. Dat de man op zo’n gruwelijke manier aan zijn eind moest komen, maakt het allemaal nog des te tragischer. Een overduidelijk imperfecte, maar tegelijkertijd ook mooie en hoogst persoonlijke film die ik op het einde van de voorstelling ongegeneerd met de hoogste quotering bekroon op het scheurstrookje van mijn ticket. Een bescheiden anti-statement van mijn kant, misschien niet zo choquerend als de uitingen van Pasolini of Ferrara, maar een mens moet ergens beginnen.

17/10: Het festival van honger en dorst
Eline Van Hooydonck

Als je ambities hebt om een gewaardeerd filmjournalist te worden leer je best vroeg op te staan. Of ik het daarmee eens was toen ik deze ochtend amper vier uur had geslapen en bij een vriendin thuis wakker werd met mijn slaapshirt achterstevoren en met wallen tot op de grond? Pas vraiment.
Maar een toegewijd filmfestivalganger is er twee waard en na een voedzaam ontbijt was het tijd voor de eerste vertoning van de vierde Filmfestivaldag. Mijn ontbijt bestond trouwens uit havermout. Havermout is een godsgeschenk, want bij elk ander ontbijt zit je bij de eerste film al non-stop te knikkebollen. Bij deze dus een aanrader voor de jonge filmfestivalgangers die 's avonds ook nog willen gaan dansen in de Charlatan... Havermout, I'm telling you.

En dat ik die powerbreak broodnodig had, werd al meteen bekrachtigd door White God. Noem deze Hongaarse parabel gerust Rise of the Planet of the Straydogs, maar dan klinkt het eigenlijk al veel interessanter dan het is. Met uitzondering van misschien Quentin Dupieux (die met zijn Reality ook in de competitie zit) is White God hoogst waarschijnlijk de film met de meest bevreemdende inhoud van de hele competitieselectie. En dan bedoelen we niet enkel het verhaal, maar ook de manier waarop regisseur, Kornél Mundruczo, het geheel aan de man brengt. We volgen een tienermeisje (het soort dat op het punt staat voor het eerst te menstrueren) en haar huisdier: een straathond die door een reeks toevalligheden nogal wreedaardig van zijn baasje gescheiden wordt. We volgen de hond (die een selectie ongure individuen aandoet en een groep honden opzet tegen de rest van de stad) en het meisje, die op haar beurt (eveneens) haar naïviteit verliest en langzaamaan volwassen wordt.

Dit allegaartje wordt samengehouden door een matige cast en een realistische stijl. Waar de film nu eigenlijk om draait? Eerlijk gezegd heb ik er nog steeds geen flauw benul van. Wil Mundruczo zijn medemens confronteren met hun egoïstisch en dieronvriendelijk gedrag? Wil Mundruczo een metafoor opvoeren over onderdrukten en onderdrukkers? Conclusie: als u twijfelt tussen dit Hongaars beestenepos waarvan eigenlijk alleen de eindscène de moeite was en een andere film uit de selectie dan raad ik u ten stelligste aan om voor de andere optie te kiezen.

Nu goed, full disclosure: ik zag na de ochtendscreening alweer scheel van de honger, dus tijd voor de lunch én de tweede gang van het viergangen-menu dat het Filmfestival voor mij vandaag in petto had. Niets smakelijkers dan een broodje uit de lokale broodjeszaak met een bijziende vrouw die het verschil niet weet tussen garnaalsalade en scampi's met curry. Na het aperitief dan het voorgerecht: Waste Land. Van Vlaamse makelij (toegegeven: de Engelse titel had mij misleid, en ik ga heel vaak zonder verwachtingen/research naar een film op het Filmfestival) en bovendien opgenomen in de Brusselse Matongéwijk. Pieter Van Hees snijdt een onderwerp aan dat al tot in den treure is herhaald in het thrillergenre (dat van een labiele rechercheur die zich mentaal verliest in een zaak (en in zichzelf)), maar doet dit op zo'n onconventionele manier dat je als kijker toch enigszins bij de zaak blijft. Hoewel deze film zeer goed onthaald werd, vond ik het niet meer dan een lauwe vertelling die met haken en ogen aan elkaar hing (en heb ik me dus stierlijk verveeld).

De vertering moest zijn werk doen, en dat deed het in de gedaante van de persruimte, de laptops, het getokkel op de toetsenborden en het verorberen van lichte snacks. Maar ook door de vertoning van het Japanse Still the Water, een film die normaal gezien niet op mijn programma stond maar die ik een halfuur voor de start besloot toch te gaan bekijken. Een vergissing zo bleek (u hoort het, de films die ik vandaag bekeek waren niet veel soeps), toen ik een halfuur later zat te knikkebollen in mijn stoel. Het was koud in de zaal en ik had mijn jas over mijn schouders gedrapeerd en mezelf op de schouder van mijn lief gelegd (handig) en voor ik het wist overviel het zandmannetje mij. Niet alleen te wijten aan mijn slaaptekort, want dit trage Japanse drama stelt je geduld echt op de proef. Regisseuse Naomi Kawase geeft de voorkeur aan natuurkrachten, introverte personages en existentiële levensvragen en dat valt nogal op. Indien u geniet van langdradige poëtische films: zeker gaan. Eerder het ongeduldige type? Kies dan voor iets anders.

Spijs de Filmfestivalkassa bijvoorbeeld met een ticket voor mijn grootste tip van deze vierde dag: St. Vincent. Natuurlijk is iédereen verliefd op Bill Murray (zedenschennis als dat niet zo is!) en zeker als hij een grofgebekte brompot speelt. St. Vincent is een meer dan geslaagde kruisbestuiving tussen kurkdroge humor en miserie, en zo heb ik mijn komedies het liefst. Een schaterlach en een traan, maar vooral dat warme gevoel in je borst als je de zaal verlaat. Bill Murray levert voortreffelijk acteerwerk in de rol van een cynische oude man die verzuurd is geraakt door de dementie van zijn vrouw. Hij ontmoet zijn nieuwe buren: een vers gescheiden (en bedrogen!) moeder en zoon die hun draai proberen te vinden in hun nieuwe omgeving. Vincent en zijn al even nors kijkende kat Felix nemen het zoontje onder hun hoede en leren hem enkele belangrijke levenslessen. Een volwaardig pièce de résistance om de dag mee af te sluiten.

17/10: Er zijn zo van die dagen

Tobias Burms

Cinefiel zijn heeft soms iets masochistisch. Je moet het maar doen, op een nazomerse vrijdagmiddag eventjes naar een film uitsluitend in Oekraïense gebarentaal (dat leest u goed) trekken en er nog oprecht van overtuigd zijn een ongepolijste diamant te zullen ontdekken. Tevergeefs, want wat een ellendige ervaring is het geworden. Centraal in dit in Cannes bekroonde onding (het won de felbegeerde ‘Nespresso’ award) staat de nieuwe leerling op een internaat voor doofstomme jongeren-wat werkelijk een soort Sodom en Gomorrah blijkt te zijn enkel omgeven van A Clockwork Orange-achtige individuen die de mensheid principieel kwaad willen berokkenen. Gewelddadige overvallen, prostitutie en afpersing zijn dagelijkse kost en gezag lijkt er, met uitzondering van een corrupte leraar houtbewerking, niet te zijn. Het gebruik van gebarentaal? Een pure gimmick. Dat blijkt al uit het feit dat de regisseur geforceerd vast blijft houden aan het consequent doorvoeren van stiltes om de ‘esthetiek’ te behouden en ook buitenstaanders dus blijkbaar geen stemvermogen hebben. Daarnaast legt de regisseur zich uitsluitend toe op conflictgeladen situaties. We zien de personages nauwelijks als gewone mensen in dagdagelijkse omstandigheden. In plaats daarvan volgt de ene toneelmatige scène de andere op (de door de internationale pers zo bejubelde cinematografie is mij volledig ontgaan): enkele personages betreden het decor, beroven / verkrachten / mishandelen elkaar en gaan weer weg. Het einde is absurd in zijn bruutheid en iets eerder komt er een gratuite, buitengewoon lelijke scène voorbij waardoor ik speciaal voor deze film gaarne het predikaat ‘mutesploitation’ zou willen uitvinden. De eerste arthouse drol van het festival is een feit. Na de film heb ik zin om mij uit pure miserie een stuk in mijn kraag te gaan drinken op de Korenmarkt, maar de plicht roept. Ik raap de moed bijeen en trek naar de volgende potentiële beproeving. Het harde leven van een filmliefhebber. Masochisten, dat zijn we.

16/10: Ongezonde obsessies
Ewoud Ceulemans

Ah, home sweet film fest! De jaarlijkse twee oktoberweken waarin ik meer films voor de kiezen krijg dan gezond kan zijn voor een mens, zijn weer aangebroken. Een filmschema samenstellen gebeurt steevast onder het adagium ‘kiezen is verliezen’, en hoewel ik me elk jaar voorneem om het wat rustiger aan te doen, gaat daar ook dit jaar niet veel van in huis komen. Wat wil je ook, met een programma waarin Whiplash, 20,000 Days on Earth, White God, Birdman en Le Meraviglie vervat zitten? Om van het klassiekersparcours (La Dolce Vita! Dog Day Afternoon! The Circus! Belle de Jour!) en de door Goblin live begeleide voorstelling van Dario Argento’s Suspiria nog maar te zwijgen. Een klein beetje filmliefhebber houdt zich dan niet langer in, gooit alle sociale conventies overboord en werpt een tentje op ter hoogte van Ter Platen.

Oké, de realiteit is een beetje anders: aangezien ik nog steeds niet in Gent woon en ik af en toe ook wat anders moet doen dan films kijken en erover schrijven, worden dit weer twee weken waarin de NMBS een fortuin aan mij verdient en ik de stress om op tijd bij elke voorstelling te geraken nu al vervloek.

Maar dat heb je er allemaal voor over, wanneer je een kleinood als Blind kan bekijken. Blind is het regiedebuut van de Noorse regisseur Eskil Vogt, die als scenarist meewerkte aan het alom geprezen Oslo, 31. August van enkele jaren terug. Dat Vogt schrijfervaring heeft, merk je aan z’n debuutfilm: aanvankelijk komt die nogal rommelig over en lijkt hij nog te lijden onder een erg aanwezige en literair aandoende voice-over, maar dan vallen de puzzelstukjes mooi op hun plaats naarmate de film vordert. De manier waarop Vogt dat zowel inhoudelijk als vormelijk weet te koppelen aan de blindheid van zijn hoofdpersonage, verraadt een hoop talent. Ook al heb je z’n naam nog nooit eerder gehoord: houd die man in de gaten.

Het is een van de mooie dingen aan filmfestivals: het ontdekken van goeie films waar je niets van afweet of waarvan je niet durft vermoeden dat ze wel eens zouden kunnen meevallen. Dat gevoel heb je ook wanneer je Devil’s Knot gaat bekijken. Atom Egoyan lijkt z’n kruit al een tijd geleden verschoten te hebben en zijn nieuwste prent, The Captive, werd in Cannes bijzonder negatief onthaald. Maar Devil’s Knot, zijn vorige film die hier nooit een release heeft gekregen, is een intelligent rechtbankdrama, dat sensatie en stompzinnigheid mijdt. Uitermate degelijke film, dit, en meer moet dat soms niet zijn om halfelf ’s ochtends.

Meer mag het wel zijn voor Damien Chazelle, wiens debuutfilm Whiplash bedolven wordt onder prijzen en lovende kritieken. Dat is nog geen klein beetje terecht: hoewel dit geen meesterwerk voor het einde der tijden is, brengt Chazelle met behulp van een geweldige cast – Miles Teller op kop, met J.K. Simmons als het perfecte tegengewicht – dik anderhalf uur zinderende cinema, in de traditie van Darren Aronofsky. Ook Whiplash draait immers rond ongezonde obsessies, die mensen kapot maken: dan hebben we niet enkel over Tellers personage, een ambitieuze jazzdrummer die de beste van de wereld wil worden, maar ook over de figuur van Simmons, die toch niet zo eenzijdig blijkt te zijn als je lange tijd denkt. Must-see, dit, al zal de film ook wel de nodige aandacht krijgen bij z’n reguliere release.

En zo is het weer goed en wel begonnen, dit 41ste Film Fest Gent. Er moeten nog een aantal kleppers komen, maar met één onverhoopte meevaller (Devil’s Knot), één sterke film die uit het niets leek te komen (Blind) en één film die z’n hype weet te rechtvaardigen (Whiplash), mogen we voorlopig niet klagen over de balans. En als u me nu wil excuseren: ik moet een trein halen.

15/10: niet zo toevallige ontmoetingen

Tobias Burms

Auteur en juryvoorzitter van het festival Bret Easton Ellis gaf gisterenavond een lezing in de Vooruit. Wie enigszins bekend is met Ellis, zal weten dat het een man van straffe uitspraken en bizarre theorieën is. Eén van zijn stokpaardjes is de dichotomie empire vs. post-empire. Empire staat voor publieke figuren die schijn van perfectie naar de buitenwereld willen uitstralen, terwijl post-empire dan weer mensen zijn zoals Ellis zelf die hun fucked up-ness (sic) omarmen. ”Maar is juryvoorzitter van een filmfestival zijn niet ongelofelijk empire?” merkt een pientere vragensteller uit het publiek op. Ellis windt er in ieder geval geen doekjes om: hij zal zijn rol op een weinig traditionele manier invullen. Zo begint hij zijn lezing met openingsfilm The Loft “een ongelofelijk stuk stront” te noemen en kan hij al meteen rekenen op een daverend applaus. Arme Van Looy. Maar het is Ellis wel om meer dan loutere provocatie te doen, de man heeft wel degelijk iets zinnigs te zeggen: hij praat heel open over zijn schrijverscarrière , de totstandkoming van het (terecht) geflopte The Canyons en verheerlijkt zijn obsessie met zichzelf op een zelfrelativerende manier. Een verstokte filmbuff zoals mij wil Ellis natuurlijk vooral over cinema horen praten en ook over dat onderwerp maakt de man enkele rake bemerkingen: zo slaagt hij erin mijn eeuwige respect te winnen door de zogenaamde Golden Age of Television te hekelen en stelt hij dat tv-series doorgaans toch de persoonlijke sfeer van goede cinema missen. Verder stelt hij zich ook vragen bij de constante beschikbaarheid van film waardoor men het tegenwoordig teveel als een wegwerpgoed aanziet. Ellis denkt nostalgisch terug aan een periode waar de cinema de enige plaats was om films te ontdekken. “Toen had het medium controle over JOU en niet andersom!” stelt hij met een gebalde vuist. Kortom, een levendige en boeiende uiteenzetting.

Maar de mooiste momenten op een festival komen natuurlijk uit onverwachte hoek. Voor Rohmer in Paris, een videoessay over hét vergeten lid van de Nouvelle Vague generatie, trok ik reeds op het onheilzame uur van half drie ‘s middags naar Kaskcinema. Meteen werd ik op mijn gemak gesteld door de gemoedelijke sfeer die er heerste, wat er niet in het minst mee te maken had dat er slechts een dikke 15 man aanwezig was. “Elke Rohmer fan van België is hier!” merkt de organisator schertsend op. Een statement dat akelig dicht bij de waarheid zou kunnen komen. De laagdrempeligheid van de hele situatie moedigde mij aan om ongegeneerd even de regisseur Richard Misek aan te spreken (na voor de zekerheid even zijn foto te googelen - iPhone, wat was ik zonder jou?) en hem op onbeholpen manier mijn liefde voor Rohmer te betuigen. Voor leken zoals mij is het immers moeilijk om aan te duiden wat er nu precies zo weergaloos is aan de meanderende films van de Franse cineast. Misek slaagt er in zijn hoogstpersoonlijke en liefdevolle hulde aan Rohmer echter wonderwel in. Hij concentreert zich onder meer op de terugkerende toevallige ontmoetingen in de films van Rohmer, mede door de onvoorstelbare manier waarop Misek het oeuvre van Rohmer leerde kennen: in één van Rohmer’s films, Les Rendez-vous de Paris, komt Misek op een gegeven moment voorbij gestapt als nietsvermoedende voorbijganger. Toen hij dit jaren later ontdekte, is zijn obsessie met Rohmer begonnen. Hoewel mijn ontmoeting met Misek natuurlijk helemaal niet zo toevallig was, vond ik het toch een enorm fijne ervaring en voelde ik me na afloop toch een beetje het personage in een Rohmer film (nu maar hopen dat de voorstellingen van Pasolini, The Tribe en P’tit Quinquin niet hetzelfde effect hebben). Bij het afscheid beloofde ik Misek plechtig dat ik het mijn levensdoel zal maken om het werk van Rohmer meer op de kaart de zetten. To be continued dus!

15/10: Poëzie en jazz
Eline Van Hooydonck

In het kader van: "de boog kan niet altijd gespannen staan" begon de tweede dag van het Filmfestival uitzonderlijk eens niét in een filmzaal. Omdat ik als vlijtige studente de hartverscheurende keuze moest maken tussen een eenmalig gastcollege van Oorlog en Terpentijn-auteur Stefan Hertmans en een persvisie van Mr. Turner (Mike Leigh's laatste biopic over romantisch schilder William Turner) heb ik - wie had het kunnen denken - voor het eerste gekozen (mijn excuses Mr. Leigh, ik haal je nieuwste nog wel in).

Toen ik in de namiddag een handvol Duits-romantische gedichten wijzer was, voelde ik dat het moment aangebroken was om de auladeur zachtjes achter me te sluiten en me naar Ter Platen te begeven. En wie weet dat Kinepolis woensdagnamiddag transformeert in een kindercrèche, weet dat het niet zo evident is om vakkundig tussen zo’n roedel kleuters te kunnen manouvreren. Mezelf snel naar de sanitaire faciliteiten begeven zat er niet echt in zonder dat ik op mijn pad een kind of vier meesleurde op mijn halsbrekende weg van en naar de toiletten.

Gelukkig nog goed op tijd voor jazzdrama Whiplash, de langspeelfilmdebuut van Damien Chazelle en al meteen een schot in de roos voor de jonge regisseur. Het enige wat ik van deze film op voorhand wist, was het feit dat hij goed onthaald werd bij verscheidene filmbladen en critici. Ik ging dus met een blank slate kijken en liet me vrijwillig onderdompelen in het complexe muzikale geheel waarmee Chazelle de Grand Prize in ontvangst mocht nemen op het Franse Deauville Film Festival. Na deze overweldigende immersie was het toch even stil in zaal 1 (niet lang natuurlijk, want we bevonden ons op een publieke vertoning en niet op een persscreening: een mens kan niet alles hebben).

Andrew (Miles Teller, die je mogelijk eerder zag in The Spectacular Now en Divergent), een meer dan bekwame jonge percussionist, loopt over van ambitie tijdens zijn studies aan het beste conservatorium van het land. Voor velen is muziek (of schrijven, tekenen of sporten for that matter) een tijdverdrijf als een ander tot er iets nieuw passeert waar men zich dan op kan storten. Voor enkele anderen ("the greats") blijft het een soort obsessie: deze vastberaden talenten rusten niet voor ze hun doel bereikt hebben en zijn bereid om alles in hun weg te elimineren om het te bereiken. En Andrew zou wel eens één van die groten kunnen zijn. Maar dat is buiten zijn draconische lesgever gerekend, die niets uit de weg gaat om Andrew te pushen naar zijn succes. Whiplash breekt met alle clichés die muziekfilms doorgaans overheersen (muziek studeren aan een conservatorium is géén rozegeur en maneschijn!) en doet dat door een minutieus opgebouwde verhaallijn op te bouwen naar een spetterende apotheose (waar je even stil van bent). Teller speelt de pannen van het dak en J.K. Simmons (die de rol van de kordate Fletcher vervult) speelt alsof zijn leven er vanafhangt (dit is ongetwijfeld dé rol van zijn leven).

Erg knap, alleen een beetje jammer dat ondergetekende zich gedurende 105 minuten dood ergerde aan het personage van Simmons (arrogante totalitaire oudere mannen die neerkijken op jongelingen: niéts voor mij) en dat ging deels ten koste van mijn filmervaring. Maar laat het u vooral niet tegenhouden om dit jazzpareltje een kans te geven.

12/10: De eerste persdag: stilte voor de storm
Eline Van Hooydonck

De dag voor de officiële en publieke opening van het 41ste Filmfestival van Gent, dat is vooral de stilte voor de glamoureuze storm. Filmfestivalhotspot Caffélini werd nog druk ingericht, de rode loper was nog helemaal onaangetast en de jonge stagiaires verwarmden zich nog aan hun bekertje koffie. Maar aan ambitieuze filmjournalisten geen gebrek deze morgen op Ter Platen. Bij het in ontvangst nemen van de perskaartjes kreeg iedereen een zwarte totebag van het Filmfest in zijn of haar handen gedrukt. En dat is nieuw, samen met de iPhone hoesjes en het trendy koffieapparaat in de persruimte (al weten we nog niet of dat voor de journalisten, voor de stagiaires of voor beiden is. How does this work? Moet ik mijn hand opsteken als ik een cappucino wil?).

Ieder jaar voel ik me een beetje een VIP in de Press Room van het Filmfestival: de ijverige sfeer die er heerst (filmcritici die over hun laptops zweten, fotografen die hun materiaal testen...) de gegeerde stopcontacten (smartphone/tablet/laptop opladen, eureka!) en het gezellige geroezemoes... Het hoort er allemaal bij.

De spits werd afgebeten door Erik Van Looy's The Loft. Na een korte middagpauze (wel heel erg kort, vele journalisten zaten met hun lunchpakket in de zaal en probeerden snel hun sandwiches te verorberen voor de begingeneriek van de volgende film begon) was het tijd voor Violet, de regiedebuut van Bas Devos. Dat Devos wel pap heeft gegeten van het werk van Gus Van Sant, dat is wel duidelijk. Violet vertoont veel overeenkomsten met Van Sant's Paranoid Park, zowel qua cinematografie als qua inhoud. Heel veel long shots, een onconventionele vertelling (er wordt ingezoomd op het privéverhaal van een tiener die zijn beste vriend verliest tijdens een steekpartij en dus niet op de steekpartij zelf) en poëtische scènes die tot de verbeelding spreken. Toch kon Violet mij niet evenveel raken als Van Sant's Elephant (2003), een gelijkaardige film waarin een school belaagd wordt door twee shooters. Violet blijft een beetje trappelen ter plaatse, en misschien komt dat ook wel door de vele (nutteloze?) shots van bv. tafelpoten of vensters. Gelukkig heeft Nicolas Karakatsanis (het visuele genie dat ook het camerawerk van The Drop en The Loft verzorgde) als DoP van dienst gezorgd voor enkele scènes waarbij wij onze vingers aflikten.

Volgende deelnemer van de competitie is Black Coal, Thin Ice. Regisseur Diao Yinan was duidelijk aan een genre-experiment toe en haalde zijn mosterd bij de film noir van het Hollywood van de jaren ’40 en '50. Want Black Coal heeft wel meer gemeen met bijvoorbeeld Touch of Evil dan een corpulente protagonist. Yinan rijgt scènes gedomineerd door neonlicht, TL-lampen en schaduwen vakkundig aan elkaar tot een mysterieus geheel. Louche noedelrestaurants waar oogballen worden geserveerd, afgehakte ledematen in steenkoolcontainers en brutale moorden met ijsschaatsen incluis. De femme fatale van dienst wordt belichaamd door de aanlokkelijke Gwei Lun Mei, waar de hoofdrolspeler (Liao Fan) zich maar al te graag mee inlaat.

In plaats van ons - zoals bij vele Hollywoodfilms het geval is - als kijker bij de hand te nemen, kiest Yinan voor een uitdagendere aanpak. We worden compleet in het ongewisse gelaten over wat de beweegredenen van de personages zijn. Het overbrengen van de film noir conventies naar 2014 is niet zo vanzelfsprekend, maar Yinan slaagt er grotendeels goed in om de straten van Hong Kong te transformeren naar het walhalla voor gangsters. Grotendeels, omdat de femme fatale in mijn ogen een wel héél gedateerde (en vrouwonvriendelijke) conventie is om nu nog te gebruiken. Gelukkig lijkt de film zichzelf op momenten niet al te serieus te nemen en gooit Yinan er hier en daar wat absurditeiten tussen om wat stoom af te laten.

En stoom aflaten, dat kon na de tweede screening van deze pre-Filmfestivaldag in - jawel - de persruimte. Stopcontacten iemand? Humeurige werkmannen die aan een televisiescherm peuteren iemand? Vandaag was het duidelijk stilte voor de storm in Kinepolis Gent, met al een aantal rukwinden als graadmeter voor de komende twee weken. U weze gewaarschuwd.

12/01: Voor we beginnen... Een oude sok geeft wat advies
Dennis Van Dessel

Jubileum! Ondergetekende is dit jaar voor de tiende keer present op het Filmfestival van Gent. Die eerste keer, in 2004, was dat nog als student die - let’s face it - zoals àlle studenten geen donder te doen had buiten twee weken lang in het donker te zitten. Het was een soort overwinning dat ik dankzij de site die ik toen mee beheerde (het onvolprezen digg.be, over wiens geschiedenis heelder boeken gevuld kunnen worden, de een al sensationeler dan de andere), een accreditatie te pakken had kunnen krijgen en dammit, dat ding ging opleveren.

Dat was het jaar dat Eternal Sunshine of the Spotless Mind me volledig omver blies - ik ben ‘m daarna nog twee keer in de bioscoop gaan bekijken en het zou wel eens kunnen dat het nog steeds mijn meest memorabele festivalervaring is. In de tussenliggende tien jaar heb ik een aantal dingen geleerd over het festival, en misschien is het niet slecht om er daar een paar van te overlopen voor deze 41ste editie definitief op gang komt.

1. Een mens is niet gemaakt om vijf films op een dag te zien
Nee, echt niet. Je begint er met goede moed aan, maar na enkele dagen wordt het moeilijk om nog enthousiast te worden als je buiten komt bij je vierde film en je merkt dat je nauwelijks een streep daglicht hebt gezien. Ik geloof ook niet dat de meeste films daar wel bij varen. Ik heb ooit om 9u30 ‘s ochtends het Poolse holocaustdrama Katyn moeten verbijten - Poolse holocaustdrama’s zijn aantoonbaar niét gemaakt om om 9u30 ‘s ochtends te bekijken op een nuchtere maag. Dus: doseer je film-inname.

2. De hype van het festival is niet altijd de klassieker van morgen
Op zo’n festival durven mensen wel eens dolenthousiast te doen over films die achteraf toch niet zo’n geweldige meesterwerken bleken. Voor de vertoning van Brian De Palma’s film The Black Dahlia stonden mensen elkaar bijna te vertrappelen om binnen te raken en echt, mensen… The Black Dahlia is geen film die dat verdient. En op die manier zijn er jaarlijks wel een paar films die even een buzz veroorzaken op een festival, maar dan achteraf spoorloos verdwijnen.

3. Ga voor de kleine film
Grotere films die al een verdeler hebben, die kan je eventueel achteraf nog bekijken. De films waar ik goede herinneringen aan bewaar, zijn de kleine pareltjes die niet of nauwelijks vertoond worden. Het Marokkaanse drama Heaven’s Doors, bijvoorbeeld. Of - nog zo’n ontdekking van het eerste jaar - het intense jeugddrama Mean Creek (hoe lang heeft die daarna gespeeld? Anderhalve week?)

4. Zeg goeiedag tegen andere gekken die de ene film na de andere verorberen
En maak op die manier deel uit van de gemeenschap onuitgeslapen filmgeeks. Luister trouwens ook goed naar de gesprekken van andere festivalgangers. Ik heb zelden harder mijn lach moeten inhouden dan toen twee studentes achter mij in de zaal aan het nakaarten waren over Tinker, Tailor, Soldier, Spy en die film zeer nadrukkelijk niét zaten te begrijpen. Omdat ze niet zo’n fan waren van films over “honderd jaar geleden”. Nou.

5. Het filmfestival is de enige periode waarin je redelijk gerust kunt zijn dat er niemand popcorn gaat zitten knabbelen tijdens de film.
Koester die ervaring, voor je ‘t weet zit je weer tussen de barbaren.

6. Een filmfestival is de ultieme bevestiging dat er overal ter wereld, tot in de verste uithoek van Oezbekistan, mensen zijn die de nood voelen om zich uit te drukken via de taal van de cinema en dat welbespraakt en gepassioneerd doen.
En die vaststelling is dan weer een bewijs dat cultuur - of ja, waarom niet, laten we het gewoon maar vlakaf kunst noemen - meer is dan een commercieel luxe-artikel waarop gerust beknibbeld kan worden omdat “we het toch niet écht nodig hebben, of wel soms?”. Jawel, we hebben het bloody well écht nodig. Kennismaken met kleine, onbekende filmpjes die vaak alleen maar op een filmfestival een forum aangeboden krijgen, is beseffen waarom.

E-mailadres Afdrukken