Banner

Black Panther

3.0
David Vanden Bossche - 18 april 2018

Black Panther is veel meer dan de zoveelste toevoeging aan het alsmaar uitdijende Marvel Universum. Het is een popcultureel fenomeen dat een hele reeks kassarecords brak en uiteindelijk zelfs meer geld in het laatje bracht dan Star Wars: The Last Jedi. Opvallend is dat Black Panther ook thematisch geprezen wordt vanwege de portrettering van de zwarte gemeenschap. Er is dus meer aan de hand dan alleen maar een gewiekste promotiecampagne.

Al die heisa ten spijt, is dit voor ons toch vooral een prent die netjes past in de onpersoonlijke en voorgekauwde huisstijl die Disney opbouwde rond het “integrated Marvel Universe”. Ryan Coogler – de man achter het geslaagde Fruitvale Station – lijkt op het eerste gezicht meer in zijn mars te hebben dan brave huurling. Toch krijgen we alle stilistische onhebbelijkheden uit The Avengers, Iron Man en Captain America op exact dezelfde manier voorgeschoteld. Ook ditmaal bestaat de actie vooral uit onbegrijpelijke en kapot gemonteerde puzzels. Zij ontberen elke vorm van ruimtelijke oriëntatie en zijn vooral opgebouwd als een niet aflatend bombardement op de zintuigen, wat op geen enkele manier de basis vormt voor een coherente scène. Op cinematografisch vlak heeft Black Panther dan ook niks origineels of interessants te bieden, maar helaas blijkt dat ook alle opwinding rond de thematische diepgang schromelijk overroepen is.

Al te enthousiaste Amerikaanse recensenten die Black Panther loven als de eerste film met zwarte helden die een rolmodel zijn voor de Afro-Amerikaanse gemeenschap en daar een mijlpaal in de filmgeschiedenis in zien, hebben duidelijk last van een bijzonder kort geheugen. Van Pam Grier en Spike Lee tot Eddie Murphy en Wesley Snipes: er zijn meer dan genoeg voorbeelden te vinden die dat tegenspreken. Nog erger is het feit dat de boodschap van “African empowerment”, die deze Marvel-aflevering zou uitdragen, in wezen teruggrijpt naar exact hetzelfde soort Hollywood-exotisme dat bijvoorbeeld ook al hoogtij vierde in het Eddie Murphy-succes Coming to America uit 1987.

Ook deze keer staat de heersende familie uit een fictief Afrikaans koninkrijk centraal, met dat verschil dat het nu gaat om de zoveelste superheld die zijn krachten moet aanwenden om de wereld voor alle mogelijke onheil te behoeden. Wakanda, zoals het imaginaire staatje heet, slaagde erin zich decennialang voor te doen als ontwikkelingsland, maar eigenlijk beschikt over de meest geavanceerde technologie en wapens ter wereld. De zwarte panter is de verpersoonlijking van al die verborgen macht, die – net als zijn andere concullega’s in spandexpakjes – onrecht bestrijdt waar hij het aantreft.

Initieel lijkt het inderdaad opvallend dat een Hollywood-blockbuster een dergelijk portret neerzet van een Afrikaans land, terwijl Afrika in het verleden meestal niet meer was dan een fotogeniek decor, waarin blanke helden deze of gene reddende missie mochten uitvoeren. Wie iets beter kijkt, ziet gewoon meer van hetzelfde: een mysterieus en exotisch Afrika vol wilde dieren, in kralen gehulde krijgers, ongrijpbare tradities en kleurrijke, lokale tirannen die schaamteloos verheerlijkt worden. Alle retoriek die het scenario de personages laat spuien over de kolonisatoren ten spijt, is het ook opvallend dat het uiteindelijk een blanke CIA-agent is die het zaakje moet redden, terwijl de locals hun onderlinge familievetes uitvechten. Kortom, precies het soort beeld van Afrika dat Coming To America ook al uitdroeg.

Ook in het visueel vertalen van die ideeën is deze Black Panther een stuk minder vooruitstrevend dan velen lijken te denken. De Afro-Amerikaanse filmcritica Angelica Jade Bastien schrijft in haar review over Kathryn Bigelows Detroit dat ze een soort lakmoesproef hanteert om al in de beeldtaal en fotografie van een film aanwijzingen te zien van de manier waarop de productie naar de zwarte gemeenschap kijkt. Zij stelt dat je de variaties inzake kleurtonaliteit in de huid van zwarte personages en acteurs kan aanwenden als een maatstaf voor nuance en subtiliteit. Niet alle zwarte mensen zien er hetzelfde uit, maar in de gemiddelde Hollywoodfilm is er alleen een onderscheid tussen zwart en blank, kleurnuances ontbreken meestal. Op dat vlak scoort Detroit zeer goed, maar moeten we andermaal vaststellen dat Black Panther behoorlijk tekortschiet. Dat kan ten dele liggen aan het feit dat DOP (director of photography) Rachel Morrison alle nachtelijke scènes – het zijn er nogal wat – vreselijk onderbelicht, maar ook wanneer we wél zien wat er aan de hand is, zijn de tonaliteiten in de gezichten opvallend eenduidig. Het is niet zo opmerkelijk dat Black Panther voorbij gestoken wordt door een prent als Detroit, maar ook een puur op entertainment en genre gerichte film als Get Out scoort op dat vlak veel beter. Ook daar stond achter de camera een zwarte cineast, maar de manier waarop Jordan Peele zijn materiaal injecteerde met een subtiele kijk op het onhandig maskeren van essentialistische ideeën en soms onverholen racisme, is sterk. Alleen een rechtstreekse eigen ervaring kan deze scènes sturen.

In wezen komt het erop neer dat Black Panther een draak van een film is – zowel inhoudelijk als vormelijk – die, op basis van door het internet gretig opgepikte oppervlakkigheden, gebombardeerd is tot het onterechte (film)symbool van de #BlacklivesMatters-beweging. Het valt toe te juichen dat een behoorlijk aantal Afro-Amerikaanse cineasten steeds meer een prominente rol krijgen binnen de grote Hollywood-producties, maar het is jammer dat Black Panther het publieke gezicht werd van dat proces.

E-mailadres Afdrukken
 
Black Panther
Amerika
Regie: Ryan Coogler
Met: Chadwick Boseman, Michael B. Jordan, Lupita Nyong’o, Martin Freeman
Duur: 134


Advertentie
Banner
Advertentie

TEST