Banner

Offscreen 2015

Tobias Burms - 02 maart 2015

Cultfreaks, contactgestoorden, pantysnuivers en ander gespuis: goed nieuws! Het programma van Offscreen Film Festival – van 4 tot 27 maart in Cinematek en Cinema Nova - is weer om je vingers van af te likken. In de aanbieding zijn onder meer een special over films met moordende planten, een thema-avond over de legendarische Brusselse sekscinema ABC (ik ben er zelf nooit geweest - allez ja, buiten één keer dan, maar dat was gewoon om de weg te vragen naar het Magritte Museum), tal van premières en een retrospectieve rond Tobe Hooper, regisseur van het onovertroffen meesterwerk van vuiligheid, The Texas Chain Saw Massacre.

Het hoogtepunt is echter een prachtige selectie uit de eclectische catalogus van Cannon Films. Voor de mensen bij wie dit geen belletje doet rinkelen en dus duidelijk wél een goede smaak hebben, eerst even een woordje uitleg: Cannon Films was een productiemaatschappij in de jaren ‘80 van twee heel opportunistische Israelis, Menahem Golan en Yoram Globus, die de meest ordinaire modegrillen van de 80’s (harde aanpak van straatcriminaliteit, breakdance / aerobics cultuur, robots en fascinatie met Oosterse kitsch) volledig exploiteerden in succesfilms. De artistieke New Hollywood periode van de jaren ‘70 was voorgoed voorbij, de wansmaak primeerde aan de box office en B-acteurs als Michael Dudikoff en Chuck Norris werden opeens wereldsterren. Golan en Globus namen echter te veel hooi op hun vork, deden dwaze investeringen in megaprojecten die soms nooit het daglicht zagen en als dat ze deden, misschien juist beter in de diepste vergeetput waren gesmeten (zoals het beruchte Superman IV: the Quest for Peace). Cannon Films ging roemloos ten onder in 1993. Maar daar bleef het niet bij: de excessen van ontspoorde 80’s pop cultuur fenomenen zoals Cannon zorgde voor een collectief trauma en creëerde een generatie van afgestompte, naar grunge luisterende cynici die het vorig decennium zo snel mogelijk wilden vergeten. Generation Y, de zelfbewuste generatie, ontdekte plots ironie en vonden zo een legitimering om deze foute films te appreciëren en ook ik kan stiekem wel eens genieten van de talloze avonturen van Bronson, Stallone en Lundgren, wanneer ik geen Oost-Europese contemplatieve landschapsfilms aan het verslinden ben. De Cannon films zijn dan misschien geen cinematografische hoogstandjes, maar wanneer ik het blauwe neon logo zie verschijnen en het bijhorende faux-Aziatische riedeltje hoor, weet ik alleszins dat ik mij wel zal vermaken. Het is haast een kwaliteitszegel voor onbedoelde hilariteit. Of zoals Menahem Golan het altijd zei: “the sky is the limit!”

Eigenlijk zou ik u aanraden om het integrale Cannon programma van het Offscreen festival bij te wonen, maar omdat we niet allemaal de luxe hebben om schaamteloos een paar weken les te skippen, zijn hier 5 titels die u absoluut niet mag missen.

Exterminator 2

6 maart 2015 - 23u59 in Cinema Nova

De legende wil dat Golan en Globus de eersten in Hollywood waren die de titels van sequels schreven zonder Romeinse cijfers, omdat ze (terecht) van oordeel waren dat die domme Amerikaanse zwijnen dat toch niet verstonden. Exterminator 1 heb ik voor de goede orde nog niet gezien, maar het vervolg is alleszins een meesterwerkje. De film kent dezelfde Reaganeske angsten als Invasion USA, Cobra en Death Wish 3 en handelt over een ingebeelde groep van drugsdealers, Puerto Ricanen, breakdancers en ander tuig die om onduidelijke redenen samenhokken om een coup d’état te plegen. Straatcriminaliteit wordt een doel in plaats van een middel en vooral brave Joodse burgers moeten het hierbij ontgelden. Gelukkig is er nog de Exterminator die met zijn vlammenwerper het geboefte te lijf gaat en wordt bijgestaan door een dolgedraaide vuilniskarchauffeur die heel de tijd voorspelbare oneliners als “time to take out the trash” snauwt. De film heult natuurlijk mee met de gekende vigilante traditie, maar heeft een groezeliger, uitgesproken grindhouse kantje en laat in volle ornaat de sleazy charme van Times Square zien, voor die vervelende narc van een Rudy Giuliani de hele boel besloot op te kuisen. De minimalistische electronische soundtrack, de religieuze symboliek, de naar Eisenstein neigende cross cutting en de surrealistisch gefilmde liefdescènes zijn toemaatjes voor de echte fijnproevers.

Bloodsport

7 maart 2015 - 22u30 in Cinematek

Bloodsport vertelt het wonderbaarlijke verhaal van Frank Dux (gespeeld door Jean-Claude Van Damme), de eerste westerling die het beruchte ‘Kumite’ martial arts tornooi in Hong Kong won. Het is bij mijn weten een zeer waarheidsgetrouwe verfilming, op een paar nuanceverschillen na. Had de echte Frank Dux bijvoorbeeld ook zo’n verwijfd Hitlerjugend kapsel? Had hij meer oog voor zijn eigen geoliede borstkas dan voor zijn love interest? Demonstreerde hij ook te pas en te onpas hoe mooi hij een split kon uitvoeren, als teken van diepgaand misprijzen voor zijn nageslacht? (Ook die hoog opgetrokken chino’s logen er wat mij betreft niet om). Van Damme, in zijn eerste grote rol, spreekt hier nog totaal onverstaanbaar Engels en ontpopt zich op meerdere momenten tot de Inspecteur Clouseau van de knokfilm (let zeu geurl geuw!). Toch is het zonder twijfel de meest begeesterde acteerprestatie van the muscles from Brussels, met als hoogtepunt de scène waar zijn tegenstrever (martial artslegende Bolo Yeung-ik zou een moord begaan voor zo’n pecs) hem zout in de ogen strooit, waarop Van Damme luid krijsend in een soort trance geraakt en verblind verder moet vechten. Toegeven, de vechtscènes zijn wel de moeite waard, niet in het minst omdat er een grote diversiteit in stijlen is: capoeira, muay thai en zelfs ‘bullenbak’-stijl uitgevoerd door de potige Ogre uit Revenge of the Nerds die al die miezerige Aziaten naar hartenlust in het rond slingert. Het beste moment is echter de misplaatste comic relief scène waar Van Damme op dolle synthesizer deuntjes wordt achtervolgd door de steegjes van Hong Kong door twee incompetente flikken, onder wie een jonge Forest Whitaker: duidelijk een gevalletje van typecasting avant-la-lettre.

Avenging Force

18 maart 2015 - 19u30 in Cinematek

Eén van de minder memorabele actiehelden uit de jaren ‘80 is Michael Dudikoff: even houterig als Chuck Norris, maar dan zonder baard, en met de uitstraling van de gemiddelde speler van SK Lierse. Toch heeft Dudikoff zich op één of andere manier kunnen opwerken tot muze van low budget auteur Sam FIrSTenberg en hun samenwerking werd een succesverhaal, zij het één van zeer korte duur. Hoogtepunt was de immens populaire American Ninja-reeks: geloof mij, elke zichzelf respecterende herrieschopper had in die tijd een American Ninja-poster boven zijn bed hangen. Toch is Avenging Force misschien wel het interessantste product dat Dudikoff en FIrSTenberg samen inblikten. Het is een heel ongewone film en niet alleen omdat we in de openingsscène een man zien achtervolgd worden door drie ninja’s in een Louisiaans moeras (ninja’s waren immers hét handelsmerk van FIrSTenberg!) Neen, de film is eerder bijzonder te noemen vanwege zijn politieke strekking. De slechteriken in deze film zijn voor de verandering eens geen crack rokende immigranten, maar rechtse politici die een sympathieke Afro-Afrikaanse gouverneurskandidaat willen liquideren. De bad guys worden voorgesteld als elitaire windbuilen, die luisterend naar Vivaldi en nippend aan whiskyglazen de meest achterlijke fascistische praat verkopen. Heel vreemd dus, want zo stelde ik mij juist altijd de Cannon board meetings voor. Misschien was Avenging Force wel een soort meta-film?

10 to Midnight

18 maart 2015 - 21u30 in Cinematek

De straten van L.A. worden geteisterd door een psychopaat die jonge meisjes in mootjes hakt en - pittig detail - steeds poedelnaakt te werk gaat. Wie zal deze gefrustreerde sicko halt toeroepen? Charlie Bronson natuurlijk! In 10 to Midnight speelt onze favoriete besnorde wreker een smerige klabak van het kaliber waar zelfs Harry Calahan bleekjes van zou worden en durft hij bijgevolg wel al eens af te wijken van de procedures. Wanneer Bronson een routine-ondervraging doet, kan hij het niet laten om even rond te neuzen in de badkamer van de verdachte en wat vindt hij daar? Een penispomp godbetert! Bronson weet nu genoeg: deze ziekelijke pervert is zonder enige twijfel de man die we zoeken! Omdat hij geen echte bewijzen heeft, besluit Bronson maar het DNA onderzoek te trukeren. Niet dat er iets mis is met onze rechtstaat, maar een goede flik moet soms gewoon zijn hunch kunnen volgen, niet waar? Ondertussen maken die cynische advocaten er toch maar een sport van om hun cliënten ontoerekeningsvatbaar te laten verklaren. 10 to Midnight is - zoals elk post-Death Wish vehikel van Bronson - een aaneenrijging van verzuurde statements over alles wat er misgaat in onze softe maatschappij waar criminelen vervroegd vrijkomen, jonge vrouwen niet meer naar hun vader luisteren en de koffie veel te slap is. HLN-lezers zouden dus wel eens spontaan kunnen klaarkomen van deze film.

Breakin’ 2: Electric Boogaloo

27 maart 2015 - 21u30

Big up Shabbo-Doo! Shout out to Boogaloo Shrimp! Hoewel subculturen in de meeste Cannonvehikels worden voorgesteld als de bron van alle kwaad, konden Golan en Globus het toch niet laten om in te spelen op de immens populaire breakdance trend van de jaren ‘80: geloof me, als je in die tijd geen lekkere moves had, zag geen enkel meisje je staan. Electric Boogaloo (wat over de jaren heen - geheel onterecht - een soort verzamelwoord is geworden voor overbodige sequels) gaat over de jonge Kelly, een een rijk meisje dat heel graag danst en zich inzet voor arme jongeren in het buurthuis, al zou haar tennisspelende, met een zijden pullover op zijn schouders gedrapeerde vader haar natuurlijk liever naar Princeton sturen waar ze gluiperige advocaten-in-spe met namen als Derek zou kunnen ontmoeten. Maar Kelly heeft haar roeping gevonden in the hood tussen de b-boys & fly girls. Wanneer een gewetenloze Bart Verhaege-achtige projectontwikkelaar het jeugdhuis wil slopen om er een hypermodern shopping center te bouwen, is Kelly’s verontwaardiging dan ook groot en besluit ze met haar vriendjes het grootste breakdance feest ooit te organiseren om al die jive ass mofos eens op hun plaats te zetten. Ondanks de goede inborst van Electric Boogaloo, kun je je niet van de indruk ontdoen dat de hele film gewoon een showcase was voor het betere poppin’ werk: zonder te overdrijven, de film bestaat voor 80% uit breakdance scènes, allemaal gefilmd onder het nauwlettend oog van goeie ouwe Sam FIrSTenberg. Voor mainstream kijkers zal de film dan ook te compromisloos zijn, enkel diepzinnige intellectuelen als Armond White kunnen ‘m vatten.

E-mailadres Afdrukken