Banner

Mandy

8.0
David Vanden Bossche - 19 december 2018

Regisseur Panos Cosmatos is de zoon van de van oorsprong Griekse cineast George Pan Cosmatos. Dat is niet echt een adelbrief: Cosmatos verwierf faam met het vreselijke (maar helaas ook vreselijk succesvolle) Rambo – First Blood Part II en het al even onnozele Stallone-vehikel Cobra. Ook de rest van zijn carrière is bezaaid met weinig geïnspireerd werk zoals Escape to Athena, The Cassandra Crossing en Leviathan. Zoon Panos Cosmatos blijkt echter – op basis van deze Mandy dan toch – een stuk meer in zijn cinematografische mars te hebben.

Deze cultfilm voor gevorderden ging in première tijdens de ‘Quinzaine des Réalisateurs’ op het festival van Cannes en wist vervolgens op een paar kleinere filmfestivals prijzen in de wacht te slepen, onder andere voor de indringende muzikale score van de dit jaar overleden componist Jóhann Jóhannsson. Mandy biedt ook hoofdrolspeler Nicolas Cage voor het eerst in jaren nog eens een memorabele rol, als de brave houthakker wiens geliefde ontvoerd en vermoord wordt door een losgeslagen bende religieuze gekken onder leiding van een geschifte profeet die dweept met de genade van Christus, vrije liefde, LSD en zijn zelfgeschreven melodieuze seventies-pop. Cosmatos spiegelt zich met veel verve aan de goedkope horror- en actiefilms uit de jaren tachtig, maar haalt toch vooral zijn inspiratie (thematisch en visueel) bij de wraakfilms uit de jaren negentienzeventig: de erfgenamen van I Spit on Your Grave en Last House on the Left.

In eerste instantie lijkt Mandy vooral een vermoeiende, naar Quentin Tarantino zwemende, oefening in een extreme vorm van postmoderne recyclage. Werkelijk elk beeld en elk moment in deze extreme wraakthriller refereert aan ander werk: zo wonen Cage en zijn dromerige vriendin aan Crystal Lake (Friday the 13th) en net na een uit de hand gelopen duel met een motorzaag, hangt in het hol van de sekteleider een poster die knipoogt naar Scarface – niet alleen eveneens een film met een beruchte ‘motorzaag-scène’, maar ook een prent die verscheen in 1983, het jaar waarin Mandy speelt. Obligate referenties aan Evil Dead, Hellraiser, Streets of Fire,The Exterminator, First Blood en het werk van Dario Argento en John Carpenter, worden afgewisseld met meer obscure verwijzingen naar bijvoorbeeld de nagenoeg vergeten animatiefilm Heavy Metal. De maniëristische en zelfingenomen recyclage is echter verre van het interessantste aspect aan de film. Wat wel intrigerende cinema oplevert is het feit dat Cosmatos er in slaagt om aan zijn postmoderne spelletjes ook echt een eigen visuele signatuur op te leggen. Op zijn blog ‘Observations on Film Art’ schreef de Amerikaanse filmwetenschapper David Bordwell over de manier waarop uit extreme kitsch (hij had het over het recent door Criterion gerestaureerde True Stories van Talking Heads – frontman David Byrne) ook echt een esthetische ervaring kan groeien, zoals in het werk van bijvoorbeeld de controversiële kunstenaar Jeff Koons. Hetzelfde geldt voor Mandy dat ook de ergerlijkste elementen uit de films waaruit gepuurd wordt overneemt (het veel te trage vertelritme, de pogingen om zichzelf enig sérieux aan te meten, het vaak beschamend goedkope effectbejag …) en uit het herschikken van al die inspiratiebronnen tevoorschijn komt met een werkje dat ook werkelijk een bezwerende esthetische kracht bezit.

Het is altijd verleidelijk om aan een prent als Mandy – die op het eerste zicht naar voren komt als veel slimmer dan het materiaal zich wil voordoen – allerlei kwaliteiten toe te dichten die de film eigenlijk niet bezit. Ditmaal ligt de valstrik echter dieper : de prent verdient geen lof voor de manier waarop ze speelt met postmoderne knipogen en referenties en zichzelf daarmee schouderklopjes geeft op het gebied van slimme recyclage van minderwaardig cinematografisch erfgoed. Waar de film wél lof voor verdient is de manier waarop precies dat spel ondermijnt wordt en gereduceerd tot slechts één factor in het smeden van een film die ook van de metataal kitsch maakt, daarmee de postmoderne ironie zélf een spiegel voorhoudt en finaal opnieuw aansluiting vindt met de subtiele en sublieme kracht van pure esthetiek. Diep onder de laag opsmuk van de spelletjes met de kijker en de erfenis van andere films, ligt immers een gedurfde prent verborgen die helemaal niet ironisch of spottend bedoeld is en die op zoek gaat naar een manier om de herkauwde sjablonen ook echt te herwaarderen. Anders gezegd: de postmoderne ironie die schijnbaar de drijfveer is van Mandy wordt ontmaskerd door een oprecht zoeken naar het terugvinden van een filmtaal die onbeschroomd op zoek gaat naar een vorm van het sublieme in de banaliteit.

Ondanks het feit dat de film grotendeels werd opgenomen in de Ardennen (naar verluidt was Cage verlekkerd op Belgisch ‘Kriekbier’), was Mandy hier enkel te zien tijdens een aantal vertoningen in het kader van ‘Film Fest Gent on Tour’. Wie de film nu nog wil bekijken is aangewezen op de ‘on demand’ services van de digitale televisie.

E-mailadres Afdrukken