Luuk Gruwez

De eindelozen

9.5
 - 08 mei 2015

Na het iets mindere Wijvenheide uit 2012 komt Luuk Gruwez nu terug met een fenomenale bundel: De eindelozen. De gedichten zijn inhoudelijk bevattelijk en getuigen van een menselijke diepte die sterk beklijft. Het emotioneel spectrum is breed, met toch een voorkeur voor de donkere kant. De toon is voornamelijk zachtzinnig, hoewel soms ook eens bitter-triest. En dan de taalrijkdom, de lyrische schoonheid van de klank en evocatieve kracht van zijn beelden: dit moet poëzie zijn waarvoor ooit het woord “fantastisch” werd uitgevonden.

Openen doet de bundel met een appel aan taalgevoeligheid. Zonder de betovering van de taal is er niets dat ons nog onderscheidt van het stenen tijdperk, aan een barbaarsheid zonder verzen en een afwezigheid van verdriet. Gruwez poneert hier echter, na het motto dat aan de sterfelijkheid van alles en iedereen rappelleert, een onvoorwaardelijk geloof in de onsterfelijkheid van de poëzie. Wat volgt is de eerste cyclus, waaraan de volledige bundel zijn naam ontleent. En misschien ook de cover met bloedspatten, want de cyclus is gewijd aan de Eerste Wereldoorlog en zijn ontelbare slachtoffers. Hoogtepunt is hier ongetwijfeld Soorten liggen, een gedicht met reminiscenties aan Rimbauds Le dormeur du val. Gruwez’ gedichten zijn een aanklacht tegen geweld, maar verliezen nooit het individueel drama van de kleine soldaten uit het oog. Uitzonderlijk sterk.

In de tweede, meest unheimliche cyclus Vreemd heelal schuwt de dichter niet zichzelf te laten figureren. Het verlangen om onvindbaar voor zichzelf te zijn, vertaalt zich iets verder in een gedicht over de ziel in een heuse existentiële crisis. Decemberen is hiervoor misschien een nieuw werkwoord, en zelfs in het gedicht dat naar Dehmel refereert, is er geen verlichting, alleen de donkerte van de hel. Een gedicht met een enorme inherente spanning is Timiditeit, waarin de onzichtbare dystonie van een hormonale omwenteling wordt aanschouwelijk gemaakt. In die zin paste het gedicht misschien beter bij de derde en langste cyclus Vlees na vlees. De sterfelijkheid, het lichaam in zijn soms groteske details, het menselijk tekort: geliefde onderwerpen van Gruwez, maar hier overtreft hij zichzelf op grootse wijze. Hij boort soms een tragikomisch of zelfs ronduit grappig register aan (man bij kapper!), een teder, een empathisch tot zelfs ongemeen hard. “Wij zijn van vlees, dat is het wat ons eenzaam maakt”, of hoe we onze sterfelijkheid meedragen en dit op ons weegt als mens. Er is hier teveel goeds om in concreto te gaan neerpennen, maar lees bovenal Tijdverdrijf, waarin een prachtige, vormelijk vloeiende taal gestalte geeft aan diepmenselijk pijn.

Gruwez doet niets minder dan eindigen met een mokerslag. De vierde en laatste cyclus Slachtoffers en daders zal minder herinnerd worden omwille van het portret van de narcistische Andras Pandy, hoewel zijn vergelijking met Blauwbaard kan gelden als een schitterende vondst. Neen, het zijn vooral de zes verhalende gedichten over Medea die een magistraal slotakkoord vormen. Het verhaal van Euripides wordt gereconstrueerd met aandacht voor het schuldgevoel, de slachtofferrol, de kleinzielige jaloezie en egocentriciteit, kortom de puur menselijke getormenteerdheid van de heldin. Lees De eindelozen en sta versteld van zoveel rijkdom. Een petieterig boekje is het, echter van een eindeloze diepte…

Copyright foto: Chris van Houts

E-mailadres Afdrukken