Hafid Bouazza

De akker en de mantel

7.0
John Cossement - 11 december 2015

“Een beschimmelde religie”, “mannelijke barbarij”, “een fenomeen dat we kunnen missen als een natuurramp”; de Marokkaans-Nederlandse schrijver Hafid Bouazza is de islam in essays en interviews allerminst genegen. Zijn pamflet De akker en de mantel is naar eigen zeggen een woedekreet, een machteloze weeklacht om de wreedheden tegenover de vrouw en een verbale razernij tegen de onverschilligheid over alle onrecht in naam van de islam: indien de vrouw een ras was geweest, dan stond de ganse wereld nu op haar achterste poten.

“Het blijft voor mij verbijsteringwekkend, deze roep om regenbogen van nuances wanneer zwarte daden ontmaskerd worden. Blijkbaar is het bloederige blazoen van een instituut als de islam belangrijker dan de helledoem van vrouwen.”, laat freigeist Bouazza optekenen. De akker en de mantel is, aldus Bouazza, geen optimistisch boek vol oplossingen. De islam kan niet door de islam zelf veranderd worden of zoals hij het in een Humo-interview verwoordde: "De islam is niet gekaapt, de islam wordt niet verkeerd begrepen of uitgelegd. Al die vergoelijkende exegese brengt geen zoden aan de dijk: 't is voetballen met een lekke bal, zonder dat iemand zegt dat er iets mis is met die bal – hoogstens wil men de spelers vervangen of de tactiek veranderen. Zo blijft men blind voor wat altijd weer de kern van het probleem is: de islam zelf. Na 600 jaar culturele en sociale, economische en industriële lethargie moeten we maar eens conclusies durven trekken."

En nog maar eens blijkt dat een goddeloze criticus als Bouazza de (ontstaans)geschiedenis van de islam en de koran beter kent dan de doorsneemoslim. Hij stelt indringende vragen, toont vervolgens aan dat de kern van de islam patriarchaal en reactionair is en nagelt, zijn vinnige humor en zijn sarcasme al eens de vrije loop latend, islamapologeten, gematigde moslims (“donkerekamerbezoekers die het daglicht prijzen”), een windbuil als Edward Said, het obscene van cultuurrelativisme en het chronische zelfmedelijden en gebrek aan zelfkritiek van miljoenen moslims aan de schandpaal.

In de eerste plaats is een polemisch boek als De akker en de mantel uiterst nuttig om islamapologeten en andere vergoelijkende stemmen die maar al te vaak met de nonsensterm islamofobie komen aandraven, gevat van antwoord te dienen. Nederland gedraagt zich volgens Bouazza ronduit onderkruiperig tegenover de islam. Als lezer besef je hoe jammer het is dat islamcritici een exotische naam (zie ook: Hamed Abdel-Samad) moeten dragen om het etiket ‘racist’ te kunnen ontlopen (bekijkt u vooral eens op YouTube de video waarin een ziedende Ben Affleck met “It’s gross, it’s racist” uitvaart tegen strijdbaar atheïst Sam “Islam is een goudmijn van slechte ideeën” Harris).

Sierlijk wisselt Bouazza – hoewel de volgorde van de essays nogal lukraak aandoet – de thema’s af; van vrouwelijke godinnen die de duimen moesten leggen voor het mohammedaanse monotheïsme, via Aïcha, de jongste bruid van Mohammed en klassieke Arabische poëzie van libertijnse strekking, naar actuelere kwesties als de mislukte Arabische revolutie (nogmaals: verandering kan er niet komen dankzij de islam, maar ondanks) of vrouwelijke Arabische tegenstemmen. Hij neemt het, zonder zijn zin voor kritiek te verliezen, op voor Huda Shaarawy, oprichtster van de Egyptische Feministische Unie, de Egyptisch-Amerikaanse journaliste Mona Eltahawy en haar aanklacht “Why Do They Hate Us” of de weliswaar te optimistische Shereen El Feki. Aanvankelijk blijft de lezer wel wat op zijn honger zitten, omdat Bouazza de tijd neemt om heel wat zijstraten in te slaan. Hij laat zich in De akker en de mantel opnieuw als een taalliefhebber en een woordkunstenaar zonder weerga gelden, maar een overdaad aan voetnoten zit in de weg en de uiterst gedetailleerde linguïstische interesse van de schrijver stelt de aandacht van de lezer danig op de proef. Bouazza stelt (soms iets te) gretig zijn taalrijkdom tentoon, hij bezondigt zich al eens aan manke metaforiek en zijn redeneringen missen hier en daar helderheid en diepgang.

De links-liberale Hongaarse schrijver György Konrád verklaarde onlangs dat de islam, naast het nazisme en het communisme, een bedreiging voor de mensheid vormt. De 82-jarige Konrád overleefde de eerste twee gruwelideologieën. Karlheinz Deschner wijdde dan weer een groot deel van zijn leven aan een tiendelig werk over de misdaden van het christendom. Een schrijver die dat over de islam zou doen, moet vrezen voor zijn leven. Jammer, want Hafid Bouazza zou de geknipte man zijn om zijn medewerking te verlenen aan een vlammende Kriminalgeschichte van de islam.

E-mailadres Afdrukken