Marcel Proust

Swanns kant op

9.0
Jurgen Boel - 13 mei 2016

Ooit merkte iemand tijdens een interview gevat op de klassieke uitspraak “ik moet dringend Proust” herlezen met dat niemand ooit Proust zelfs maar had uitgelezen. Een heerlijke boutade uiteraard met een belangrijke kern van waarheid, want het legt treffend de beide meningen neer die Prousts’ klassieker À la recherce du temps perdu oproepen. De ene kan maar niet genoeg krijgen van de meesterlijke, meanderende zinnen waar de ander vooral nietszeggend geleuter vindt dat zichzelf verliest in nutteloze terzijdes.

Proust zelf schreef zijn meesterwerk tussen 1913 en 1927 waarbij de laatste drie delen postuum verschenen en onafgewerkt bleven. Zijn leven lang zou hij overigens aan zijn romans blijven schaven om het geheel, een slordige vierduizend pagina’s, intern consistent te houden. Het werk samenvatten is overigens geen sinecure zoals de legendarische Monty Python-sketch The All-England Summarise Proust Competition aantoonde, daar Proust enerzijds verschillende thema’s in zijn werk aan bod liet komen, maar anderzijds het idee van een duidelijke plot liet varen voor een meer impressionistische aanpak waarbij het hoofdpersonage/de verteller zich graag verliest in terzijdes en uitweidingen.

Het eerste deel van de cyclus Swanns kant op (Du côté de chez Swann) verscheen in 1913 in bij uitgeverij Grasset (al stond Proust zelf in voor de kosten) en zou na publicatie snel het nodige krediet krijgen (inclusief voorstellen van andere uitgeverijen om zijn romans uit te brengen). De manier waarop Proust thema’s als homoseksualiteit (reeds in dit eerste deel is de auteur getuige van een lesbische liefdesscène), herinneringen en het voortschrijden van de tijd (het beruchte Madeleinefragment), maar ook kunst en snobisme in zijn werk aan bod laat komen, waren verfrissend in het bijzonder daar hij zoals opgemerkt koos voor een sterk meanderende stijl die zich van plotwendingen weinig aangelegen liet en opteerde voor een “stream of consciousness”-vorm die de nadruk legde op belevenissen en het leven van (de gegoede Franse burger in) de vroege 20e eeuw.

In tegenstelling tot wat vermoed mag worden, start dit eerste boek (en bijgevolg de cyclus) niet met de befaamde Madeleine-scène (die duikt pas op omstreeks pagina vijftig) maar wel met voor kenners klassieke zin “Er is een tijd geweest dat ik vroeg naar bed ging.” Die eenvoudige vaststelling is voor Proust voldoende om in het geheugen van zijn hoofdpersonage te duiken en (na de nodige uitweidingen uiteraard) te mijmeren over hoe hij als kind geregeld in Combray verbleef bij zijn grootmoeder en hoe familievriend Swann daar een graag geziene gast was. Toch is het pas de smaak van de Madeleine die de poorten van het geheugen openzet en de bonte stoet aan personages en herinneringen de revue laat passeren die naarmate de cyclus vordert steeds meer uitdijen zal.

Het familieleven en de sociale conventies staan daarbij centraal, waardoor de lezer een intrigerende blik krijgt op het toenmalige mondaine leven en hoe allesbepalend het juiste gedrag daarbij wel niet is, zoals Swann nog merken zal. Swann, diens liefde Odette alsook dochter Gilbertte zijn dan ook enkele van de spilfiguren binnen de hele cyclus (in totaal komen zo een tweehonderd personages geregeld aan bod) en krijgen binnen dit eerste werk zelfs een eigen “vertelperspectief” aangeboden (“Een liefde van Swann”) dat dieper ingaat op de relatie tussen Swann en zijn latere bruid Odette alvorens in het derde deel (“Plaatsnamen: de namen”) de hoofdverteller opnieuw het woord neemt om het in de volgden cyclusdelen niet meer af te staan.

Toen Proust in 1913 aan zijn cyclus werkte, meende hij met drie delen te volstaan. Dat het er finaal zeven geworden zijn, mag rekening houdend met de hele opbouw van het werk, niet verbazen. Toch is Swanns kant op niet het beste pleidooi voor het oeuvre, daar Proust na ongeveer tweehonderd pagina’s besluit opeens Swann s verhaal te vertellen alvorens opnieuw aan te knopen bij zijn “eigen” verhaal. Een ingreep, die hoewel zeker niet uniek, binnen de eerder associatieve stijl van het boek verwarring (en frustratie) oproepen kan. Het mag dan ook niet verwonderlijk heten dat veel lezers al bij dit eerste deel de hoop en moed opgeven (slechts wie enkele delen “doorbijt”, haalt het einde zo blijkt) en de hele zwik afzweren.

Hoe begrijpelijk die keuze ook mag zijn, toc h zou het niemand ervan mogen weerhouden om op zijn minst Swanns kant op een eerlijke kans te geven. Eenmaal gebeten door de stijl is het aanlokkelijk om zichzelf helemaal in het verhaal te verliezen en op te gaan in de mijmeringen van de verteller/Proust. De manier waarop hij immers te werk ging en mee aan de wieg staat van de moderne roman kan niet anders dan lof oproepen, zelf al is de hele rit uitzitten geen sinecure. Het is die optiek veelzeggend dat enkel dit eerste deel meerdere vertalingen heeft gekend. Een laatste lans mag overigens gebroken worden voor vertalers Martin de Haan en Rikus Hofstede die Prousts schrijfstijl hier alle eer aandoen. Proust herlezen hoeft geen optie te zijn, maar een eerste maal (het eerste boek) lezen is bijna een verplichting.

E-mailadres Afdrukken
 
Marcel Proust
Athenaeum / Pollak & Van Gennep
www.athenaeum.nl

advertentie
Banner

TEST