Banner

Soseki Natsume

Ik ben een kat

8.0
Jurgen Boel - 30 september 2016

Antropomorfisering en het gebruik van dieren of zelfs levenloze objecten is een klassiek goed binnen de literatuur en fictie en een handige manier om satire te bedrijven of anderzijds kritiek te leveren op de omringende maatschappij. De rol van de absolute ander als kritische observator verleent de auteur het voorrecht en gemak man en paard te noemen zonder zijn (of haar) protagonist met onmogelijke kwaliteiten of een absurd moreel kompas te equiperen.

In het ook buiten thuisland Japan populaire en overbekende Ik ben een kat (Wagahai wa neko de aru) opteerde Natsume Sosesiki (pseudoniem voor Natsume Kinnosuke (1867-1916)) voor een eenvoudige huiskat om zijn milde kritiek en spot op het Japan van het Meji-tijdperk (1868-1912) vorm te geven. Hoewel zijn eerste interesse Chinese literatuur betrof, startte hij mee onder druk van zijn familie met een architectuurstudie waarbij hij ook Engels studeerde vanuit het idee dat dit hem in zijn latere carrière van pas zou komen. In 1890 stapte hij over naar de faculteit Engelse literatuur, al publiceerde hij nog steeds louter in het Chinees en Japans.

Na zijn afstuderen werkte hij enige tijd als docent Engels in allerlei scholen vooraleer hij na met een beurs twee jaar in Londen verbleven te hebben (naar eigen zeggen een ongelukkige periode) werd aangesteld aan de universiteit van Tokio. In 1907 koos hij voor een job als redacteur bij de krant Asahi met als uitdrukkelijke voorwaarde dat het zijn schrijverscarrière (Natsume had op dat ogenblik al een zevental romans gepubliceerd) niet zou hinderen. Conform de toenmalige afspraken en gewoonte verscheen Ik ben een kat in elf afzonderlijke hoofdstukken in het tijdschrift Hototogisu alvorens ze gebundeld zouden worden in drie boeken (hoofdstuk 1-3, 4-7, 8-11 /1905-1907) en later als één boek (1911).

Met Ik ben een kat volgt uitgeverij Lebowksi de eerste Japanse print in die zin dat het de roman in drie delen wenst uit te brengen, waarbij in dit eerste deel de eerste vier hoofdstukken voor de eerste maal in het Nederlands beschikbaar zijn. Waarom het meer dan een eeuw duurde vooraleer het werk, of alvast de eerste hoofdstukken in het Nederlands beschikbaar zijn, mag een klein raadsel heten want Natsumes werk blijft een klein satirisch pareltje dat moeiteloos tijd en plek overstijgt in de manier waarop het de kleine kantjes van de mens in de verf zet. Uiteraard is enige vertrouwdheid met het Japan ten tijde van het Meji-tijdperk mooi meegenomen maar ook voor een leek zal de manier waarop de paar hoofdpersonages zich verliezen in snobistische discussies, gedweep met het Westen en kleinzerig gedrag maar al te herkenbaar.

Getuige en commentator van dienst is de naamloze huiskat van de leraar Engels Chinno Kushami, die de auteur met enige zelfspot op zichzelf entte. Kushami is een lui en ietwat sullig figuur die zich weinig aangelegen laat van wat anderen van hem denken en alle hobby’s afbreekt nog voor hij er goed en wel mee gestart is. Zijn beste vriend is de pedante en immer ironisch/saracastische Meitei die er plezier in schept eenieder die zijn pad kruist voor de gek te houden en ook Kushami geregeld het slachtoffer van zijn grappen laat zijn. Naast Meitei duikt ook de doctoraatsstudent Mizushima Kangetsu op, die als oud-leerling van Kushami prijs stelt op het gezelschap en de raad van zijn oud-docent, in het bijzonder wat liefdesaangelegenheden betreft. Het bonte gezelschap komt (on)rechtstreeks in aanvaring met de rijke handelaar Kaneda wanneer blijkt dat de student op diens dochter verliefd is en de Kaneda’s trachten te achterhalen of Kangetsu een geschikte partij is.

In dit eerste boek worden vooralsnog de plotlijnen voorzichtig uitgegooid en beperkt Natsume zich naast de beschrijving van de exploten van de naamloze kat tot het schetsen van zijn hoofdpersonages en wat steken richting het toenmalige Japan en de heersende, veranderende mores. Na eeuwen isolationisme was Japan onder keizer Meiji immers een nieuw tijdperk binnengetreden waarbij niet alleen de macht van het shogunaat (en de samoerais) gebroken werd maar ook de blik steeds meer op het Westen gericht werd, waardoor de Westerse cultuur langzaam maar zeker het land binnensloop en handelaars de nieuwe elite werden.

Het onverwachte succes van deze eerste gepubliceerde hoofdstukken, bracht Natsume ertoe enkele rode draden in zijn verhalen te brengen, in essentie de liefdesgeschiedenis tussen Kangetsu en Kaneda, maar daar is in dit eerste boek nog weinig sprake van. Wat primeert is de milde spot en de satirische kijk op de menselijke natuur. De manier waarop Natsume zijn ironische blik over zichzelf en zijn medemens laat glijden, zorgt ervoor dat Ik ben een kat ook honderd jaar later nog steeds voor enkele aangename leesmomenten zorgt en toont en passant aan dat de aard van het beestje mens geheten over tijd en ruimte heen universeel mag heten. Het Japan uit het Meji-tijdperk of het Europa van de vroege 21e eeuw… mocht de kat nu zijn dagboek schrijven, het zou niet zo gek anders lezen.

E-mailadres Afdrukken