Banner

Augustinus

Belijdenissen

8.0
Jurgen Boel - 22 september 2017

De kerkvader Augustinus van Hippo geldt ook na meer dan bijna 1600 jaar na zijn dood nog als een belangrijk theoloog en filosoof. Niet minder dan 26 van zijn geschriften zijn overgeleverd, maar twee in het bijzonder blijven nazinderen in steeds nieuwe vertalingen: De Civitate Dei en Confessiones.

Zijn reflectie over het geloof en de verhouding tot de wereldse rijken in De Civitate Dei (De stad Gods) zou doorheen de hele middeleeuwen leiden tot nieuwe interpretaties en commentaren, terwijl hij met zijn “autobiografie” Confessiones (Belijdenissen) een van de eerste autobiografische werken schreef, waarbij het (belang van) geloof doorheen de hele tekst aanwezig is. Want ook al is het boek autobiografisch, het voornaamste doel van Augustinus, die startte met het schrijven van dit boek kort na zijn aanstelling als bisschop in Hippo Regius, blijft het bezingen en loven van God.

Augustinus werd geboren in het toenmalige Thagaste (Souhk-Arras) en genoot voortgezet onderwijs, waarna hij als retoricaleraar in Carthago en later Rome in zijn levensonderhoud voorzag. Geplaagd door een dorst naar kennis en een verlangen om de aard van goed en kwaad te kennen, bekeerde hij zich tot het manicheïsme, dat hij na een tiental jaar inruilde voor neoplatonische denkbeelden. Toen hij op dertigjarige leeftijd in Milaan als retor werd aangesteld, maakte hij kennis met bisschop Ambrosius die niet alleen zijn intellectuele bezwaren tegen het christelijke geloof wist te weerleggen, maar hem twee jaar later ook doopte.

In jaren daarna zou Augustinus, die meer dan vertrouwd was met ketterijen en dwaalleren, zich in verschillende geschriften keren tegen deze opvattingen, terwijl hij eveneens zijn taken als bisschop van Hippo Regius (nauwelijks tien jaar na zijn doop) verzorgde. Kort na zijn aanstelling als bisschop startte Augustinus met het neerschrijven van zijn autiobiografie in dertien boeken, waarin hij zijn zondige leven erkende en God bezingt. De eerste negen boeken zijn duidelijk memoires, maar in boek tien komt Augustinus via een overdenking over (de werking van) het geheugen uit bij een theologische reflectie op het boek Genesis en de drie-eenheid in de laatste drie boeken.

Ook al gelden de eerste negen boeken veeleer als een vorm van memoires, dan nog kan Augustinus zijn christelijke overtuigingen niet logen. Doorheen het hele werk (dus ook deze eerste boeken) richt hij zich tot God en neemt hij geregeld citaten uit de Bijbel over (in het bijzonder de psalmen, die hij ook op zijn sterfbed las) wanneer hij een gebeurtenis of persoonlijke zonde en dwaling wenst te bekennen. De manier waarop hij met zijn eigen verleden afrekent, is opvallend en op sommige momenten haast pathetisch. Zo zal meer dan één psychoanalyticus een flinke kluif hebben aan Augustinus schuldbesef bij het feit dat hij als kleine jongen enkele peren stal (“zo een kleine jongenen zo een grote zondaar” omschrijft hij zichzelf).

De steeds naar waarheid en antwoorden zoekende Augustinus, was een intellecteueel en belezen man. Weliswaar kende hij het christendom al via zijn moeder, maar het overtuigde hem (intellectueel) niet. In de filosofie en het manicheïsme vond hij als late tiener en twintiger zijn eerste overtuigingen tot hij door Ambrosius op het pad van het christendom gezet werd en het manicheïsme afwees. De filosofie bleef hij echter trouw omdat, zoals hij in het derde en vierde boek duidelijk maakt, die voortkwam uit een dorst naar kennis die God hem gegeven had. De filosofen vinden dan ook hun plek binnen het geloof voor Augustinus, die kennis hoog in het vaandel zal blijven dragen.

Eenmaal bekeerd blijft Augustinus nog worstelen met zijn menselijke natuur, alsof hij ten overstaan van zijn lezers en critici wil erkennen dat ook hij maar een zondig mens is, terwijl hij de lof van God blijft bezingen en hoe deze elke stap van Augustinus voorzien en gepland heeft. Doorheen de bekentenissen vergelijkt hij zijn eigen nietigheid en onwetendheid met de grootsheid, barmhartigheid en wijsheid van God. De psalmen in het bijzonder worden geciteerd en gerefereerd om Gods grootsheid te duiden, terwijl de terugblik op het eigen leven gepaard gaat met een zondebesef, maar ook de erkenning van een niet aflatende dorst naar kennis.

In zijn belijdenissen onderbouwt Augustinus ook intellectueel waarom hij zich finaal tot het christendom bekeerde. Weliswaar voert hij vooral in de laatste vier hoofdstukken verschillende argumenten en bewijzen aan, maar ook in de andere boeken laat hij meer dan eens zijn licht schijnen over vraagstukken die hem als (jong)volwassene plaagden en waar het christendom een antwoord op biedt. Voor de hedendaagse lezer kunnen in het bijzonder de laatste hoofdstukken wat taai en breedvoering overkomen, al staat het buiten kijf dat Augustinus een begenadigd schrijver en scherp denker was die wist hoe hij zijn boodschap diende te brengen. Ongetwijfeld is het ook daardoor datBelijdenissen nog steeds een lezerspubliek aanspreekt dat niet noodzakelijk christelijk of gelovig is.

E-mailadres Afdrukken
Tags: Augustinus