Banner

Fik Meijer

Keizers sterven niet in bed & Gladiatoren

7.0
Jurgen Boel - 23 maart 2018

De Nederlandse classicus en historicus Fik Meijer blijft in het Nederlandse taalgebied de belangrijkste auteur die handelt over het Oude Rome. Over zowat elk onderdeel, gaande van huisdieren over het circus tot en met vreemdelingenbeleid, heeft hij een vlot leesbaar en populariserend werk geschreven. Met regelmaat van tijd worden zijn werken daarnaast opnieuw in roulatie gebracht. Enige tijd geleden verschenen twee opmerkelijke boeken opnieuw, met als thema twee bevolkingsgroepen die niet verder uit elkaar konden staan: keizers en gladiatoren.

In 2001 publiceerde Meijer voor de eerste maal zijn biografie van de Romeinse keizers, van Julius Caesar (44 v. Chr.) tot Romulus Augustulus, waarmee meteen ook het doek valt over het West-Romeinse Rijk (476). De tot de verbeelding sprekende titel Keizers sterven niet in bed roept uiteraard meteen herinneringen op aan beruchte keizers als Nero en Caligula (behorend tot de Julisch-Claudische dynastie), die het zo bont maakten dat hun eigen lijfwachten een einde maakten aan hun leven. Beide keizers maakten het echter niet bonter dan Heliogabalus (218-222) of Commodus (180-192), zoon van de veelgeprezen Marcus Aurelius (161-180), die net als andere keizers voor en na hen gedood zouden worden door ontevreden soldaten.

Dat niet elke keizer gehaat werd of een niet-natuurlijke dood stierf, bewijzen de levens van Augustus (27 v.Chr. – 14 n.Chr.), die het nieuwe keizerdom stichtte, Antonius Pius (138-161) en Constantijn I (306-337). Allen bewezen ze zich als wijze heersers die perfect het soms wankele evenwicht binnen het Rijk wisten te bewaren en de blijvende trouw van zowel de senaat, het leger als de bevolking wisten te verzekeren. Doorheen de opsomming van de verschillende keizers (die soms maar enkele maanden aan de macht waren) weet Meijer enkele reflecties over macht en onderlinge verhoudingen mee te geven en tegelijk een beeld te schetsen van het veranderende Romeinse Rijk, waarbinnen de senaat en aristocratie steeds minder een rol spelen en zelfs niet-Romeinen en soldaten weten op te klimmen tot het hoogste ambt.

Van een andere orde is het voor het eerst in 2003 verschenen Gladiatoren. Volksvermaak in het Colosseum, waarin de aandacht gaat naar het bevolkingsdeel dat helemaal onderaan de maatschappelijke ladder bengelde. De meeste gladiatoren waren krijgsgevangenen en veroordeelde slaven zonder andere keuze. Deze keer gaat Meijer niet zozeer chronologisch dan wel thematisch tewerk, al blijft zijn startpunt uiteraard de oorsprong van de circusspelen en de gladiatorengevechten in het bijzonder. Deze gevechten werden reeds in de vierde eeuw voor Christus gehouden: lang voordat een Romeinse keizer bij middel van de duim over leven en dood besliste, of althans zo wil de ietwat vertekende overlevering.

Het mocht dan wel het voorrecht van de keizer zijn te oordelen over leven en dood, het was nog steeds en in de eerste plaats het publiek dat zijn voor- of afkeur liet blijken. Een verstandige keizer volgde het volk. Het volksoordeel werd trouwens enkel gehouden wanneer beide gladiatoren zo aan elkaar gewaagd waren dat het gevecht door vermoeidheid onbeslist eindigde (er was een scheidsrechter aanwezig) of wanneer één van hen de wapens neergooide en zich aan de wil van het volk overleverde. Hoe bloeddorstig de Romeinen ook waren (een dagje Colosseum omvatte ook publieke executies en spektakels met wilde dieren in de voormiddag), een onbeslist gevecht hoefde niet in de dood te eindigen, als beide gladiatoren dapper gestreden hadden.

Dat gladiatoren zich op enige roem konden beroepen en betaald werden voor hun gevechten, is dan ook minder geweten. Net zozeer als het feit dat een gladiator die het geluk had genoeg gevechten te overleven, zichzelf in vrijheid gesteld zag en het harde gladiatorenbestaan achter zich kon laten. Dit geluk was echter maar voor een kleine groep weggelegd, wat de befaamde gladiatorenopstand van Spartacus verklaart. Kubricks verfilming van Spartacus` opstand blijft overigens relatief trouw aan de historische realiteit, wat niet gezegd kan worden van Ridley Scotts Gladiator, dat behoudens het feit dat keizer Commodus opduikt in de arena, zowat alles verkeerd voorstelt en een dramatisch verhaal verkiest boven enige historische accuraatheid. Maar wie een geschiedenisles wenst, weet beter dan naar een Hollywoodfilm te kijken, hoe vermakelijk die ook is.

Keizers sterven niet in bed en Gladiatoren proberen elk vanuit een ander standpunt iets meer te vertellen over het Oude Rome en hoe het rijk doorheen de eeuwen bestuurd en beleefd werd. Waar het ene boek stilstaat bij de hoogste leiders van het land, kijkt het andere naar diegenen die onderaan bungelen. Opmerkelijk genoeg hadden net deze twee maatschappelijk sterk verschillende groepen de grootste kans om met elkaar in contact te komen. Meijer biedt met geen enkel werk een uitgebreide reflectie zoals Mary Beards S.P.Q.R. of een meer diepgravende biografie in de lijn van Anthony Goldsworth (over Caesar en Augustus), maar wel een intrigerende kijk op enkele facetten van het Romeinse Rijk die ook vandaag nog tot de verbeelding spreken.

E-mailadres Afdrukken