Banner

Joost Devriesere

Pest

7.0
Jurgen Boel - 10 mei 2018
“Beschaving is niet meer dan een laagje vernis” luidt een volkswijsheid die het uitgangspunt vormt van menig roman en film. Post-apocalyptische verhalen haasten zich een maatschappij te tonen waar de mens in navolging van Thomas Hobbes’ visie de mens niet meer is dan een wolf voor andere mensen. Maar ook voor wie zoals José Saramago in De stad der blinden kiest voor een beslotenere gemeenschap in plaats van een wereldwijde pandemie, blijft de verdorvenheid en het egoïsme van de mens centraal staan.

De debuutroman van Joost Devriesere gelijkstellen of vergelijken met het meesterwerk van de Nobelprijswinnaar is unfair en zou sowieso nadelig uitvallen voor het debuut van Devriesere. Dat deze laatste in Pest ook kiest voor een reflectie op de menselijke aard door middel van een totaal onverwachte gebeurtenis met verstrekkende gevolgen voor een (besloten) gemeenschap, mag zowat de grootste vergelijking heten met Saramago’s boek, de aanpak en stijl is bij beide auteurs geheel anders. Het uitgangspunt van Pest is even voor de hand liggend als bijzonder: wereldwijd valt een groot deel van de bevolking in een onverklaarbare diepe slaap, terwijl de kleine groep wakkeren niet alleen geconfronteerd wordt met de vreemde gebeurtenis, maar ook moeten beslissen hoe ze met het nieuwe fenomeen zullen omgaan.

Devriesere opteert in zijn roman niet voor grootse reflecties op mondiaal vlak, maar focust zich op een kleine Vlaamse provinciestad die zich gemakkelijk laat lezen als Kortrijk, en hoe een aantal inwoners omgaan met de nieuwe situatie. Daarbij vertelt hij het verhaal aan de hand van verschillende personages die zich, elk op hun manier, recht proberen te houden (of munt te slaan uit de situatie) en wiens levens elkaar kruisen. Dit is eveneens een beproefde methode die onder meer in David Mitchells Geestesverwantschap knap uitgewerkt wordt, al mag er meteen bij vermeld worden dat ook Devriesere de link tussen zijn personages op een haast natuurlijke dan wel logische weg met elkaar weet te verbinden.

De mozaïsche structuur lijkt de auteur bovendien op het lijf geschreven: in wat niet meer zijn dan kortverhaaltjes en portretteringen van personages, weet hij vaak treffend een bepaalde persoonlijkheid neer te zetten. Zo is er de vrouw die finaal een uitweg ziet uit een huwelijk dat samengehouden werd door angst en mishandeling, maar ook een Irakese vluchteling die de angst toch nog gedeporteerd te worden niet van zich af kan zetten. Sommige gebruiken de situatie dan weer om rekeningen te vereffenen, zoals de onbekende die een filmcriticus gijzelt, of nieuw opgestane sekteleiders en ideologische wereldverbeteraars voor wie elke nuancering ver te zoeken is.

De losse verhalenstructuur vormt de kracht, maar ook de zwakte van het boek. Niet elk verhaal is even sterk of relevant en Devriesere mist voorlopig nog de maturiteit om de roman als geheel naar een hoger niveau te tillen. Daarnaast valt op hoe hij hier en daar door (weliswaar markante) beschrijvingen voornamelijk Kortrijkse figuren in zijn boek portretteert zonder hen noodzakelijk bij naam te noemen. Het is balanceren op een slap koord waarbij de auteur soms het evenwicht verliest en net iets te duidelijk wordt wat hij beoogt, een euvel dat wel meer in de roman opduikt. Devriesere heeft een duidelijk schrijftalent en kan een verhaal vertellen, maar in zijn debuut blijft vooral dat laatste te onevenwichtig om over de hele lijn geslaagd te zijn. Niet elk idee verdiende een uitwerking.

Het zijn uiteraard kanttekeningen en bemerkingen die het leesplezier allesbehalve in de weg dienen te staan. Devriesere pretendeert nergens de grote roman te willen schrijven, noch een zuivere reflectie op de aard van de mens. Dat zijn mensbeeld enigszins zwartgallig is, spreekt overduidelijk uit het boek, maar tezelfdertijd is er nu en dan toch enig begrip of medevoelen te bespeuren, al blijkt dat vooral ingegeven te zijn door een soort noodlottigheid.

Met Pest heeft Devriesere een degelijk romandebuut aangeleverd dat op zijn sterkste momenten aantoont dat de auteur meer in zijn mars heeft. Een iets kritischere blik en de neiging om “slimmigheden” achterwege te laten, hadden Pest ten goede gekomen, maar elk debuut heeft zijn kinderziektes en dat Devriesere kan schrijven, komt evengoed naar voor. De grote poort van de literatuur hoeft nog niet te worden opengegooid, maar het is nog maar de vraag of Devriesere dat wenst. Met Pest is hij immers via een bescheidener ingang net zo goed de wereld van fictie binnengewandeld.

E-mailadres Afdrukken