Banner

Ronen Bergman

Schaduwoorlog

8.0
Jurgen Boel - foto's: Dana Koppel - 18 oktober 2018

Spionnen en hun (snode) plannen vormen een bekend fictiegenre, waarbij een onderscheid gemaakt wordt tussen twee soorten. Enerzijds is er de efficiënte en onverbiddelijke, maar ook wereldse en charismatische spion die de wereld redt, anderzijds is er de spion die deel uitmaakt van een schimmige staatsdienst, die vooral een verwrongen eigenbelang nastreeft en daarbij onschuldige burgers als `collateral damage` beschouwt. Zonder scrupules probeert hij andere landen te destabiliseren, allemaal in de naam van een groter goed.

Hoewel men hiervoor vaak niet bestaande organisaties met vage namen als `the company`, `the firm` en dergelijke gebruikt, durft men ook al eens de CIA, FBI of sinds enkele jaren de NSA erbij te halen, zij het dat in die gevallen zo goed als altijd enkele hoog opgeklommen rotte appels betreft. Het Britse MI6 blijft dankzij James Bond, naast de KGB, zowat de bekendste niet-Amerikaanse inlichtingendienst die wel eens op het witte doek verschijnt. Wanneer een meer waarheidsgetrouw beeld gebruikt wordt, hangt dit vaak samen met op feiten gebaseerde films, zoals The Good Shepherd over het ontstaan van de CIA, of Munich (2005) dat verhaalt hoe Mossad-agenten wraak nemen op de Black September Organization voor de moord op Israëlische atleten tijdens de Olympische Spelen van 1972 in Munich. Die laatste film was gebaseerd op het boek Vengeance (1984) van George Jonas, waaraan voormalig Mossad-agent Yuval Aviv meegewerkt zou hebben, maar waarvan het waarheidsgehalte in twijfel wordt getrokken.

Of eenzelfde kritiek hard zal gemaakt kunnen worden over Ronen Bergmans Schaduwoorlog. Israël en het geheime liquidatieprogramma van de Mossad is hoogst twijfelachtig. Bergman, een Israëlische journalist die zich toegelegd heeft op onder meer geheime diensten en terrorisme, heeft maar liefst zevenenhalf jaar aan het boek gewerkt en daarbij met talloze (hoofdrol)spelers van de geheime diensten en politiek kunnen spreken. Uiteraard blijven zijn bronnen in veel gevallen beperkt tot gesprekken en toevertrouwde informatie zonder papieren of andere bewijzen, maar het verhaal dat Bergman brengt, wordt er niet minder geloofwaardig door. Niet alleen de Mossad staat hierbij overigens centraal, maar ook Shin Bet en Aman (de Militaire Inlichtingendienst) die samen de (inter)nationale veiligheid van de staat Israël verzekeren, nemen geregeld een hoofdrol op zich.

Hoewel hij geen historicus is, keert Bergman terug naar het begin, met name naar de periode van het Brits Mandaat Palestina en de onafhankelijkheid van de Israëlische staat kort na Wereldoorlog II. Het gebied kende sinds het begin van de 20ste eeuw een grotere instroom van Joden, wat niet altijd aanvaard werd door de aanwezige Palestijnse-Arabische bevolking. Beide groepen pleegden dan ook geregeld aanslagen op elkaar en stonden daarnaast ook met getrokken messen tegen de Britten en de aanwezige Duitsers. In de jaren na de tweede wereldoorlog zag de nog jonge staat zich bovendien geconfronteerd met vijandige buurlanden, terwijl ze het trauma van de Holocaust hoopte te remediëren met een genadeloze jacht op voormalige nazi`s. De kidnapping en berechtiging van Adolf Eichmann schonk, samen met enkele succesvolle aanslagen op belangrijke tegenstanders en beleidsmaker uit onder meer Egypte, de Israëlische staat een overwinningsroes die hen blind maakte voor een nieuwe opkomende dreiging.

Verschillende Palestijnse bewegingen, waaronder Fatah (Yasser Arafat), het PFLP (Popular Front for the Liberation of Palestine) en het PLO (aanvankelijk onder de leiding van Nasser), ontstonden in de jaren zestig als een reactie op de Israëlische expansiepolitiek, die een gevolg was van de territoriumuitbreiding na enkele succesvolle oorlogen (ironisch genoeg gestart door Arabische landen) en het verlangen van de Palestijnse bevolking naar zelfbeschikking. Hoewel de gemeenschappelijke vijand Israël was, heerste er tussen de verschillende bewegingen ook een onderlinge rivaliteit, waarbij een verschil in visie (aanslagen, vliegtuigkapingen, de diplomatieke weg,...) en een verlangen naar macht hand in hand gingen. De Israëlische geheime diensten stelden alles in het werk om de organisatie(s) vleugellam te leggen, maar vooral Yasser Arafat leek wel duizend levens te hebben tot hij opklom tot een internationaal erkend leider en de facto onschendbaar was. Voor de Israëlische premiers, die steevast het laatste woord hadden in buitengerechtelijke executies, waren `staatshoofden` immers `onschendbaar` vanuit het idee dat zij door dit soort moorden zichzelf ook vogelvrij zouden verklaren. Wanneer in 1987 de eerste intifida uitbreekt en het hele conflict een religieuze invulling krijgt, treedt een nieuw en bloederiger tijdperk van (weer)wraak aan dat nog steeds nazindert.

Het is een intrigerend relaas dat Bergman over ruim zeshonderd pagina`s uit de doeken doet. Een samenspel van politieke belangen, idealisme, pragmatisme en cynisme, professionaliteit versus amateurisme en finaal ook religie dompelt een hele regio al meer dan zestig jaar onder in een nooit eindigend conflict. Niemand lijkt nog schone handen te hebben. Het is indrukwekkend hoeveel feiten en gegevens Bergman weet mee te geven zonder een gortdroge geschiedenisles op te dreunen en ook zonder de lezer te laten verzuipen in een stortvloed van namen en data. Bovendien neemt hij zo goed als nooit een standpunt in: wie het ene hoofdstuk zijn bloed voelt koken bij de koelbloedige executies van de Israëlische diensten, kan enkele pagina`s later slechts hoofdschuddend lezen hoe Palestijnse fanatici onschuldigen op wreedaardige wijze vermoorden.

Gaandeweg wordt steeds meer duidelijk hoezeer de verschillende partijen zich altijd maar verder in de eigen loopgraven van leed en pijn begraven hebben en dat de hoop op een vredevolle oplossing mijlenver verwijderd lijkt. Uiteraard zijn er meer dan terechte bedenkingen te maken bij de manier waarop de Israëlische staat, en meer bepaald de premiers van dienst, over leven en dood beschikken en buitengerechtelijke executies aanvaarden. Aan de andere kant staat daar een scrupuleuze afweging tegenover die zo goed als altijd aanslagen en executies afblaast wanneer (onschuldige) burgers mee het slachtoffer dreigen te worden. Aan Palestijnse kant lijkt het voeren van terreur en het doden van onschuldige burgers veel minder een bezwaar te vormen, maar ook hier is het verhaal zoveel complexer en de woede begrijpelijk. Bergman aarzelt gelukkig niet om duidelijk te maken hoezeer aan beide kanten geregeld stemmen opgaan die kritiek uiten op bepaalde acties en hij laat zelfs agenten aan het woord die zich vragen stellen bij het gebeuren en/of bepaalde handelingen (zonder meteen het principe an sich te veroordelen).

Het Palestijns-Israëlisch conflict kent een lang en bloedig verhaal, waarbij het haast onmogelijk is om onschuldigen en daders van elkaar te onderscheiden, wat criticasters er niet van weerhoudt het vooralsnog te doen. De rol die de Israëlische geheime diensten daarbij gespeeld hebben, is evenzeer dubbelzinnig te noemen. Niemand zal kunnen ontkennen dat zij levens gered hebben met hun acties en executies, maar tezelfdertijd hebben ze net daardoor het vuur mee brandend gehouden. Zowat iedereen die aan bod komt in het verhaal begeeft zich vroeg of laat in een schimmige, grijze zone waar goed en kwaad in elkaar overgaan. Wie ook nog maar hoopt een fractie van het conflict te begrijpen, heeft aan Bergmans uitstekende relaas een flinke kluif. Al geldt als laatste en misschien onnodige waarschuwing dat men er bepaald niet vrolijk van wordt, want zoals de Romeinen al wisten, is de mens maar al te vaak een wolf voor zijn medemensen.

E-mailadres Afdrukken