Banner

Arnon Grunberg

Goede mannen

7.5
Jurgen Boel - 14 februari 2019

Veelschrijver en monkelend determinist Arnon Grunberg heeft zijn lange romanleven opgebouwd rond personages en figuren die zonder enige kik te geven lijdzaam de wereld rondom hen ondergaan, tot ze er zelf aan ten onder gaan. Het leidde tot kleine meesterwerken, maar ook tot romans die onder hun eigen wereldbeeld bezweken en gaandeweg zelfs tot karikaturen verbleekten. Naargelang de roman wist Grunbergs talent het verhaal te redden dan wel finaal op te geven, als was hij een van zijn eigen personages.

alt

Net wanneer het leek of Grunberg dan toch louter een veelschrijver met een thema was en zijn romans niet langer echt bekoorden, pende hij het mooie Moedervlekken (2016) neer. Daarin voerde hij weliswaar de klassieke Grunberg-personages op in de gekende settings waar ze de voorgeschreven daden pleegden, maar hij wist ook zijn universum een andere tint mee te geven waardoor er opnieuw een verrassingselement optrad en het einde zich niet al bij voorbaat volledig liet kennen. Het hield de belofte in van een nieuwe Grunberg die in Goede mannen niet geheel ingelost wordt, maar zich evenmin volledig gewonnen geeft.

Het hoofdpersonage is Grunberg uiteraard op het lijf geschreven: Geniek Janowski, door iedereen beter gekend als “de Pool”, is een brandweerman die zichzelf graag wegcijfert voor anderen en haast volledig samenvalt met zijn werk. Na de vroege dood van zijn moeder heeft zijn vader hem min of meer verstoten omdat hij hem te veel aan het verleden en de dood doet denken. Enkele keren per jaar zijn de Pool en zijn gezin welkom bij zijn vader, al blijft het contact ook dan beperkt. De verhouding tot de vader is echter maar een detail, belangrijker is het gezin van de Pool, met een liefhebbende echtgenote en een puberende zoon die zijn vader ook voornamelijk met diens bijnaam aanspreekt.

Naarmate het verhaal vordert, duikt (via een sprong naar het verleden) opeens ook een tweede, oudere zoon op die worstelt met het leven en het bestaan. Wat kolderiek en scabreus zou moeten zijn (de jongen doet het continu in zijn broek), krijgt een tragische en meelevende dimensie waarbij de Pool en zijn echtgenote zelf zover gaan een oude pony voor de jongen te kopen, waarna hij bijna al zijn tijd bij haar doorbrengt. Die pony staat op stal bij een oude boer wiens vrouw vastgebonden op bed ligt (kan het nog meer Grunbergs?) die, ook al zijn het nevenpersonages, een heel eigen verborgen leven en verhaal leiden. Het knappe aan de nieuwe roman is dan ook dat Grunberg heel veel personages introduceert (zo ook de vrouw van brandweerman Beckers, met wie de Pool kort een affaire heeft, een jonge Oekraïense, de verpleger van de boer ...) die in plaats van karikaturen te zijn, een heel eigen leven verraden dat desondanks niet aan bod komt.

Het hoofdpersonage blijft ondanks alles immers de Pool die weliswaar gelaten zijn lot, lijkt te ondergaan, maar er tezelfdertijd ook mee worstelt en in dit geval onder meer God ter verantwoording lijkt te roepen. In weerwil van oude Grunberg-personages is er een duidelijke kentering te merken: de Pool ondergaat aanvankelijk het gebeuren, maar tezelfdertijd worstelt hij met zijn zwakheid en zijn behoefte om zichzelf ten koste van alles weg te cijferen. Het hoofdpersonage lijkt zich dit keer veel meer bewust te zijn van zijn eigen leven en dat van anderen, alsook van het besef dat hij het tij ook kan keren en niet zomaar moet meedrijven met de stroom, zelfs al betekent dat laatste een of ander einde.

Het is een interessante ontwikkeling in Grunbergs schrijven, dat hier nog niet ten volle tot uiting komt. Voor een deel heeft dit te maken met de hoeveelheid verhalen en personages die Grunberg hier ten tonele voert en met elkaar probeert te verbinden. Zo wordt het verhaal van de oudste zoon, dat als een donker deken over de hele roman hangt, weliswaar goed uitgewerkt, maar geldt dat veel minder voor de relatie die de Pool met de vrouw van Beckers heeft, de oude boer en zijn verpleger en de Oekraïense Yulia. Ondanks alles krijgen zij niet altijd de tijd en plaats die ze verdienen. Soms lijkt het wel alsof ze mee nodig zijn om het verhaal voort te stuwen en de Pools levensvisie te helpen bepalen. Tezelfdertijd geeft Grunberg hen een menselijkheid mee die doet verlangen naar meer en de vraag oproept waarom hij hen enerzijds zo kort behandeld en anderzijds hen wel een waarde meegeeft. Het is een evenwichtsoefening die Grunberg duidelijk nog niet in de hand heeft en waarbij hij schippert tussen te veel willen vertellen en net weer te weinig zeggen.

Het grote probleem van Goede mannen is dan ook de hoeveelheid die er in zit, het aantal verhaallijnen en verbanden dat Grunberg binnen de roman en het leven van de Pool stopt zonder die verder uit te werken of een duidelijkere plaats te geven. Paradoxaal genoeg helpt het echter ook om mee te leven met de roman en oprechte ontroering of boosheid op te roepen: dit zijn niet langer willoze poppen, maar mensen van vlees en bloed die kunnen lachen of verdriet hebben. Het is verrassend een Grunberg te lezen die verder gaat dan zijn soms cynische gelatenheid en die zowaar een gevoel van opstandigheid en ontroering kan opwekken. Als geheel is Goede Mannen dan wel niet geslaagd, er zit net als in Moedervlekken een hoop in dat Grunberg zich als schrijver zal weten opnieuw uit te vinden, zonder het verleden te loochenen.

E-mailadres Afdrukken