Banner

Liam Drew

Ik, zoogdier. Het verhaal van onze zoogdierlijkheid

7.5
Jurgen Boel - 27 maart 2019

Om de zoveel tijd duikt er wel nog eens debat rond borstvoeding in openbare plekken op. Tegenstanders vinden het niet kunnen terwijl voorstanders opmerken dat het natuurlijk is want de mens is nu eenmaal een zoogdier en vrouwenborsten mogen verder wel geëtaleerd worden via reclame en dergelijke meer, zolang het maar seksueel is. Hierbij gaat men voorbij aan het feit dat zowat alle zoogdieren niet veel meer dan spenen of slappe borsten hebben, de overdaad aan vet die de meeste vrouwenborsten kenmerken zijn zelfs hinderlijk voor een dorstige baby waarmee de evolutie van borsten meteen weer een hoop hypotheses kan baren.

alt

In Ik, zoogdier. Het verhaal van onze zoogdierlijkheid gaat de Britse neurobioloog Liam Drew (wijselijk) niet op dat thema in, wel vormde de vroeggeboorte van zijn dochter Isabella de eerste aanzet tot een reflectie op wat zoogdieren nu eigenlijk bindt en hoe we ons als soort onderscheiden van de andere, waaronder vogels en reptielen, Zonder achter de hand te hoeven gniffelen haalt Drew zowat meteen het grove geschut boven door de testikels erbij te halen en waarom die bij zoveel zoogdieren akelig pijnlijk buiten het lichaam hangen. Er komt een resem van theorieën aan bod die geen van alle echt het totaalplaatje schetsen. De vele vragen die er nog rond hangen, vormen een mooie opstap naar het tweede hoofdstuk waar zowat het vreemdste nog levende dier ooit aan bod komt: het vogelbekdier.

Het vogelbekdier lijkt nog het meest op een bizarre creatie van een taxidermist en heeft als bijkomende eigenschap dat het eierleggend en zogend is. Het maakt meteen ook duidelijk hoe moeilijk het wel niet is om een duidelijke definitie van een soort te geven en ook tot op zekere hoogte de onzin van taxonomie op basis van bepaalde kenmerken. Niet dat Drew er tegen gekant is maar zoals ook zijn uiteenzetting over de buideldieren duidelijk maakt, blijven ook de zoogdieren toch maar een bont allegaartje. Liever echter dan zich hier in te verliezen, vormt het voor hem een mooie opstap en kans om aan de hand van sprekende voorbeelden iets meer te vertellen over een aantal eigenschappen die zoogdieren gemeen hebben, En daar hoort uiteraard ook het zogen zelf bij.

Liever dan zoals vermeld zich te verliezen in speculaties over het waarom de vrouwenborst geëvolueerd is tot wat ze is, bekijkt Drew de theorieën en mogelijke verklaringen voor het ontstaan van melkklieren en daarnaast de verscheidenheid aan melk die de zoogdieren geven. Opnieuw wordt hierbij een interessante inkijk gegeven in onder meer kangaroes (het pasgeboren jong kruipt via de vacht van het geboortekanaal naar de buidel) en hoe uit melkachtige substanties voor eieren zowaar het levendbarend en het zogen doorheen de evolutie ontstond. Net als in de andere hoofdstukken koppelt hij hier overigens enige terzijdes over zijn eigen gezinsleven aan waardoor het geheel nergens als een droge leertekst overkomt.

Het koppelen van persoonlijke anekdotes en specifieke of opvallende `weetjes` uit de biologie en het dierenrijk aan een meer theoretische uiteenzetting is een klassieke truc binnen wetenschappelijke werken voor een groot publiek en ook Drew weet het naar zijn hand te zetten. Bovendien kiest hij soms voor opmerkelijke thema`s zoals het hoofdstuk over placenta`s dat zelfs een luikje over vaderzorg kent, terwijl hij net zo goed klassieke insteken zoals het Y-gen en de voortplaning behandelt. In beide gevallen weet hij evenwel zijn eigen stijl en vertelmanier te behouden waardoor nergens in het boek de vorm doorbroken wordt. Wie oplet, merkt bovendien op dat hij een zekere opbouw in zijn werk heeft gestopt waarbij via de mannelijke (geslachts)klieren over de genen via de voortplanting uitkomt bij het opvoeden en verzorgen van het nageslacht.

Met dit en zowat twee derde van het boek achter de rug, acht hij de tijd rijp om zoogdieren op een andere manier aan onderzoek te onderwerpen. Hierbij staat de fysiologie centraal waarbij het lichaam en meerbepaald de botten en alles wat erbij hoort aan bod komt. Hierna besteedt hij aandacht aan onder meer warmbloedigheid en de zintuigen om finaal te eindigen bij de hersenen. Uiteraard zijn dit (net als de meeste eerdere invalshoeken) geen exclusief zoogdierlijke eigenschappen maar de manier waarop ze zich bij zoogdieren ontwikkeld hebben en waarom zijn net zo goed relevante vragen waarop Drew aan de hand van voorbeelden en studies een (deel van het) antwoord tracht te geven. Dat zeker in deze hoofdstukken het allemaal wat technischer wordt, is helaas niet te vermijden al pleit het opnieuw voor Drew dat hij de lijn tussen informeren en entertainen nergens overschrijdt in deze of gene richting.

Wie een populariserend boek over biologie wenst te schrijven, weet zich omringd door een aantal klinkende namen die bovendien ook in het veld zelf hun stempel gedrukt hebben met uiteraard wijlen Stephen Jay Gould en Richard Dawkins voorop. Dat Drew zich niet kan meten met deze giganten staat buiten kijf maar dat hoeft geen afbreuk te doen aan het boek of de schrijver. Drew weet op een bevattelijke manier een aantal feiten en gegevens over in het bijzonder zoogdieren mee te geven daarbij handig gebruik makend van zowel persoonlijke anekdotes als specifieke voorbeelden uit de dierenwereld. Op die manier weet hij van Ik zoogdier. Het verhaal van onze zoogdierlijkheid een vlot lezend en informatief boek te brengen dat ook de geïnformeerde leek nog een aantal zaken bijbrengen kan dan wel eerdere aannames corrigeert.

E-mailadres Afdrukken