Hec Leemans & Dirk Stallaert

Het tekenplezier moet van de strips afspatten

Joris Vanden Broeck - 10 april 2018

Goed twintig jaar is de wereld verstoken gebleven van Nino. Drie albums verschenen er rond de weesjongen die in de jaren ‘30 de grote oversteek maakte en Amerikaanse avonturen beleefde. Zijn makers, Hec Leemans en Dirk Stallaert, proefden van internationaal succes, maar voor dat verzilverd kon worden, was het avontuur al afgelopen.

Nu de Nino-verhalen door Matsuoka van onder het stof gehaald zijn en opnieuw in de winkel liggen, komen beide auteurs nog eens bij elkaar. Het is een fascinerend schouwspel om Stallaert en Leemans samen door een oud Nino-album te zien bladeren; de nieuwe moeten immers nog gemaakt worden. Deze Franstalige editie van De grote draak springt niet alleen in het oog dankzij de foto met daarop nog jeugdig ogende auteurs. De twee heren hebben bijna bij elk plaatje een verhaal: de Amerikaanse kroeg, waarvoor inspiratie gevonden werd in een fotoboek van Walker Evans; dat een straat in de VS eigenlijk nooit een bocht maakt; en hadden ze misschien die wagen niet anders over die treinrails moeten laten rijden? Gelukkig overheerst vreugde om het opnieuw verschijnen van hun held, al klinken er tegelijk kritische geluiden over de staat van de stripwereld vandaag.

enola: Het heeft even geduurd voor Nino opnieuw verkrijgbaar werd. Zo'n heruitgave is meer werk dan je als leek zou denken?
Hec Leemans: “Het is niet zomaar eventjes de tekeningen door de machine halen. Er is veel werk in gekropen. Er waren om te beginnen niet veel originele platen beschikbaar. Dus moesten we vertrekken van de bestaande films, die bij de oorspronkelijke uitgever Le Lombard gerecupereerd moesten worden, vervolgens ingescand en opnieuw ingekleurd. Die nieuwe inkleuring is ietwat gladder dan de originele door de digitale bewerking, maar we hebben wel getracht om ze zoveel mogelijk op de oude inkleuring af te stemmen.”
enola: De originele inkleuring is indertijd deels door u gebeurd?
Dirk Stallaert: “Gedeeltelijk. Het tweede album heb ik zelf ingekleurd, het eerste en derde zijn uitbesteed.
“Sinds het verschijnen 20 jaar geleden, heb ik amper nog naar Nino omgekeken. Het was nu enigszins confronterend. Ik moest een cover tekenen en moest dus de figuren opnieuw leren tekenen. Ik heb de albums nog eens doorgenomen en wat ik zag, viel me wel mee. In de tijd dat ik Nino tekende, had ik mijn lat zodanig hoog gelegd, dat ik het niveau dat ik voor ogen had niet kon halen. Dus vond ik het resultaat altijd slecht, of toch niet goed genoeg. Als ik het nu bekijk, denk ik: zo slecht was dat toch niet.”
enola: Nino was niet gebonden aan de strakke deadline van een krantenstrip. Gaf dat te veel speelruimte om te blijven schaven?
Stallaert: “Als er meer tijd is, kan je een tandje bijsteken. Al moet het natuurlijk altijd zo goed mogelijk zijn. Aan Nino-platen ben ik vaak herbegonnen. Ik probeer dat nog steeds, maar ik zit nu met dwingendere deadlines, toen had ik die niet echt.”
Leemans: “Er werd eigenlijk wel verwacht dat we om de acht maanden een boek zouden afleveren. Drie albums op twee jaar, dat was het ideaal, maar dat hebben we niet gehaald. We hebben er drie op vijf jaar gemaakt.”

Centraal Station

enola: Hoe is het verhaal van Nino indertijd begonnen?
Leemans: “Ik had Dirk leren kennen en vond dat hij een jongen met ongelooflijk veel talent was, die volgens mij zijn eigen reeks moest maken, eerder dan iemands anders assistent zijn. We zijn aan de praat geraakt, ik had een idee voor een verhaal rond een weesjongen die naar Amerika vlucht en Dirk wilde graag iets in New York tekenen. Als je op een boot naar Amerika gaat, kom je automatisch in New York terecht. Zo is Nino gaandeweg ontstaan.”
enola: U bent beiden tekenaar, wat niet noodzakelijk evident is wanneer samengewerkt wordt en er misschien verschillende visies op de tekeningen zijn.
Leemans: “De eerste pagina's heb ik geschetst, de rest heb ik beschreven.”
Stallaert: “Ik verzette me een klein beetje tegen de tekeningen, die nogal doorgedreven waren.”
Leemans: “Die waren niet doorgedreven, dat waren slechts wat krabbels.”
Stallaert: “Het belemmerde mijn fantasie. Ik werk ook samen met Urbanus en hij heeft dat eveneens lang gedaan, dat schetsen. Maar als er al een compositie is en alles op zijn plaatst staat, heb ik de neiging om dat gewoon af te tekenen en dan amuseer ik me niet. En ik wil me amuseren.”
enola: U kon zich amuseren met New York te tekenen, maar het treinstation lijkt verdacht op eentje van onze hoofdstad.
Stallaert: (lacht) betrapt. Dat was bij gebrek aan tijd. Ik probeer me steeds zo goed mogelijk te documenteren. Maar hier spreken we over het pré-internet-tijdperk. Je moest overal boeken over hebben of naar de bibliotheek gaan. Ik vond nergens de juiste beelden van de binnenkant van het New Yorkse station. Ik bleef zoeken, maar op den duur ben je niet meer productief en gaat er enorm veel tijd verloren. Dat gebeurde niet alleen met dat station trouwens, maar ook met bijvoorbeeld een metro-ingang. Ik ben zelf nooit in New York geweest, dus heb daar ook geen foto's kunnen maken.”
enola: Een strip als De prinses van Manhattan was anders het ideale excuus om naar The Big Apple te gaan.
Stallaert: “Ik ben niet zo'n reiziger. Hec was al in New York geweest, ik nooit. Al interesseerde de stad me wel, omdat ik fan ben van Bob Dylan. Ik vind het leuk om naar foto's te kijken waar hij overal rondgelopen en uitgehangen heeft. Dat materiaal kwam allemaal van pas.”
Leemans: “Je moet het ook vaak niet te ver gaan zoeken. Als Kuifje door een stad loopt, dan is dat de Louizalaan in Brussel, waar Hergé zijn studio had”

Niches

enola: U bent bekend dankzij strips als Bakelandt, Suske en Wiske, Nero, FC De Kampioenen: allemaal heel Vlaamse strips. Nino leek de internationale sprong.
Leemans: “Van alle strips waar ik aan meegewerkt heb, heeft geen enkele in zoveel kranten en bladen gestaan, zowel in voor- als napublicatie. Het Laatste Nieuws, Gazet van Antwerpen, Belang van Limburg, Suske en Wiske Weekblad, La Libre Belgique, Zonneland, Kuifje, noem maar op. De albums verschenen in Frankrijk, Portugal, Canada, Turkije, Zwitserland en naar het schijnt zelfs in Indonesië, al heb ik daar nog geen album van gezien.
“Nino had oplages waar mensen nu blij mee zouden zijn. Tien jaar geleden kreeg ik de vraag van Le Lombard of we toch geen vierde deel wilden maken. Toen ben ik daar niet op ingegaan en nu spijt me dat eigenlijk wel. Maar gedane zaken enzovoort.”
enola: Geruchten over dat vierde deel, dat zich in Hollywood zou afspelen, steken ook nu weer de kop op.
Leemans: (zucht) “Ik zou graag nog een verhaal maken. De vraag is: wie gaat dat financieren, in deze tijden? Vroeger kreeg je een plaatprijs, de voorwaarde bij uitgeverijen is tegenwoordig dat je werkt op een voorschot van royalty's. In Frankrijk biedt men auteurs 2.000 euro voorschot op royalty's, als je een grote naam bent 20.000 euro. Maar dan heb je nog geen enkele garantie dat je voldoende exemplaren gaat verkopen of een breed genoeg publiek zal vinden. Op dit moment, in deze markt, is er eigenlijk voor niets nog een garantie. Zelfs niet dat je een uitgever vindt of dat die zich er echt voor gaat inzetten.”
enola: Stel dat de heruitgave van de eerste drie het goed doet?
Leemans: “Die verschijnt in een relatief kleine oplage, dus daar is ook naar een nichepubliek gekeken.”
enola: Voor wie is deze heruitgave bedoeld?
Stallaert: “Iedereen. Strips werden, naar mijn gevoel, vroeger ook steeds gemaakt voor iedereen, een enkele uitzondering, zoals Jommeke dat meer voor jonge leeftijd is, daargelaten. En dan nog. Ik zou niet graag alle volwassenen te eten willen geven die Jommeke lezen. Tegenwoordig is alles niche. Ik zit daar zelf ook in, want ik maak een strip voor kleuters. Maar ik probeer me daar zo weinig mogelijk van aan te trekken en er hier en daar elementen in te steken die volwassenen ook kunnen aanspreken. Want eigenlijk vind ik het dwaas om een kleuterstrip te maken. Of een volwassenenstrip. Wat is dat eigenlijk? Willy Vandersteen. Marc Sleen. Hergé. Die tekenden toch ook voor iedereen?”
Leemans: “De markt is zo gegroeid dat alles niche geworden is. Er is opgedeeld in genres. En in subgenres. En in deelpublieken. De oorsprong van de strip is echter dat je effectief iets maakt voor iedereen, zonder dat het infantiel is. Ik zou me op de leeftijd van 9 of 10 jaar beledigd hebben gevoeld als een strip te infantiel was geweest. Neem de strips van Maurice Tillieux, die ik vroeger graag las, en nu nog trouwens: daar is op geen enkele manier aan te herkennen dat het een strip is die specifiek gemaakt is voor acht- of tienjarigen.”
Stallaert: “Noch aan Asterix of Lucky Luke.”
Leemans: “Of de strips van Franquin. Eigenlijk maakten die auteurs hun strips in eerste instantie voor zichzelf. Ze amuseerden zich daarmee. En de regel was: als ik er mij mee amuseer, dan zal de lezer zich er misschien eveneens mee amuseren.”
Stallaert: “En dat klopt doorgaans. Dat spat van die strips af. Je ziet dat onmiddellijk.”

Kampioen tekenen is plezant

enola: Je zou denken dat uw staat van dienst een aardig visitekaartje is om uitgevers over de streep te trekken Nino nieuw leven in te blazen.
Leemans: “In de stripwereld van vandaag heb ik de indruk dat dat allemaal niet meer telt. En dat is ergens frustrerend, ja.”
Stallaert: “Ik heb persoonlijk weinig voeling met de stripwereld. Ik lees eigenlijk nooit strips. Ik herlees wel veel albums. De magie van zo'n eerste keer Suske en Wiske of Nero, dat is iets dat ik al lang kwijt ben. Als ik nu een nieuw album in handen krijg, en dat mag goed gemaakt zijn, dan veroorzaakt dat geen schok meer. Maar die oude dingen herlees ik voortdurend: alle Kuifjes, Nero, Suske en Wiske.”
enola: Waar u zelf ook aan meewerkt.
Stallaert: “Goh, dat weet ik eigenlijk niet. (lachje) Ik werk er aan mee als ik een opdracht krijg, maar ik heb al lang geen opdracht meer gekregen. Dat wil niet zeggen dat ze me buiten geflikkerd hebben, maar dat de budgetten zodanig laag geworden zijn dat er nog maar weinig personeel aan kan meewerken.”
enola: U heeft ook lang aan Nero meegewerkt, waar uw hand in de tekeningen zeer merkbaar was. Hoe liep die samenwerking met een monument als Marc Sleen?
Stallaert: “In het begin schetste Marc, maar hij tekende niet alles. Al in hetzelfde album begon hij me meer vrijheid te geven. En geleidelijk aan, al naar gelang zijn zin om te tekenen, verwaterde dat tot potloodventjes. Enfin, lucifermannetjes. (lacht) Op het einde had hij ineens weer meer zin om te tekenen, dan schetste hij wat meer. Maar ik deed er verder mijn zin mee. Ik gebruikte andere perspectieven en beeldhoeken. Marc deed dat zelden: kikker- en vogelperspectief, terwijl ik me daar mee kon amuseren. Ik stak het ook vol details. Naar mijn eigen zin veel te veel, maar Marc vond dat fantastisch. Op den duur was dat een soort spelletje voor mij: daar op de achtergrond twintig kilometer verder nog een kerkje dat daar niks stond te doen.”
enola: U werkt aan die andere Vlaamse klassieker: FC De Kampioenen. Daar verschenen zowat 100 albums van. Dat is, om een misschien raar woord te gebruiken, krankzinnig.
Leemans: “Ik maak De Kampioenen met Tom Bouden en maak Vertongen en Co met Wim Swerts en Luc Van Asten. Dat is continu doorwerken en constant bezig zijn. Bij De Kampioenen heb ik een soort systeem ontwikkeld, waarbij ik enkele weken schrijf aan een verhaal en het vervolgens uitteken samen met Tom, zodat ik eventjes niet bezig ben met schrijven. Dan ontwikkel je het volgende verhaal in je hoofd en neem je notities. Of ze bellen van de uitgeverij om te melden dat ze voor een folder de titel nodig hebben en een cover en een korte inhoud. Dan ga je zitten en verzin je die drie dingen.”
Stallaert: (gniffelt)
Leemans: “En waarom loopt De Kampioenen zo lang door? Omdat er nog altijd veel vraag naar is. Er is een breed publiek dat die albums koopt en ik zit met enkele medewerkers, mensen met wie ik bijna twintig jaar werk. Voor hen wil ik daar ook mee door gaan.
“Het tekenen blijft ook een plezier. Bij elk plaatje dat je tekent, doe je ontdekkingen, omdat je telkens nieuwe composities moet maken. Elke keer moet je een nieuwe oplossing vinden, een nieuwe houding tekenen. Maar het is nu niet dat ik niet graag iets anders zou doen dan De Kampioenen. Zeer graag. Ik zou graag opnieuw een realistische strip maken. Maar daar stelt zich hetzelfde probleem als met het vierde verhaal van Nino: bij welke uitgever?”
enola: Is het niet tijd om te springen? Niet dat jullie al echt oud zijn, maar als er nog iets moet gebeuren, kan dat best binnenkort zijn.
Leemans: “Ja, je perspectief wordt kleiner. Ik ben 68 en stel me voor dat ik nog twintig jaar kan doorgaan. Maar dat is een illusie. Ik kan geen twintig jaar meer doorgaan. Al ken ik tekenaars van in de tachtig. Als ik op die leeftijd nog kan tekenen aan mijn tafel, dan zal ik daar dankbaar voor zijn. Schrijven zou ik kunnen laten. Ik doe het ook graag, maar tekenen is mijn leven. Als ik moet kiezen, dan kies ik tekenen.”
Stallaert: “Ik heb een beetje het onnozele gevoel dat ik nog moet beginnen. Maar eigenlijk is dat een heel aangenaam gevoel.”

E-mailadres Afdrukken
 
Hec Leemans & Dirk Stallaert

Advertentie
Banner
Advertentie