Banner

Peter Van Huffel’s Gorilla Mask

Bite My Blues

7.5
Guy Peters - 15 juli 2014

Zijn naam klinkt als die van een coureur uit Neeroeteren of Lampernisse, maar in werkelijkheid is Peter Van Huffel een in Berlijn wonende Canadees die niet zomaar vast te pinnen is op een of andere lokale scene of stijl. Met zijn in 2009 opgerichte trio Gorilla Mask is hij intussen toe aan zijn tweede album, na een eerste op het Portugese Clean Feed. Zoals je uit de hoes kan afleiden trekt die bij momenten aardig van leer, maar dan zonder in de val van het eendimensionale geweld te trappen.

Van Huffel is immers meer dan een geweldenaar, of een vrij improvisator die enkel op buikgevoel teert. Hij heeft ook duidelijk oog voor compositie en een concept en heeft een oor ontwikkeld voor het samenstellen van bijzondere bezettingen. Zo werkt hij al jarenlang, en in verschillende bezettingen, samen met pianist Jesse Stacken en drummer Jeff Davis, en houdt hij er ook een band op na (House Of Mirrors) met daarin de Belgische zangeres Sophie Tassignon, met wie hij een jaar of vijf geleden al te horen was op Clean Feed. Bij Gorilla Mask, een trio dat ook op het podium geregeld gebruik maakt van dat attribuut (het bewijs is een foto in het artwork die genomen werd in de Gentse Handelsbeurs), is het zijn liefde voor krachtig samenspel dat de bovenhand krijgt.

Met bassist Roland Fidezius en drummer Rudi Fischerlehner zorgt hij nu en dan voor een sound die aankomt als een kopstoot, veel meer nog dan op debuutplaat Howl! (2012). De ritmesectie doet in “Chained” wat denken aan Moonchild; niet enkel door die overstuurde elektrische basklank, maar ook door die rollende energie die jazz, beukrock en ritualistisch onheil verenigt. Meteen valt ook op dat Van Huffel meer is dan een decibelgenerator. Net als pakweg Darius Jones, die met zijn Little Women ook een aardige geluidsmuur kan neerzetten, is Van Huffel ook een begenadigd muzikant die ook binnen dat volumineuze format met een zekere fijnzinnigheid speelt. Die heeft hij niet enkel te danken aan de redelijk lichte sound van zijn altsax.

Het is ook mooi dat er niet voortdurend op het gaspedaal gestampt wordt. Nu en dan zijn het eenvoudige ideeën die herhaald worden of krijgen de composities wendingen die even meer ademruimte creëren. Voor elk Balkangetint stuk als “What?”, dat ongedurig heen en weer stuitert met dansende ritmes en funky baseffectjes, is er ook een “Skunk”, waarin een hectische start met een haast irritant complexe timing ook plaats ruimt voor vrijheid en ontregeling. Al trekt de machine zich natuurlijk wel snel op gang met het nodige machtsvertoon.

Dan komt de titeltrack, volledig opgehangen aan een oersimpel basmotief, als geroepen. Het is zwaar, sloom, haast "doom", maar oh zo aanstekelijk. Goed om te gaan headbangen in slow motion, met een roterende zwier waarop die sax dan lekker kan huilen en janken en gieren. Het contrast met het ingetogen “Broken Flower”, ook al te horen op Van Huffels recente album met Michael Bates en Jeff Davis (samen Boom Crane), kan amper groter zijn. Daar krijgt het samenspel een bijna gospelachtige charme en een bluesy grandeur met een heel knap emotioneel effect.

Afsluiter “Z” hoorden we ooit live in Brussel en klinkt nu al even overtuigend: eerst met een stampend start/stop-spel van de ritmesectie (het heeft iets van de klassieke Nomeansno van Wrong), vervolgens met een jachtig ritme dat een eerbetoon lijkt aan Led Zeppelins “Immigrant Song”. Dat alles maakt van Bite My Blues een plaat die zowel avontuurlijke rock- als jazzfans kan aanspreken. Meer dan voldoende volume voor de ene en creativiteit en inventief samenspel voor de andere. Tijd voor een kleine doorbraak?

E-mailadres Afdrukken