Banner

Blue Lines Trio

Blue Lines Trio

8.0
Guy Peters - foto's: Wouter Scheen - 19 oktober 2014

En plots komt vanuit Amsterdam dit kleinood aangewaaid. Drie generaties improvisatoren met een handvol sprankelende composities en tintelende vrije improvisaties, geworteld in de Nederlandse traditie, maar met meer dan voldoende pit en inventiviteit om te kunnen spreken van een eigen stijl en een pracht van een debuutplaat.

Het Blue Lines Trio verenigt pianist Michiel Scheen met bassist en grafisch artiest Raoul van der Weide, beiden muzikanten met een uitgebreide voorgeschiedenis, en met de jonge Britse drummer George Hadow, die sinds 2012 in de Nederlandse hoofdstad actief is en intussen met zowat iedereen die dat zag zitten heeft gespeeld, van Terrie Ex en Andy Moor tot John Dikeman, Yedo Gibson en vele anderen. Van der Weide speelde niet zo heel lang geleden ook nog met die Dikeman, maar is sowieso een muzikant die in de meest uiteenlopende contexten opduikt en zelf ook een handje toesteekt bij de organisatie van concerten in zijn stad.

Scheen is in België niet echt bekend (of hebben we iets gemist?), maar bleef vreemd genoeg ook in Nederland onder de radar. En dat terwijl hij toch al heel wat ervaring heeft aan de zijde van onder meer Maarten Altena, Ab Baars, Ig Henneman en Tobias Delius, met wiehij eenduo vormt. Op deze eerste cd, vakkundig opgenomen in het Bimhuis door Arnold de Boer, verenigt de band verschillende insteken en invloeden in een eclectische melange zodat er zowel in aanstekelijke jazz als in stekelige improvisatie wordt rondgedobberd. De grote variatie en de doorgaans compacte stukken zorgen voor een zeer verteerbare en geanimeerde plaat die nergens onder zijn gewicht bezwijkt en steeds een air van speelsheid blijft uitademen.

Scheen neemt zelf een derde van de stukken voor zijn rekening en tekent meteen voor een behoorlijk sterke rij composities. Zo gaat opener “Solid” uitbundig en bijna feestelijk van start met een combinatie van blues en Mengelberg op een bedje van lekker kletterende drums. Wat later lijkt het alsof de geesten van Monk en Jaki Byard door het stuk waren, met beknopte versnellingen, stuiterende ritmes en een aanstekelijke, lillende dynamiek. Het nerveus botsende “Idols”, met zingend baswerk van van der Weide, is een compact stukje energie binnen een knap uitgewerkte driehoeksverhouding.

Ook de resterende composities vormen een mooie tegenstelling: “Stumble” is ondanks de titel best een statig stuk, op een rollende en ronkende ritmesectie, terwijl de ultrakorte ballade “Sigh” vooruitgeborsteld wordt door Hadow en ironievrij blijft. De stukken worden mooi aangevuld door twee composities van de Nederlandse saxofonist Paul Termos. “Kop Op” heeft aanvankelijk iets van Monks “Well You Needn’t”, maar verkent zijn eigen kleurrijke oorden vol getrippel en gestamp, terwijl “Dark Goeree” teert op een lome soulgroove van een haast kinderlijke eenvoud. Maar het werkt, temeer omdat Scheen binnen dat relatief beperkte kader wel mooie dingen uithaalt.

Van der Weides “Not Yet” vertrekt vanuit repetitieve oorden, om vervolgens een minimalistisch verkeer uit te tekenen met eenzame pianoakkoorden en resonerend metaal. Meer klankgericht dus en verwant aan de vijf trio-improvisaties die een vergelijkbare weelde laten horen, de ene keer met een neurotisch prikkelspel (“Improvisation 538”), dan weer dichter tegen jazz aanleunend (“539”) of met een rechtstreekse duik in de klankenwereld van van der Weides objecten en kraakdoosje (“536” en “541”). Die voortdurende heen-en-weerbeweging tussen houvast en gebrek daaraan creëert een bijzonder geslaagd, plagerig effect, wat op zijn beurt dan weer leidt tot een album dat al even geinig en bedachtzaam in elkaar past als van der Weides collage die de hoes siert. Kortom: een pareltje om te ontdekken.

E-mailadres Afdrukken