Banner

Marockin’ Brass feat. Byron Wallen

Tout Droit

Guy Peters - 05 december 2014

Trekt JazzLab Series doorgaans de kaart van de Belgische jazz, dan duiken er wel regelmatig combinaties op die verder reiken dan dat. Stilistisch en geografisch. Ragini Trio en Black Flower knikten al respectievelijk richting India en Ethiopië en Tuur Floorizoone dook met MixTuur in de Congolese geschiedenis, en in december 2013 bracht Marockin’ Brass ten slotte jazz ook samen met muziek uit het Noorden en Westen van Afrika. De resultaten daarvan zijn nu ook op cd te horen.

Het was een vruchtvolle samenwerking met het Met-X, geleid door componist en rietblazer Luc Mishalle. Die verzamelde een knappe negenkoppige band rond zich met een opmerkelijke bezetting: twee trompetten, tuba, drums en dan nog eens drie Afrikanen die zorgden voor percussie -- karkaba (metalen schoteltjes), sentir (een soort luit, vergelijkbaar met de gimbri), tbel (trommel) -- en, op een paar songs, meerstemmige zangpartijen. Het resultaat: een zwierige, soms opzwepende combinatie van jazz en wereldmuziek, met aanstekelijke thema’s, soms verfijnd samenspel, maar ook hypnotiserende ritmes en doordachte opbouw.

Met “Rock In Brass”, een compositie van Wallen, heeft de band alleszins een binnenkomer van jewelste beet. Het is een dansend, springerig stukje muziek, met een bruisend thema, relatief sobere inkleding en vooral een hoofdrol voor de tuba van Pascal Rousseau, die er het ene moment een antwoord op de kronkelende elektrische bas van maakt, het andere een grappig pompompommende stuwing. Het effect mag er zijn: verrassend wendbaar, funky tot en met, en een aanslag op de dansspieren. Het zet meteen ook de toon voor een plaat die een klein uurtje stijlen en ideeën aan elkaar koppelt met een opmerkelijke vanzelfsprekendheid en souplesse.

Mishalle draagt zelf een paar composities aan die uitblinken in transparante ideeën. De verleiding had groot kunnen zijn om van Tout Droit een volgepropte, overdadige plaat te maken, maar dat is gelukkig niet het geval. Tweeluik “Binbis & Zinnen” pakt uit met een jammerende sopraansax, een pulserende tuba en vooral hypnotiserende percussie, haast verwant aan het geklop van paardenhoeven, maar het is vooral ook muziek die kan ademen. Idem voor het exotisch klinkende “Snerp”, waarin Mishalle een eigenaardige, nasale klank uit de sopraansax haalt, die je al helemaal meevoert naar Noord-Afrika. Zijn “Six At Last” gaat dan weer van start met het imposante gebrom van de bassax, om uiteindelijk uit te monden in een meeslepend straatfeest van zang en ritme.

Wallen zorgt al voor net zulke kleurrijke bijdrages: zo laat hij zijn “Khader” naadloos samenkomen met traditional “Yobadi”, dat een knoert van een trompetsolo bevat. Het titelnummer laat de trompetten van Wallen en Jean-Paul Estiévenart grillig rond elkaar dansen én lyrisch aftasten, om daarna weer de deur open te zetten voor zomerse kleuren. “Dig” staat dan weer helemaal in het teken van ritme, met hortende en stotende dynamiek en aanstekelijk handengeklap. Heel even dreigt het stil te vallen, tot het door de trompetten mooi afgerond wordt. In traditional “Banir” worden de hoofdrollen gespeeld door meerstemmige zang en de kringelende trance van de sentir.

Kortom: het is een echte dialoog die je hier te horen krijgt, met hechte thema’s, meeslepende ritmes en toch ook wat ruimte voor improvisatie. Het speelterrein is dan ook enorm: van een stukje Chopin (“Prelude In C Minor”) tot lijfelijke ritmes en spetterend blaaswerk, niks wordt uitgesloten. Dat onlangs zelfs een programma werd samengesteld met een vijftienkoppige bezetting in het kader van Gone West, een verzameling evenementen om de Groote Oorlog te herdenken, zegt genoeg over de beweging die in dit gezelschap zit.

E-mailadres Afdrukken