Banner

Large Unit

Erta Ale

Guy Peters - 10 december 2014

“Fuck it, dan doen we ’t zelf!” Geen idee of het allemaal toeval is, maar het feit dat Mats Gustafsson en Paal Nilssen-Love redelijk kort na elkaar, en volgend op het opheffen van Brötzmanns Chicago Tentet, op de proppen komen met een eigen XL-band, daar gaat geen zinnig mens, laat staan een improliefhebber, over klagen. Nilssen-Love’s elfkoppige band bestaat nog maar sinds 2013, maar dat heeft hem er niet van weerhouden om nu al een driedubbele cd-box uit te brengen.

Een tijd geleden verscheen al de ep First Blow. In de recensie daarover verzuchtten we nog dat het goed klonk, maar aanvoelde als een proevertje dat deed uitkijken naar meer. Daar hebben we niet lang op moeten wachten, want Erta Ale is een bijzonder knap vormgegeven box (met artwork van Nilssen-Love’s schilderende vader Terry, een boekje met schitterende foto’s van Peter Gannushkin én nog eens eentje met even uitvoerige als entertainende liner notes van ene Audun Vinger) die een knoert van een statement maakt. Met drie cd’s, waarvan de derde een registratie is van het concert op het Moers Festival dit voorjaar. Het is niet enkel een visitekaartje dat een nieuwe generatie Noorse muzikanten op de kaart zet, maar misschien ook wel het moment waarop Nilssen-Love besefte dat het tijd was om die voortrekkersrol op te nemen.

Hij is natuurlijk al jaren the hardest working man in free improv, die een tomeloze werkethiek koppelt aan gedreven performances en een onstuitbare drive om de wereld rond te reizen en en passant ook nog een eigen label te runnen, waarop dit intussen de 25e release is. En daarvoor krijgt hij de hulp van collega-drummer Andreas Wildhagen, bassisten Jon Rune Strøm en Christian Meaas Svendsen, saxofonisten Kasper Værnes en Klaus Ellerhusen Holm, kornettist Thomas Johansson, trombonist Mats Äleklint (de enige Zweed in het gezelschap), tubaspeler Børre Mølstad, gitarist Ketil Gutvik (onlangs samen met Nilssen-Love nog op een release met Akira Sakata) en noisegoeroe Lasse Marhaug. Een betere bandnaam dan Large Unit was amper mogelijk.

Dit gezelschap fungeert immers als een echte eenheid, eentje die ruimte laat voor individuele schittermomenten (''Birdbox'' passeert drie keer en is telkens een solomoment voor een andere muzikant), maar vooral uithaalt als een collectieve splinterbom. Daarbij wordt onvermijdelijk herinnerd aan het Chicago Tentet (zoals in het uitbundige fanfaredeel van ''Austin Birds''), maar ook de ''Territory Bands'' van Ken Vandermark. Marhaug en Nilssen-Love maakten daar ooit nog deel van uit en exploreerden er ook de zones tussen vrije improvisatie, strak gearrangeerde composities en moderne elektronica en noise. Bij Nilssen-Love staat het instinct en de fysieke energie misschien iets sterker op de voorgrond, ook al is dit zeker geen box vol onophoudelijke krachtpatserij.

Integendeel, dit is allemaal wat meer overzichtelijk dan bij het Tentet (al is er ook volop ruimte voor volièregekwetter en andere geluidenbrouwsels) en er wordt ook regelmatig ruimte gelaten en zorgvuldig omgesprongen met structuur. Opener ''Round About Nothing I'', duidelijk verankerd in zowel vrije improvisatie als loodzware rockmuziek, probeert zo een evenwicht te zoeken tussen logische opbouw en passages waarbij muzikanten naast en over elkaar tuimelen, Marhaug een schurend noisescherm mag construeren en soms een imposante muur van geluid wordt opgetrokken, die ook weer afgebouwd wordt om een muzikant – in casu, Jervik – in z’n eentje de boel te laten ontregelen. In ''Round About Nothing II'' wordt dat dan weer gecounterd met een verpletterende finale die wél inzet op de totale muilpeer.

Gelukkig zet de band hier ook in op een enorme diversiteit, waardoor je het ene moment wordt meegesleurd in een verbasterde groove met ronkende baritonsax (''Fortar Hardar''), die plaats ruimt voor dansbare feestelijkheid (''Fendika'') of, iets verderop, een stuk dat helemaal gesteund is op een repetitief strijkstokmotief van Meaas Svendsen (''Slow Love''). Of hoe een verrassend ingetogen klankenspel opgebouwd wordt met een minimum aan middelen en decibels. Meest meeslepend en opwindend (en dan is dat werkelijk om recht te springen, zo spannend) is de band echter tijdens ''Culius'', dat vermoedelijk al uitgegroeid is tot hét climaxmoment op concerten. Na de staccato-uithalen en de lawaaidemonstratie van Marhaug groeit het uit tot een uiteenwisseling van verschillende bands binnen de Unit. De versie van Moers klinkt misschien niet zo goed, maar knettert van de elektriciteit en rondt af met een verbluffende finale.

Pompende en schetterende blazers, kletterende drums en stuwende bassen, schurende noise en hakkelende gitaar komen er samen in een explosieve soep die moet aangevoeld hebben als vertrappeld worden door een kudde olifanten. Het applaus achteraf is dan ook navenant. Met een totale speelduur van iets meer dan drie uur is Erta Ale te veel van het goede om in één ruk uit te zitten, want het is een luisterbeleving die zich grotendeels afspeelt op zeer fysiek niveau. Maar als je dit loeihard door de living laat knallen, dan zorgt het bij momenten voor opwinding die normaal enkel door de beste rock-‘n-roll wordt voortgebracht. Het startschot is gegeven, de toekomst ziet er goed uit. Dan rest er nog maar één vraag: wie slaagt er in om de bende naar België te halen?

En misschien toch nog een kort woordje over twee andere releases van/met Nilssen-Love die onlangs verschenen op zijn PNL-label:

Arto Linday & Paal Nilssen-Love - Scarcity

Het was de bedoeling dat de drummer op 2 juli 2013 een soloset zou spelen in Rio de Janeiro, maar plots stond hij er oog in oog met de legendarische gitarist Arto Lindsay. Wie dacht dat diens spannendste dagen achter de rug waren, krijgt hier alleszins lik op stuk, want wat zich hier ontvouwt is een discussie die bij momenten kerft, snijdt en verkrampt met een manische, withete furie. Nilssen-Love raast als de halvegare die hij is, maar valt soms ook terug op tribale patronen, terwijl zijn partner de meest onwerkelijke klanken uit zijn instrument sleurt, perst, wringt. Het is compromisloos en heftig, soms met een haast ritualistische kracht, zeker als Lindsay ook nog eens aan het zingen slaat. Het album duurt amper vijfentwintig minuten – aan de korte kant, maar dit soort concerten zijn dan ook niet geschikt om lang aan te houden of te gaan vervelen. Compact, stijf van de adrenaline en een absolute must voor de liefhebbers van de noisy kant van deze twee kanonnen.

Masahiko Satoh & Paal Nilssen-Love - Spring Snow

Opnieuw een concertopname uit 2013, deze keer een dialoog tussen de drummer en de Japanse pianist Satoh, die het voorbije decennium nog te horen was op albums met o.m. Ned Rothenberg en Joëlle Léandre, maar meest opvallend van allemaal misschien op het geweldige Yatagarasu van The Heavyweights, het trio met drummer Takeo Moriyama en rietblazer Peter Brötzmann. Dit album bevat ook slechts twee improvisaties (''Spring'' en ''Snow''), maar die zijn deze keer wel goed voor een duur van bijna 55 minuten. Meer dan veertig daarvan worden opgeslorpt door ''Spring'', dat Nilssen-Love in een context zet waarin je ‘m maar zelden te horen krijgt.

Het is natuurlijk helemaal anders dan de ritmische opgefokte concerten met een Vandermark en het contrast – met enerzijds dat onophoudelijke, trance-achtige rammelen van de drummer en anderzijds die percussieve, stotterende, met versnellingen, vertragingen en zijweggetjes volgestouwde aanpak van Satoh – zorgt er net voor dat dit zo’n ongewone plaat is. Het geluid is aan de rauwe kant en de piano klinkt hier en daar als een goedkoop buffetmodel, maar ook dat voegt charme toe aan deze bijzonder geslaagde ontmoeting, die hier en daar aanvoelt als een reis door een halve eeuw freejazz, met volop knipogen naar de traditie en de talloze voorgangers.

E-mailadres Afdrukken
 
Large Unit

Advertentie
Banner
Advertentie

TEST