Banner

Universal Indians ft. Joe McPhee

Skullduggery

7.0
Bjorn Weynants - foto's: Geert Vandepoele - 12 juni 2015

Antwerpen. Haar kathedraal, haar Sinksenfoor, haar betonnen concertbunkers, haar militairen op straat. Maar evengoed de stad waar er onder de oppervlakte heel wat boeiends te beleven valt in minder evidente muziekscenes.

Zo is er sinds een paar jaar de Oorstof-concertreeks waar aandacht besteed wordt aan de werelden van de vrije improvisatie en de experimentele jazz en dat op misschien wel minder evidente maar daarom niet minder sfeervolle locaties. De tomeloze inzet van de organisatoren wordt nu beloond en bekroond met een release op het Portugese Clean Feed-label. Het gaat om het concert van Universal Indians samen met freejazz-legende Joe McPhee in het Zuiderpershuis op 15 juni 2014.

Universal Indians bestaat uit de ritmesectie van Jon Rune Strøm (bas) en Tollef Østvang (drums) – een duo dat recent ook al van de partij was bij de release van All Included op hetzelfde label – en saxofonist John Dikeman. Die Dikeman is een uit een godverlaten dorpje in de Verenigde Staten afkomstige muzikant die na omzwervingen in New York, Caïro en Boedapest ondertussen toch al een aantal jaar actief is in de jazzscene van Amsterdam, waar hij ook woont. De tour die hen naar Antwerpen bracht was de tweede waarin het trio jonge wolven samenspeelde met de toen 74-jarige saxofonist en trompetspeler Joe McPhee. Voor McPhee was het niets nieuws samen te spelen met een jongere generatie muzikanten. Zo waren er bijvoorbeeld de releases met de geweldenaars van The Thing (She Knows uit 2001) of de sociaal bewogen jazz van het Trespass Trio (Human Encore uit 2013). En vanaf nu hoort daar ook Skullduggery met Universal Indians bij.

John Dikeman en Joe McPhee, dat zijn twee verschillende stijlen van saxofoon spelen. Als John Dikeman de man van de energie is, de brute kracht en het overdonderen, dan zorgt Joe McPhee voor een veel lyrischere, meer onderhuids geladen manier van spelen. Op dit album is het duidelijk dat Dikeman zich meer aanpast aan McPhee dan omgekeerd, al betekent dat niet dat de eerste zich de hele tijd ver houdt van wilde saxofoonerupties. Zo is er opener “Yeah, and?”, dat het meest uitbundige nummer van het album is en waarin Dikeman zich regelmatig laat horen door hevige uitbarstingen om dan terug te keren in rustiger vaarwater. Dit spel van heen en weer gaan wordt ook doorgetrokken in de solo’s van de Scandinavische ritmesectie.

Op het aan saxofonist Dewey Redman (Ornette Coleman, Charlie Haden) opgedragen “Dewey’s Do” -- het kortste nummer van het album -- is er een slepende saxofoon te horen die voortgedragen wordt door een aftastend basmotiefje om na een meer toegankelijk middenstuk te eindigen in een weemoedige sfeer. Het tweede deel van het album (tevens het tweede deel van het concert) is wat meer ingetogen en hermetisch dan het eerste. Titelnummer “Skullduggery” -- opgedragen aan de Zwitserse jazzorganisator Niklaus Troxler -- is een lang uitgesponnen stuk, met daarin een prachtig tussenstuk waarin Dikeman en McPhee unisono een weemoedige melodie spelen. Het album wordt afgesloten met “Wanted”, weerom een introvert en zoekend nummer dat culmineert in een lyrische en toegankelijke saxofoonpartij.

Wanneer twee muzikanten van een verschillende generatie en met een verschillende speelstijl met elkaar in dialoog gaan, kan dat alle kanten op. Op Skullduggery tonen John Dikeman en Joe McPhee dat het kan resulteren in een boeiend geheel. Universal Indians bewijst dat het een band is om rekening mee te houden.

E-mailadres Afdrukken
 
Universal Indians ft. Joe McPhee

Uit ons archief
Banner

TEST