Sofar

Sofar

Guy Peters - 23 november 2015

Het was al even geleden dat we nog iets hoorden van het piekfijne Gentse Icarus-label, dat ons in 2013 verblijdde met prima albums van Echo Beatty, Ecila en Stray Dogs, en vooral verankerd was in een meer experimentele uithoek van de Belgische muziek. Nu, twee jaar later, is er het debuutalbum van het Gentse Sofar, waarmee het label (tijdelijk) opschuift naar iets traditioneler terrein.

Met Sofar, hiervoor bekend als Little Elmo en toen ook al goed voor een langspeler, belanden we in de wereld van de pop/rock. Die is best toegankelijk, maar Sofar beschikt over meer dan voldoende eigen smoelwerk, en hun songs over zachtjes schurende weerhaakjes, om voor een kleine deuk in dat te propere imago te zorgen. Het is nog altijd geen slappe radiopap. Als er op sommige momenten een referentie uit springt, dan is het misschien wel die van Flying Horseman, zeker in “Boy”.

De stem van David Decraene herinnert meteen wat aan die van Bert Dockx, maar dat is niet het enige, want de gelaagde aanpak met veel aandacht voor betekenisvolle details, de nachtelijke sfeer en het gitaarwerk doen ook wel denken aan de nachtbrakersblues van het Antwerpse zestal. Toch is dit ook weer anders. Toetsen gaan nadrukkelijk in de verf staan, Sofar heeft iets minder dat onheilszwangere en houdt het muzikaal ook wat beknopter. Zo neigt het meer in de richting van, pakweg, Yuko of Amatorski.

Dat neemt niet weg dat er hier dus ook knappe dingen te horen vallen, en dat is nergens duidelijker dan in de kop van de plaat. “Spiderweb” (vergezeld van een fijne clip, zie hieronder) introduceert eerst een soort jazzy noir, en heel even verwacht je dat Sherilyn Fenn in een geruit rokje de hoek om gewiegd komt, maar zodra de gitaren opduiken, neemt de song langzaam een andere gedaante aan. Minder frivole, haast hypnotiserende indiepop met een melancholisch randje en warm gloeiende toetsen.

Het is een ingetogenheid die wordt verdergezet in “Ten”, dat zich met analoge toetsen, lome bassen en stemmenvrijage terugtrekt in een meer ingetogen wereld. Tot daar zou je de indruk kunnen krijgen te maken te hebben met een eerder vaalgrijze, bedrukte bedoening, maar dan ga je voorbij aan de variatie die vervolgens tentoongespreid wordt. Hoewel de melancholie nooit helemaal verdwijnt, laat “Tonight” een energieker en meer helder geluid toe, met een knap uitwaaierend refrein.

Elders krijg je een eigenzinnige, haast antiek aanvoelende samenzang in een track die resoluut inzet op toetsen (“Hunt”) of het metalige gestuiter van tribaal voortkletterende percussie (“Longing”). “Air” is er dan weer eentje die rechtgehouden wordt door een stuwende basfiguur, waar de rest van de song aan opgehangen wordt. Zo blijkt dat de productie best wel inventief is - het ene moment wordt de soberheid benadrukt, het andere de elegantie - en wordt doorgetrokken totdat het album tot een knisperend einde komt met “Look Up”, dat toch weer mikt op een verlatenheid die de thuisbasis van de band blijft.

Er wordt dus gespeeld met variatie en verbeelding, de songs krijgen een invulling die meerdere beluisteringen doorstaan en de band heeft genoeg in huis om zich te onderscheiden in een wereld van indiepop, die al eens buiten de lijnen durft te kleuren (een enkele keer ga je ook aan Portishead denken). Toch zou je ook willen dat ze nu en dan voor een grovere breuk zouden zorgen, ergens een brandbommetje in gooiden of eentje extra van het kaliber van “Spiderweb” (die blijft hangen!) achter de hand gehouden hadden. Fijne plaat, maar wel met het gevoel dat het beste nog moet komen.

Het album verscheen op vinyl bij Icarus en Vynilla Vinyl, met gezeefdrukt artwork van Smeraldina-Rima. De eerste honderd exemplaren op gekleurd vinyl. Op naar de platenboer!

E-mailadres Afdrukken