Banner

James Brandon Lewis Trio

No Filter

Guy Peters - 07 maart 2017

Een tijd geleden las je hier en daar wel eens dat zwart Amerika de jazz de rug toegekeerd zou hebben, of en masse overgeschakeld was op gladde r&b, hiphop of andere makkelijk(er) in het gehoor liggende genres. Door het succes van kleppers als Mackaya McCraven en (vooral) Kamasi Washington is een breder publiek echter gaan inzien dat er nog altijd wat gekleurd talent staat te trappelen om jazz van binnenuit te verrijken of vernieuwen. Een mooie toevoeging aan dat lijstje is tenorsaxofonist James Brandon Lewis, die een krachtig statement maakt met zijn vierde album.

Er zijn er natuurlijk nog, want ook Jeremy Pelt en JD Allen slagen erin om muziek te spelen die zich nadrukkelijk profileert als jazz, maar oog heeft voor wat er de voorbije decennia zoal in verwerkt kon worden. De naam van tenorsaxofonist James Brandon Lewis doet ook al even de ronde en het is tijd dat die ook eens overwaait naar Europa. Blijkbaar maakte de man redelijk wat indruk op het North Sea Jazz Festival van 2016 en dat is op basis van zijn nieuwe trioplaat No Filter best te begrijpen, want je krijgt hier een saxkanon aan het werk te horen waarvan je vermoedt dat die concerten in lichterlaaie kan zetten.

De saxofonist is ondanks z’n jonge leeftijd (°1983) opgegroeid in de traditie van kerk en gospel, de wereld waarin hij ook z’n eerste muzikale stappen zette en later furore gemaakt heeft. Daarna ging hij echter ook in de leer bij, of musiceren met o.m. Charlie Haden, Wadada Leo Smith, Tony Malaby en Matthew Shipp. Hij debuteerde in 2010 met Moments dat in eigen beheer werd uitgebracht, maar het was pas met het spiritueel getinte Divine Travels (2014) dat hij écht opgemerkt werd. Dat hij daarvoor werd geruggensteund door zwaargewichten William Parker en Gerald Cleaver zal daar voor iets tussen gezeten hebben, net zoals de aanwezigheid van Jamaaladeen Tacuma en Rudy Royston op Days Of FreeMan (2015).

Opvallender is echter de manier waarop de man erin geslaagd was om invloeden uit gospel en hiphop naadloos te doen aansluiten bij zijn postbop, die aanvankelijk wel eens herinnerde aan Coltrane, maar hier eigenlijk diep in de ritmische muziek duikt op een ongedwongen, organische manier, die blues, soul en de eerder vermelde genres erbij sleept. En hij maakt dan wel gebruik van een startsample en een bijdrage van de Brooklynse rapper P.SO The Earthtone King; het gaat hier nadrukkelijk over bonkige, soms verschroeiende jazz die samengesteld is uit Lewis’ tenorsax, elektrische bas (Luke Stewart) en drums (Walter ‘Trae’ Crudup III).

Vanaf opener “Say What” beland je in een wereld waarin thema’s eindeloos binnenstebuiten gekeerd worden en de ritmesectie zorgt voor een strakke, maar vettig funkende ondergrond. Het trio herinnert dan ook meermaals aan de generatie freefunkmuzikanten die, in navolging van Ornette Coleman’s Prime Time op zoek gingen naar een nieuwe sound. James Blood Ulmer, Defunkt en Ronald Shannons Decodoing Socyiety, dát zijn hier de referenties, veel meer nog dan Coltrane, Rollins of Lloyd. En dat werkt, met een vurige sound die op de ledematen inbeukt én Lewis’ vermogen onderstreept om eindeloos te variëren en te blijven gaan met een thematische improvisatie die je alle hoeken van de kamer laat zien.

Opvallend is vooral ook de compactheid van het album, dat met zes stukken en een duur van amper 37 minuten zo’n half uur korter is dan Lewis’ andere albums. Misschien is die kortere duur ook wel een goede zaak, want de man soleert zo goed als non-stop, waardoor natuurlijk de kans bestaat dat minder weerbare luisteraars sneller afhaken. Je wordt hier alleszins ei zo na een trance in getoeterd, terwijl Lewis in het titelnummer al net zo onvermoeibaar scheurt, soms zelfs met een verrassende vrijheid die herinnert aan freejazzkanonnen als Shepp en Sanders, om uiteindelijk bij een lekkere groove te belanden die rustig uitdooft.

“Raise Up Off Me” en “Zen” zetten de verwantschap met hiphop nog sterker in de verf. De eerste met een ritmisch uitgebeende aanpak, waarop koppen automatisch aan het schudden gaan en een solo die op wandel gaat op een verkrampend ritme. In het tweede passeert het meest memorabele thema, dat aanvankelijk bedeesd wordt gevolgd, maar ook weer belandt in een ontspannen groove. Voor de resterende twee tracks krijgen de drie gezelschap van gitarist Anthony Pirog en een vocalist. Is “Y’All Slept” een nummer dat wat herinnert aan de kale jazzfunk van Mackaya McCraven en een kort rapstukje krijgt, dan is afsluiter “Bittersweet” met de falsetto van Nicholas Ryan Gant het softe, ietwat stroperige ballad-moment.

Het kan echter niet verhullen dat je hier een artiest aan het werk hoort die soleert met een opmerkelijke bevlogenheid en souplesse, en zijn jazz met dank aan een uitstekende ritmesectie injecteert met een forse scheut hiphop/funk zonder het te laten uitdraaien op een ongeïnspireerde tussenvorm die het beste van beide werelden ontbeert. Iets zegt ons dat het live al helemaal ontvlambaar kan worden. Te ontdekken.

Het album is voorlopig enkel digitaal beschikbaar, maar zou in juni op vinyl uitkomen. James Brandon Lewis speelt op 12/3 in de Parazzar (Brugge) en daags erna in De Singer (Rijkevorsel).

E-mailadres Afdrukken