Banner

Julie Byrne

Not Even Happiness

6.5
Maarten Langhendries - 20 maart 2017

Julie Byrne is zo'n typische artiest die niet mee is met haar tijd omdat ze er niet in thuis hoort, maar daar absoluut niet om maalt. Integendeel, het levert telkens zeer mooie albums op waarop je haar vingers over de snaren hoort glijden.

"I know you call this home, but for me this city's hell/ I was made for the green, made to be alone": deze lyric uit het openingsnummer van Not Even Happiness, "Follow My Voice", vat wel zo een beetje samen waar Julie Byrne en haar muziek voor staan. Ze is de timide wandelaar die genoegen neemt met een dorp bestaande uit één straat, ergens in het noorden van de Verenigde Staten. Alleen woont diezelfde Byrne sinds kort in New York. Echt aarden deed ze er in het begin echter niet en de muzikale inspiratie bleef uit. Tot ze in de openingssong haar angsten van zich af schreef, aan de mierenhoop van de stad begon te wennen en, als tegengif, als ranger in Central Park begon te werken.

En ondanks die verhuis waan je je op Byrnes tweede plaat nog steeds in het oneindige groen. Het geluid van deze Not Even Happiness verschilt dan ook niet zo heel hard van voorganger Rooms With Walls and Windows, maar echt storen doet dat niet. Daarmee plaatst ze zich in het rijtje van artiesten als Meg Baird, S. Carey, Grouper of Tiny Vipers: mensen aan wie de waan van de dag voorbij lijkt te trekken. De gitaar van "Follow My Voice" roept trouwens meteen herinneringen op aan Life On Earth van die laatste. Daarna zal ze enkel nog weerklinken wanneer nodig. De stem van Byrne doet de rest. Die stem heeft een timbre dat even moet wennen (zie opnieuw Tiny Vipers, Ólöf Arnalds of Joanna Newsom), maar ze schakelt met gemak van de lagere regionen over naar een hoge uitschieter. "Sleepwalker" heeft wel een meer aanwezige gitaar. De mooie fingerpicking partij zorgt er meteen voor dat echo's van vervlogen tijden, tijden waarin Nick Drake nog leefde, komen aanwaaien. Ook "Melting Grid" en "All The Land Glimmered Beneath" (waarin de natuurelementen de hoofdrol mogen spelen) lijken zo uit de jaren '70 te komen.

De muziek lijkt zo wel een soort vlucht uit het lawaai dat haar dagelijkse leven bepaalt. "Sea As It Glides" is bijvoorbeeld van een breekbaarheid die zeldzaam geworden is. Eerst blijft Byrne vrij laag, maar in het refrein zweeft haar stem ergens in de wolken en klinkt het alsof de stembanden van de zangeres van glas zijn en bij het minste tikje uit elkaar kunnen spatten. Ook "Natural Blue", dat wat aan About Farewell van Alela Diane doet denken (weliswaar zonder de scheiding), is nog zo'n kwetsbaar pareltje waarin haar zachte stem alle ruimte krijgt om " When I first saw you/ The sky, it was such a natural blue". Die meligheid moet je er soms even bijnemen, maar Byrne blijft over het algemeen – af en toe is het op het randje - aan de goeie kant van de sentimentaliteit. Op afsluiter "I Live Now As A Singer" laat Byrne zich vervolgens nog een laatste keer van haar meest naakte kant zien.

Echte stinkers staan er dan ook niet op Not Even Happiness. Het enige wat je Julie Byrne kan verwijten, is dat ze nu niet bepaald heel vernieuwend is, maar als kwaliteitsvol ambachtswerk mag deze tweede plaat er zeker zijn. Als u uitslag krijgt van alle referenties hierboven of al moet geeuwen bij het idee naar dit soort spartaanse muziek te moeten luisteren, loopt u best in een wijde boog om Not Even Happiness heen. Dit soort archaïsche muziek durft voor sommigen al wel eens te snel als hippiegewauwel klinken. Al wie echter wel eens snakt naar akoestisch winters escapisme of gewoon heel eerlijke muziek, ook al is ze dan nogal braaf en voorspelbaar, vindt bij Julie Byrne echter wel even een rustpunt.

E-mailadres Afdrukken