Jaimie Branch

Fly Or Die

9.0
Guy Peters - 03 juli 2017

Rond de decenniumwisseling hoorden we voor het eerst van Jaimie Branch, die opdook op albums van collega’s uit Chicago als Jason Ajemian, Fred Lonberg-Holm en Ken Vandermark. Om allerlei redenen duurde het even voor haar eerste album het daglicht zag, maar daarmee toont ze zich wel meteen een van de originele stemmen van haar generatie.

Hoewel Chicago de plaats was waar Branch haar talent volledig ontplooide, een netwerk opbouwde en kansen aangeboden kreeg, verkaste ze een paar jaar geleden naar New York. Het was daar dat ze begon te werken aan het materiaal dat op Fly Or Die belandde, met het doel om New York te laten horen hoe Chicago klinkt. Branch was actief in de meest uiteenlopende scenes en genres, maar het was in de ongedwongen sfeer van Chicago’s bruisende en stimulerende jazzscene dat ze tot creatieve bloei kwam, en het is ook daar dat ze muzikanten ging rekruteren voor haar eigen project. Bassist Ajemian kende ze al van vroeger (ze was ook al te horen op diens The Art Of Dying uit 2008). Idem voor drummer Chad Taylor en celliste Tomeka Reid. Zij vormen samen met Branch de opvallende kernband voor Fly Or Die.

Iets anders waar Branch zich mee onderscheidt, is een ongewone manier van componeren en post-productie. Gebruikt ze voor haar uitgeschreven materiaal al een combinatie van traditionele muzieknotatie, instructies en grafische elementen (“If you can make the scores kind of look like the way you want the music to sound, you’re already ahead of the game”, zegt ze zelf), dan werd ook na de opnames verder gewerkt met het materiaal. Dat herinnert wat aan de werkwijze voor Makaya McCravens In The Moment, dat niet toevallig op hetzelfde label verscheen, en waarop ook creatief werd omgesprongen met cutting, editing, looping en overdubbing.

Meest van al versterken die technieken het suite-effect van het album, ondanks de zeer uiteenlopende stijlen en geluiden die hier verzameld zijn. De songs vloeien over in elkaar, houden het momentum gaande. Fly Or Die is met z’n 35 minuten relatief kort, maar herbergt een opmerkelijke weelde aan zeggingskracht, stilistische variatie en intenties. Het ene moment abstract en relatief in zichzelf gekeerd, maar even later dobberend op een ongemeen funky en minimalistische jazzgroove of haast orkestraal klinkende zijstapjes. Het album ontpopt zich gaandeweg tot een kleurrijke mozaïek die nergens overladen klinkt en een paar oorwurmen in de aanbieding heeft, maar vooral duidelijk maakt dat het échte debuut van de 34-jarige artieste een prachtig, volwassen statement is.

Met “Jump Off” wordt vertrokken vanuit grof ruisende extended techniques, maar het is van korte duur, want al snel wordt plaats geruimd voor “Theme 001”, de eerste van een handvol thema’s waarmee de band een aanstekelijke hypnose neerlegt. Taylor zorgt voor een ongemeen stuwende fond, cello en contrabas verstrengelen speels en behendig rond elkaar met een voortdurend accentuerende en variërende aanpak, en daarover kan Branch dan uitpakken met stekelige motieven, nerveuze tremolo-effecten en uitgesmeerde klankerupties. Aan het einde duikt plots de (achteraf toegevoegde) tokkelende gitaar van Matt Schneider op, die het stokje overneemt naar “… meanwhile”, dat van start gaat als een folkballade, maar plaats ruimt voor een vrije improvisatie, waar Branch even voor past.

“Theme 002” is al net zo catchy als z’n voorganger, maar klinkt luchtiger en exotischer, met uitlopers naar de Caraïben en een trance die even herinnert aan Steve Reids percussiemarathons. Opnieuw profileert Branch zich als een trompettiste die beschikt over een breed arsenaal: een vettige old school sound met een demper, expressief geschetter en een oor voor motiefjes die blijven hangen. Een slotmotief wordt zo herhaald in “Leaves Of Glass”, waarin de combinatie van haar trompet met de kornetten van Josh Berman en Ben Lamar Gay klinkt als de missing link tussen de gestapelde trombonepartijen van Jacob Garchik en de semi-symfonische weelde van Miles’ werk met Gil Evans.

Het is een van de meest opvallende stukken op een plaat die geen inzinkingen kent. “The Storm” hangt aanvankelijk uit in oorden van kamermuziek en moderne avant-garde, met scheurende snaren en de suggestie van bombastische pauken, maar verglijdt dan in een spel van geluiden die iets van een duistere soundscape hebben, terwijl het statige en zacht openbloeiende “Waltzer” een indrukwekkende demonstratie is van sfeerzetting en kleur, met Branch die deze keer met opvallende flair in het hoge register rondhangt. Het korte titelnummer is een trompetsolo die in een minuut eigenlijk meer te vertellen heeft dan heel wat platen in drie kwartier, en vloeit naadloos over in “Theme Nothing”, het laatste en zwaarste van de drie thema’s, met krachtig gestreken cello en bas, een pompende energie die inwerkt op de dansspieren en opnieuw een glansrol voor Branch, die zelf mondeling het compacte gitaarslot aankondigt.

Bij eerste beluistering lijkt Fly Or Die een wat eigenaardige, soms zelfs bizarre plaat, maar al snel wordt duidelijk dat Branch (die trouwens ook bijdroeg aan het opvallende, fraaie artwork) er samen met haar kompanen in geslaagd is om een totaalwerk te creëren dat z’n heel eigen hoekje opeist. Het is jazz, er wordt vrij geïmproviseerd, aangeleund bij kamermuziek, lijfelijke grooves én collagekunst, maar de overheersende indruk is die van organische samenhang, een schier eindeloze creativiteit en een persoonlijke stempel die misschien wel even op zich liet wachten, maar dubbel zoveel indruk maakt door zijn treffende originaliteit. In een periode waarin soms de meest ordinaire scheten tot kunst verheven worden, is dit niet minder dan een revelatie.

E-mailadres Afdrukken