Banner

Oscar And The Wolf

Infinity

3.0
Philippe Nuyts - 09 oktober 2017

Dat er stoom uit de hypemachine kwam de afgelopen jaren. De bal voor Infinity lag op de stip, Colombie moest hem alleen nog goed binnentrappen. Dat doet hij, voor eigen publiek. Maar op Infinity gaapt een ontzagwekkende leegte.

Met Oscar And The Wolf is het zoals met andere Vlaamse fenomenen als belastingsontduiking of figuren als Theo: de schijnbare meerderheid dweept er kritiekloos mee met een indigestionele onontkoombaarheid als gevolg, de feitelijke meerderheid staat er niet-begrijpend tot hoofdschuddend naar te kijken. Zo gaat dat. De media bouwen een momentum op -- zie ook Bastille, Bazart et les autres: haast geregisseerd succes als self-fulfilling prophecy. En dat moet je Max Colombie nageven: hij haalt er gewiekst en uitgekiend het maximale uit.

Hij bedient z’n opgebouwd publiek op zijn wenken. Een publiek dat weemoed met de glimlach en wiegende lendenen beleeft, gevoelens op gefilterde Instagramfoto’s kribbelt, een druppel in een heet wij-gevoel wil zijn. Diepgang is daarbij van geen belang, inhoud evenmin. De vraag waar het in godsnaam over gáát -- een vraag die Infinity nog minder beantwoordt dan voorganger Entity -- is van inferieur belang. Of zoals een verwoed meehuilende wolf me onlangs zei toen hij een gin-tonic bereidde terwijl “The Game” op z’n Spotify voorbij warrelde: “Daar gaat het niet om, je moet dat live beleven.”

Welaan dan. Oscar And The Wolf is een act. Confetti en glitter horen daarbij als een peignoir bij Hugh Hefner. Brengt ons naadloos bij de seks die Colombie in z’n sound en songs wil steken, en waarvoor hij naar eigen zeggen de formule gevonden heeft. Dat kan, maar op plaat klinkt het als een soundtrack bij de post-coïtale luiheid. Het kabbelt en woelt maar aan, en de ontzettend eentonige stem van Colombie maakt de plaat al vanaf het derde nummer een lange zit. Net als bij Ozark Henry, de Oscar And The Wolf van de generatie die z’n foto’s nog liet ontwikkelen in het Kruidvat, loert de zelfparodie om de hoek. Colombies grote voorbeeld Prince was seks, hij was de groove en de funk die uit z’n songs dampten. Op Infinity is die zoektocht te opzichtig, als een koppel dat hete standjes probeert met een boek van godbetert Ilse Nackaerts opengeklapt naast hen op bed. Weg passie -- maar toch even met Infinity op de achtergrond die after sex selfie nemen.

Na een dozijn luisterbeurten is er nog steeds geen énkel nummer dat uit die donkerblauwe brij opstaat; geen weerhaak, geen zanglijn, geen melodie. Dat was op Entity nog anders, met twee dijken van singles die de machine niet toevallig aan de praat kregen. Dat het allemaal om een soort escapistische mood gaat, is PowerPointpraat. Het gaat niet om een catchy refreintje, maar om dat éne idee, dat randje. Niks daarvan op Infinity. We durven er dan ook gif op innemen dat aquarelletjes als “Honey”, “Exotic”, “Last Night” en vooral “Pretty Infinity” een uur ver in de set op eender welk festival plat zullen vallen.

Dat brandt de opmerking dat inhoud van geen belang is af. Met een groove alleen kom je er niet. Solange en Frank Ocean, om er maar twee te noemen, zullen eens lachen. Wanneer er geen song is, wordt elk publiek een sputterende dieselmotor. Alsof Colombie dat zelf genoeg beseft, zoekt hij in nummers als “Runaway” en “Fever” de pompende beats van house op. Dat confettikanon gaat weer renderen op de volgende tour. Paradoxaal is “Fever”, Coldplay voor een bar in Lloret de Mar, samen met openingsnummer “So Real” koning Eenoog in het land der blinden: songs die wél die gelaagdheid hebben, die melodie die van mood wél een song maakt. Een raadsel trouwens waarom het sterkere “The Game” niet op deze plaat is beland.

In datzelfde bedje ziek zijn ook de teksten die Colombie murmelt. Dat Colombie The Smiths als een van z’n inspiratiepunten aanhaalt, doet op z’n zachtst gezegd verbazen of schaterlachen. Ook hier mag het allemaal om sfeer draaien, maar zinnen als “You love me soon/Up on the moon”, “Sweet drops in the bitter/Drop me at a fancy dinner/Go and invite yourself ...” of “I don't wanna rush it with you/So take my hands up in the air/Don't you wanna have a little bit of fun?” draaien rond het grote niets. Van “darkness” hier tot “love” daar wordt er twaalf songs lang een pas de deux gedanst door een danskoppel van clichés en leegte.

De grote verdienste van Oscar And The Wolf is dat het de vinger angstaanjagend accuraat aan de pols van vandaag houdt. Deze act gedijt in een tijd waarin met live-instrumenten spelen op Tomorrowland nieuws is en een blijk van authenticiteit -– een steeds meer uitgehold begrip vandaag dat even makkelijk te behalen valt als een compliment van de juf in de kleuterklas. Met het traantje op de cover van Infinity bijvoorbeeld. De headliner van de festivals volgende zomer is bij deze bekend, maar de bedenkelijke kwaliteit van Infinity maakt dat die betrachte oneindigheid onhaalbaar lijkt. Dat is het nadeel van die vinger aan de pols houden: voor hetzelfde geld ben je zelf een pop-up act, met een publiek dat je genadeloos snel naar rechts swipet voor het volgende snoepje van de dag. Zeker als je muzikaal het niveau van marketingweemoed niet overstijgt.

E-mailadres Afdrukken