Banner

Ezra Furman

Transangelic Exodus

8.0
Sylvia Eeckman - 13 maart 2018

Wie Ezra Furmans achtergrondinfo doorneemt, ademt vooraf best eens diep in. De uit Chicago afkomstige, diepgelovige Jood combineert als biseksuele, non-conformistische (cis)man geregeld een jurk met bijhorend parelsnoer of rode lipstick en lijkt met zijn “queer outlaw saga” bovendien niet vies van een portie theater. Fraaie gespreksopener, maar deze kleurrijke vogel levert vooral verrassend aantrekkelijke outsiderpop met een empathische boodschap.

Voor het gemak bestempelen we Transangelic Exodus als Furmans zevende album, al is hij mogelijk zelf de tel kwijt. 31 jaar oud en al 12 jaar muzikaal actief, heeft de man tijdens het artistieke vervellingsproces immers de neiging regelmatig zijn begeleidingsband te herdopen. The Harpoons en The Boy-Friends ruimen deze keer baan voor The Visions, een naamswitch die gepaard gaat met een nieuwe missie, want hoewel Furman in zijn persoonlijke leven op het ritme van zijn eigen drum marcheert, klonk zijn oeuvre tot nu toe behoorlijk conventioneel. Voor zijn retro aandoende liefdesverklaring aan de twintigste eeuw, tapte hij de voorbije jaren onbezorgd uit verschillende vaatjes zoals rock-’n-roll uit de jaren vijftig (“Tell Em All To Go To Hell”) of begaf hij zich met het dylaneske “Take Off Your Sunglasses” in de slipstream van nasale lotgenoot Jonathan Richman. Het springerige “Restless Year” riep dan weer beelden op van Violent Femmes, terwijl in het aanstekelijke hitje “My Zero” de contouren van Sufjan Stevens’ “Chicago” doorschemerden. Mooi, maar af en toe wat buiten de tijd.

Op Transangelic Exodus loodst Ezra Furman zijn Visions echter de 21ste eeuw binnen. Met een amalgaam van elektrorock, strijkers, een minder hard toeterende Springsteen-saxofoon, gitaar, drums, keyboards, een occasioneel bevreemdend geluidseffect of willekeurige schreeuw slaan ze succesvol een nieuwe weg in zonder hun eigen smoelwerk te verliezen. Het sterke openingssalvo “Suck The Blood From My Wound” zet meteen de toon als opzwepend anthem dat mikt op de handen -- probeer maar eens niet mee te klappen met die beat -- en bovendien dienst doet als sterkhouder voor misfits: “Angel don’t fight it/to them we’ll always be freaks”. Denk “Time To Pretend” van MGMT, maar dan minder dommelig. Tegelijkertijd legt het nummer de basis voor wie het album wil opvatten als conceptplaat. De losse verhaallijn is er een van een engel die samen met de zanger op de vlucht slaat voor een fascistische overheid. Klinkt allemaal een tikje pretentieus, maar vergezocht is het alleszins niet, in een Amerika waar kwetsbare mensen die zichtbaar anders zijn gestigmatiseerd of onderdrukt worden. Het gevoel nergens thuis te horen in een onveilige wereld duikt ook op in het opgejaagde “No Place” waar wanhoop (“This world is no place at all for a creature like me”) en strijdlust (“But I'll be bringing along a big broad smile”) hand in hand gaan.

Gelukkig zijn de songs ook gevarieerd en interessant genoeg zonder dat romanelement. Adrenalineshotje “Maraschino-Red Dress $8.99 At Goodwill” is wat men noemt een snel droevig nummer en beschrijft de paranoia tijdens een als schaamtevol ervaren winkelmoment. Een zin als “I am hideous and no one can ever know” hakt er diep in, terwijl de jammerplank er vrolijk op los rammelt. In diezelfde categorie valt “Love You So Bad”, een hoogtepunt en moeilijk te weerstane oorwurm. Gestut door staccato cellonoten zit alles simpelweg juist: de melodie, de woorden en de charmante doowop backing vocals vormen een levendige meezinger die in wezen niet gaat over liefde, maar een gefaalde relatie.

Single “Driving Down To L.A.” breit spaarzame refreinen aan explosievere stukjes digitale bombast die dankzij een vrolijk jengelend glockenspiel nooit té wars worden. Het korte “Peel My Orange” speelt met diezelfde stil-luid-dynamiek, maar het is vooral de stem van Ezra Furman die de puzzelstukken samenlijmt. Doorleefd, wat nasaal en gemaakt van schuurpapier is er het potentieel om te irriteren, maar wie ervoor valt, valt hoogstwaarschijnlijk hard. De man gáát er dan ook voor. Op “Come Here Get Away From Me” brengt hij, naast een paradoxale boodschap, zijn beste Tom Waits op een taai, rauw nummer dat nog het best te omschrijven valt als rock met klarinet. Op tedere rustpunten als het melancholische “Psalm 151” of “God Lifts Up The Lowly” klinkt hij dan weer simpelweg mooi. De overheersende (religieuze) boodschap is er gelukkig één van empathie. Een thematische constante is dan wel angst of onderdrukking, maar doorheen het hele album vallen regels te rapen als “I know that I carry a power” of “I’m not about to sit here and watch”, die een oproep tot solidariteit en een gevoel van anti-wanhoop en veerkracht uitstralen. Een leven in de marge hoeft niet enkel een droeve zoektocht naar identiteit te zijn, maar biedt ook nieuwe perspectieven en het besef dat de dingen niet noodzakelijk hoeven te zijn zoals ze je worden voorgehouden. Steek dat maar in je zak.

Op het eerste gehoor bliksemt Transangelic Exodus je niet meteen van je paard, maar de nummers oefenen een vreemd soort aantrekkingskracht uit naarmate je ze vaker beluistert. Waar bijvoorbeeld “The Great Unknown” aanvankelijk wat mak overkomt, neemt fascinatie uiteindelijk de plaats in van een onverschillig opgehaalde schouder. Dat geldt misschien niet voor enkele dipjes die desondanks te licht uitvallen: “Compulsive Liar”, “From A Beach House” en “I Lost My Innocence” veroorzaken maar weinig rimpels. Toch blijft Furman interessant zonder al te hard tegen te wringen. Hij benut drama als een gelegenheid om iets bijzonder te doen en het gevoel te creëren dat alles kan gebeuren.

De lijst met artiesten die ons enthousiasme doen ontwaken is eerder beperkt, maar Ezra Furman zindert na en slaagt waar anderen falen. De overdosis allegorisch materiaal nemen we er graag bij, want wie op de achterbank van Furmans vluchtauto plaatsneemt, heeft op het einde van de rit tenminste iets meegemaakt dat de moeite waard is.

E-mailadres Afdrukken