Banner

Knalpot

Dierendag

Guy Peters - 10 september 2018

Het was even stil rond de mafketels-met-zonnekleppen, maar nu zijn ze terug. Er zijn nog altijd weinig bands die zo behendig balanceren op het slappe koord tussen kunst en kitsch als Knalpot.

Voor een band waarvan songs regelmatig klinken alsof ze weggeplukt werden uit een Nintendo game, is het altijd grappig om te zien hoe ze op het podium omgeven worden door hectometers kabels. Gerri Jäger en Raphael Vanoli hebben hun basisinstrument, drums en gitaar, maar beschikken ook over een schier eindeloos arsenaal aan bakjes, keyboards en effecten. Het is zo’n warboel van kabels, stekkers, knoppen en mogelijkheden dat je je afvraagt hoe ze er nog hun weg in vinden. Misschien daarom dat het duo in de loop der jaren aangevuld werd met Sandor Caron, hun geluidsman die een essentiële schakel werd voor het totaalgeluid.

Nog altijd doen Jäger en Vanoli er alles aan om buiten de traditionele rollen te treden. De drummer combineert akoestisch en elektronisch op een manier die soms herinnert aan volk als Mark Guiliana of Teun Verbruggen, maar heeft net zo goed een verwant in wandelende metronoom Sylvain Darrifourcq. Vanoli is zo inventief in de weer met camouflage en vervorming, dat het soms zoeken is naar die gitaar. Of je zit je af te vragen waar synth begint en gitaar ophoudt. Vanaf opener “Effe zitte” is het dan ook rondwaren in een sound die zelfs voor de jaren tachtig too much zou zijn, met dik aangezette stadionritmes en een inkleuring die even minimalistisch als spacey is.

Het gemorrel van “Indianerwurst” kan niet voorkomen dat de gitaar daar even wat meer herkenbaar aanwezig is, al wordt ook nu alles gecontrasteerd met die onverstoorbare ritmes en een aanpak die ergens tussen Tortoise, Squarepusher en Britpop zit. Doe er nog die krappe mitrailleursalvo’s en een grandioze finale bij, en je belandt plots in een wereld van maximalisme. Een mooi contrast met “Fifteen Again”, dat hun ultrarock opnieuw uitdunt naar iets tussen robot- en ambientpop. En net wanneer je gaat denken dat het allemaal wat normaler geworden is bij Knalpot, komen ze op de proppen met “Finally 43”, dat meer gemeen heeft met John Carpenters soundtrack voor The Thing dan met de improgemeenschap waar ze deel van uitmaken.

En zo ben je dan beland bij de sterke slotreeks, met de compacte titeltrack die wordt beheerst door Vanoli’s melancholische getokkel. Het lijkt wel alsof het rustig doordaverende ritme van Jäger die fragiliteit nog eens extra in de verf zet. “Effe ligge” herinnert vervolgens een beetje aan Vanoli’s recente soloplaat Bibrax, met delicate gitaareffecten die haast iets hebben van gracieus aanzwellende strijkers uit een barokstuk, terwijl het wordt ingebed in een omgeving van minimalistische beats, waarbij je er het raden naar hebt waar de grens tussen akoestisch, elektrisch en digitaal ligt. Knalpot op z’n mooist.

Afsluiter “Erwin And Mitch” duikt via muizenstemmetjes vervolgens in een ouderwets jolige melodie en geinig ritme, om vervolgens een een-tweetje te doen met loeiende riffrock uit stonerrock-contreien. Op papier een onverenigbaar zootje, maar Knalpot slaagt er in om het allemaal te laten samenkomen in een dolgedraaide klankensoep. En daarmee blijft de band vooral ook een eigen ruimte bewonen in de muziek. Ze rotzooien nog altijd met elementen die doorgaans geassocieerd worden met foute boel, maar doen dat op zo’n originele manier dat er zelfs achter de meest uitgebeende momenten een gezelschap schuilt dat inventief en met buitengewone controle (over instrumenten en effecten) in de weer is. Al moet je het misschien wel live zien om dat ten volle te beseffen.

En kijk: het ideale moment daarvoor is misschien wel de albumvoorstelling aan de vooravond van Werelddierendag, op 3 oktober in het Bimhuis (Amsterdam).

E-mailadres Afdrukken
Tags: Knalpot