Banner

Erland Cooper

Sule Skerry

9.0
Marc Goossens - 08 mei 2019

Wel zin, maar geen tijd om even uit te waaien op de Orkney-eilanden? Geen nood, de Schot Erland Cooper neemt u gedurende negen nummers, waarin folk, elektronica en klassiek worden samengekneed, wel mee op een erg mooie, fascinerende muzikale reis naar de Orcaden.

alt

Sule Skerry is het tweede deel van een triptiek. Met dat project probeert Cooper, die zijn jeugd doorbracht in het vissersdorpje Stromness, het ongrijpbare te vatten in muziek: het wezen van het leven op en rond de eilanden, en hoe dat wordt beheerst en gevormd door de natuur. Na het door zeevogels bevolkte Solan Goose kijkt Cooper op Sule Skerry uit over de zee. De naam van de plaat verwijst naar een afgelegen klip in de Noordzee, die bekendstaat als broedplaats voor papegaaiduikers en jan-van-genten, maar ook om zijn oude vuurtoren.

Solan Goose en Sule Skerry zijn de eerste platen die Cooper uitbrengt onder zijn eigen naam. Voordien vormde hij samen met Simon Tong (zie ook: The Verve) de spil van Erland & The Carnival, een folkrockgroep die nauw verweven is met een ander project, The Magnet North. Onder die naam brachten Cooper en Tong, samen met componiste en elektronica-artieste Hannah Peel, eerder al twee platen uit die geïnspireerd waren door hun respectievelijke geboorteplaatsen: Orkney: Symphony Of The North en Prospect Of Skelmersdale.

The Magnetic North ligt nu even in de vrieskist, maar Peel en Cooper zetten hun zogeheten psychogeografische verkenningen ondertussen alvast verder. Zo producete Cooper eerder dit jaar Chalk Hill Blue, Peels samenwerking met dichter Will Burns, en nu is er dus zijn eigen Sule Skerry. In de geest van de Schotse dichter George Mackay Brown bewondert, beschrijft en verklankt hij de Orcaden in de vorm van negen – zoals hij het noemt -- sonic postcards.

Net als de Noord-Ierse Peel combineert Cooper zijn sfeervolle elektronica en minimalistische pianowerk (dat wat doet denken aan Brian Eno en Wim Mertens) met hedendaags klassiek. Het strijkerskwartet, dat eerder al te horen was op Solan Goose, tekende ook nu weer present. Eveneens op de plaat: de Japanse geluidsknutselaar Hiroshi Ebina, elektronicaveteraan Benge Edwards en (voor de gelegenheid op gitaar) Leo Abrahams. Daarnaast zijn er ook vocale bijdragen van folkartiesten Astra Forward (zang), Kathryn Joseph en Kris Drever (voordracht).

Het bindmiddel van het album zijn echter de verhalen en de mythologie waarmee Cooper opgroeide. Ze belandden op de plaat als gedicht of in de flarden interviews die Cooper afnam van plaatselijke bewoners. Zij vertellen op sappige wijze over mythische wezens zoals de trows (een soort trollen) en de selkies (op het land een vrouw, in het water een zeehond), of over hoe de zee zowel een voortdurende bedreiging als een rustgevende en geruststellende factor is.

De titels – veelal in het Insular Scots en doorspekt met plaatsnamen en visserswoordjes -- zetten de couleur locale nog wat dikker in de verf. Maar om het Orkney-gevoel nóg beter weer te geven, ging Cooper sommige synthesizer- en vioolpartijen zelfs op locatie opnemen: onder een pier, in het gemeentehuis van Stromness, op een vissersboot, of in een vijfduizend jaar oud grafmonument uit het Neolithicum. Als luisteraar krijg je het misschien niet allemaal meteen mee, maar ergens op de plaat hoor je naar verluidt ook de sluiter van de camera van Alex Kozobolis, de fotograaf die instond voor het artwork van de plaat en de video’s bij de songs.

Erland Cooper steekt niet onder stoelen of banken dat hij weg is van de ambient van Jon Hopkins. Evenmin te negeren is de verwantschap met het werk van Scandinavische (vooral IJslandse) collega’s die in dezelfde noordelijke wateren vissen. Maar door de toevoeging van die lokale elementen en door de manier waarop hij zich het voorbije anderhalve decennium heeft ontwikkeld als componist en zijn eigen muzikale taal vond, is dit in de eerste plaats een pure, persoonlijke Cooperplaat geworden. Het zijn in de eerste plaats ook zijn herinneringen en indrukken die verwerkt werden in zijn composities.

Niet zozeer nostalgie echter, als wel de nood om de drukte van de Britse hoofdstad te ontvluchten deed Cooper terugkeren naar zijn geboortegrond. Hij woont en werkt nog wel in Londen, maar door zijn hervonden liefde voor Orkney heeft hij ook zelf weer rust en evenwicht gevonden. Die rust en dat evenwicht ademt deze plaat ook uit. En zonder te willen vervallen in loze metaforen, de afzonderlijke nummers vloeien hier mooier in elkaar over dan op de bij momenten iets lichtvoetigere (vogels, weet u wel) voorganger, waardoor de plaat ook meer samenhang vertoont.

Het cliché van de gierige Schot gaat zeker niet op voor Cooper. Als we kijken naar zijn arbeidsethos – hij bracht in tien jaar tijd zelf zeven langspelers en drie EP’s uit, met zijn bands en solo -- dan zal het vervolg wellicht eerder vroeg dan laat komen. Naar eigen zeggen kriebelt het alleszins enorm om te beginnen aan deel drie, dat moet gaan over het landschap en de lokale gemeenschap.

Dat treft: ook wij kunnen nauwelijks wachten op de afronding van deze trilogie en het andere moois dat deze jonge, veelzijdige kunstenaar ongetwijfeld nog in zijn mars heeft.

E-mailadres Afdrukken