Banner

Peter Brötzmann

“HIJ BLAAST ‘M KAPOT! HIJ BLAAST ‘M VERDOMME KAPOT!” (repeat)

Guy Peters - foto's: Archief Geert Vandepoele - 16 januari 2013

Zaterdag 19 januari speelt de Duitse improvisatielegende Peter Brötzmann nog eens in Brussel. Dat zou geleden zijn van een duoconcert met Milton Graves zo’n goede dertig jaar geleden (intussen werd dit al rechtgezet: er vond minstens ook een soloconcert plaats in Cinema Novo in 2004, gp). Niet dat hij de voorbije jaren het Vlaamse land links liet liggen (hij was te zien in Brugge, Antwerpen, Hasselt en Gent), want voor een artiest met zo’n respectabele leeftijd is hij verdacht veel de hort op. Er hangt wel een zeker spanning rond het concert, alsof dit een kans is die niet gemist mag worden. Elke liefhebber van de improvisatie zou er ook bij moeten zijn, want de duoperformance met de Britse meesterpercussionist Steve Noble (dus geen trio met bassist Peter Jacquemyn, zoals eerder aangekondigd) belooft veel goeds.

Bovenstaande titel was hoe we een vijftal jaar geleden ons eerste concertverslag van Brötzmann begonnen. Niet zomaar recyclage, omdat het nog altijd een vrij adequate representatie lijkt van hoe de gemiddelde luisteraar reageert bij het zien en horen van de rietblazer. Brötzmann, dat is de kracht van de ademstoot, een graadmeter voor adrenaline, een muilpeer van onwrikbare intenties. De brute energie en overrompelende dominantie zijn vaak genoeg beschreven, de keerzijde van de medaille heel wat minder. Want Brötzmann is ook in staat tot ingetogenheid, is ook bereid het stokje door te geven aan zijn collega’s, om hen te laten schitteren en experimenteren.

Door de recente opheffing van zijn pompende balorkest, het Chicago Tentet, iets dat tussen de regels al aangekondigd werd in een lang interview dat einde 2012 in the Wire gepubliceerd werd, wordt misschien gesuggereerd dat de man toe is aan wat kalmte en een rustige oude dag met nu en dan een concertje. Je zou echter ook het tegenovergestelde kunnen beweren: hij weigert hardnekkig het comfort van een aangeboden zetel, blijft zoeken naar nieuwe uitdagingen en kansen. Gemak is gevaarlijk, gewenning fataal. Overloop ’s mans releases en tours van de laatste jaren eens, en het wordt snel duidelijk dat deze recente periode een onwaarschijnlijk creatieve geweest is.

Hij startte met Hairy Bones en Full Blast twee van z’n meest explosieve projecten sinds terreurcombo Last Exit het zootje aan gruzelementen speelde in de jaren tachtig. Hij werkte samen met Turkse, Scandinavische, Japanse en Amerikaanse muzikanten, werkte tournees af met het Chicago Tentet, Sonore (een trio met Ken Vandermark en Mats Gustafsson), vibrafonist Jason Adasiewicz en Hamid Drake. Vooral 2011 was een bijzonder jaar, met een concertreeks van het Tentet die leidde tot de prachtige DVD Brötzmann, het recent verschenen Walk, Love, Sleep (zie hieronder), en het cureren van het Wels Unlimited Festival in Oostenrijk (als registratie daarvan verschijnt binnenkort opnieuw een 5-cd box).

Brötzmann is met andere woorden nog niet toe aan rust, laat staan aan zijn pensioen. Het zal dus uitkijken worden naar de samenwerking in Brussel. Met Noble speelde hij al vaker, zowel in duo- als in triocontext, en het resulteerde op een album met bassist John Edwards tot een van zijn beste recente albums. Intussen maken we hier een inhaalbeweging met een resem recente(re) platen die we aanschaften, maar Enola nog niet haalden:

Peter Brötzmann & Jörg Fischer – Live In Wiesbaden (Not Two, 2011)

Hoewel Brötzmann niet zozeer bekend is van zijn duoperformances en -albums, blijkt toch dat er in z’n omvangrijke discografie redelijk wat voorgangers zijn voor deze plaat met drummer Jörg Fischer. Er waren er een dozijn met Han bennink, maar ook met Hamid Drake, Shoji Hano, Nasheet Waits, Peeter Uuskyla en Paal Nilssen-Love. Fischer is niet zo excentriek als Bennink en mist de veelzijdigheid en razende furie van een Nilssen-Love, maar Live In Wiesbaden is wel een evenwichtige plaat, haast een dwarsdoorsnede, waarop de veteraan het hele arsenaal (alt- en tenorsax, klarinet, tarogato) aanwendt om Fischers spel van weerwerk te voorzien. Het onwaarschijnlijk intens naar adem happende “Buddy Wrapping” voelt aan als een finale uitputtingsslag, maar het is het kortere “Song For Fred”, een litanie gebaseerd op de melodie van het wat oudere “Master Of A Small House”, dat het emotionele scharniermoment vormt van het album.

Hairy Bones – Snakelust (Clean Feed, 2012)

Wie Hairy Bones al aan het werk zag tijdens een van de Belgische concerten, die kent de ravage die het kwartet kan aanrichten. Met Paal Nilssen-Love en Massimo Pupillo (vooral bekend van het ter ziele gegane trio Zu) beschikt Brötzmann over een ritmesectie die monumentaal kabaal van een onwerkelijke, primaire kracht en heftigheid neerzet. Het is dan ook jammer dat de sound waartoe de twee in staat zijn niet volledig tot z’n recht kan komen op de 53 minuten durende improvisatie op Snakelust, met vooral Pupillo’s bas die wat dunnetjes klinkt. Nochtans word je al na een paar minuten van de rit volledig meegezogen in de meeslepende furie én wordt opnieuw duidelijk dat trompettist Toshinori Kondo -- zo’n vreemde toevoeging dat hij de band net z’n unieke karakter geeft -- het geheime wapen van de band is. Snakelust haalt het (net) niet van de eerste, titelloze Hairy Bones (Okkadisk, 2009), maar blijft een must voor de liefhebbers van Brötzmanns hardcoreprojecten.

Brötzmann, Satoh & Moriyama – Yatagarasu (Not Two, 2012)

Dit trio met pianist Masahiko Satoh en drummer Takeo Moriyama werd met een knipoog "The Heavyweights" genoemd, maar na het beluisteren van deze 67 minuten gaat geen mens er nog bezwaar tegen hebben. Na het ontbinden van het legendarische trio met Van Hove en Bennink, speelde Brötzmann slechts zelden met een pianotrio (al deed hij het met Marilyn Crispell/Hamid Drake en Borah Bergmann/Andrew Cyrille). Wordt de piano door heel wat vrij improviserende muzikanten als een belemmering beschouwd, dan leidt het hier tot een unieke cocktail van onwrikbare kracht (je zou Yatagarasu enkel opzetten om naar het hypnotiserende spel van Moriyama te luisteren) én zuiverheid. Satoh hamert er op los, maar dan wel met een onmisbare visie, inpikkend op het giftige blaaswerk, maar ook met hints naar de jazztraditie en drone-achtige elementen. Ook hier zijn de kalme stukken gul verspreid tussen al het geweld en zorgen ze voor momenten van revelatie. Indrukwekkend.

Peter Brötzmann & Jason Adasiewicz – Going All Fancy (Eremite/Bro, 2012)

Een concert dat meteen een legendarisch status kreeg, was deze samenwerking met vibrafonist Jason Adasiewicz tijdens het New Yorkse Vision Festival van 2011. Het mag dan ook gerust tot de meest opmerkelijke combinaties uit het oeuvre gerekend worden. De zinderende resonanties van de vibrafoon lijken soms wel de antithese van het scheurende register van Brötzmann. Samen leiden ze tot een merkwaardig samengaan van opruiende en dromerige elementen, klank- en textuurcombinaties waar zelfs de meest getrainde oren aan zullen moeten wennen. Heb je hier en daar nog die typische momenten van snerpend geharrewar en ziedende ontreddering, dan zorgt Adasiewicz’ spel, waarin allerlei hulpstukken en strijkstokken gebruikt worden, voor een onaflatend heen-en-weer-gekets van suggesties. Een unieke, soms zelfs pakkend mooie toevoeging aan de Brötzmanndiscografie.

Brötzmann, Edwards & Noble - … The Worse The Better LP (Otoroku, 2012)

Opgenomen in het Londense Oto, dat op geen tijd uitgegroeid is tot dé club voor experimentele muziek in de metropool. Dit is misschien wel de meest traditionele plaat uit deze lijst -- ook voor Brötzmann is de sax/bas/drums-bezetting ongetwijfeld de meest natuurlijke omgeving --, maar dan wel eentje die zich op ongemeen hoog niveau afspeelt. Het samenspel met Britse kleppers John Edwards (bas) en Steve Noble (drums) doet qua telepathie denken aan het trio met William Parker en Hamid Drake, kolkt bij momenten als een vulkaanuitbarsting, spuwt vuur in alle richtingen en is onwaarschijnlijk opwindend, maar het laat ook horen dat deze drie zoveel meer zijn dan grove geweldenaars. Edwards en Noble halen werkelijk alles uit die instrumenten, van aanstekelijke grooves en onalledaagse klanken tot het stuwende samenspel dat de Duitser verder opjut. Is de eerste plaathelft de robuuste intentieverklaring, dan is de iets ingetogener (alles is relatief, natuurlijk) tweede albumhelft, met z’n klagende tarogatosolo en het verfijnde spel van de Britten, de echte kroon op het werk. Prachtplaat.

Peter Brötzmann Chicago Tentet – Walk, Love, Sleep 2CD (Smalltown Superjazzz, 2012)

Voor wie er allemaal geen genoeg van krijgt en een paar jaar geleden ook al op de eerste rij stond om de vijfdelige box 3 Nights In Oslo te kopen, is er nu Walk, Love, Sleep, dat opgenomen werd tijdens de Tentet-driedaagse in Bröztmanns heimat, Wüppertal. Hoewel de topperformance, een kolossale groepsimprovisatie die afgerond werd met een finale met een heroïsche grandeur, wat ons betreft een dag later gegeven werd, bevatten deze twee cd’s bijna 100 minuten collectieve improvisatie van een monsterband (Brötzmann, Gustafsson, McPhee, Vandermark, Lonberg-Holm, Bishop, Bauer, Holmlander, Kessler, Zerang en Nilssen-Love!) op de piek van zijn kunnen. Het schiet regelmatig alle kanten uit, barst uit z’n voegen en klettert en schettert er op los, maar tegelijkertijd zagen we nooit een band die met zo’n gezamenlijke intuïtie een richting uit knalde. Voorbij uitdagend en opwindend maximalisme. Titanenwerk voor doorzetters.

Peter Brötzmann speelt op 19/1 in Les Ateliers Claus (Brussel) met drummer Steve Noble. Bassist Peter Jacquemyn speelt een solo concert. Bovenstaande releases zijn verkrijgbaar via Instant Jazz.

E-mailadres Afdrukken
 
Peter Brötzmann

Uit ons archief
Banner

TEST