Banner

COLUMN : DJANGO

Toon Waroux - 04 september 2018

Column : Rooting Interest ::

Elke maand schrijft onze correspondent Toon Waroux over muziek met wortels

Een lange tijd bestond mijn kennis van de jazz uit een verzamelalbum van Louis Armstrong en eentje van Toots Thielemans. Beiden erfstukken van mijn grootvader. Van Dave Brubeck en Miles Davis had ik natuurlijk ook al wel eens gehoord, maar dat was het wel zowat. Onbekend maakt onbemind en het leek me vooral muziek voor intellectuelen met sigaren en ringbaardjes. Totdat ik op een zwoele zomernacht op de trappen van het KMSKA een trio aantrof dat met 2 akoestische gitaren en een viool de sterren van de hemel speelde. Er lag zelfs geen hoed, ze speelden puur voor de fun. Er circuleerde een fles rum en een sigaret ter grootte van een vuvuzela. Soms vertraagden ze een beetje, zodat er koppels begonnen te dansen, maar het merendeel van hun repertoire was zo razendsnel gespeeld dat dansen een olympische fysiek vergde. Hier zat meer rock & roll in dan in de gemiddelde act op pakweg Pukkelpop. Het vlamde als een gesmeerde mitraillette. Enige navraag leerde me dat dit genre gipsy swing, of manouche jazz werd genoemd. En dat we dit met recht en rede een nationale trots konden noemen. Slechts weinigen in de muziekgeschiedenis kunnen zeggen dat ze eigenhandig een nieuwe stijl hebben gecreëerd, maar met Django Reinhardt hebben wij toch een landgenoot die hier aanspraak op kan maken.

Deze Sinti-zigeuner werd geboren in Liberchies (Henegouwen) en creëerde in de jaren ’30 samen met zijn kompaan Stephane Grapelli de eerste echte Europese jazz. Hun Quintette du Hot Club de France was een sensatie in het swingende Parijs van die tijd. Zelfs de grote Duke Ellington was zozeer onder de indruk dat hij Django uitnodigde om op tournee te gaan. Dat plan liep vertraging op doordat Django tijdens de tweede wereldoorlog niet weg kon uit het bezette Frankrijk, maar in 1946 kwam het er dan toch van. Naar eigen zeggen was het een mislukking (Django was nooit goed geweest in strakke afspraken en verplichtingen), maar hij heeft daardoor wel zijn stempel gedrukt op een hele generatie Amerikaanse gitaristen. Rolling Stone noemt hem de meest invloedrijke pre-rockgitarist. Van bluesgod BB King en country icoon Chet Atkins tot Tommi Iomi van Black Sabbath komt Django steeds terug ter sprake als groot voorbeeld.

Na de oorlog kwam er ook in de jazz een golf van Amerikanisering en moest alles modern zijn. En zo werd de Swing Manouche een eerder obscure stroming. Er moest vooral bebop, cool en free gejazzt worden vanaf dan. Ook nu nog is die tendens voelbaar; zowel bij jazzcritici als bij de grotere jazzfestivals wordt er vaak wat meewarig gedaan over (gipsy) swing. Je treft die bands vaker aan op pleinfeesten en dergelijke dan op pakweg Jazz Middelheim.

De echte jazz manouche werd steeds minder en minder gespeeld, vooral in eigen land (in Frankrijk is de geest van Django meer blijven hangen). Zo moest Vaya Con Dios ver gaan zoeken om een gitarist te vinden die in staat was om live de partijen na te spelen die in de studio door ene Koen de Cauter op plaat gezet waren. Als één van de laatste der Mohikanen hier te lande trok De Cauter hard aan de kar om het nalatenschap van “vader” Django terug leven in te blazen. Niet alleen met zijn familiebedrijf Waso Quartet, maar ook als bezieler van Djangofollies. Dat stadsfestival ontstond midden jaren ‘90 als jaarlijks evenement na een gelijkaardig, zeer succesvol, maar eenmalig project in de Beursschouwburg. Het heeft een sneeuwbaleffect gegenereerd bij zowel andere organisatoren en een breder publiek, als bij een hele schare jonge muzikanten, zodat er opnieuw een hele generatie is die de stijl herontdekt heeft. Door de raakpunten met etnische muziek, chanson en klassiek, zijn er ook veel muzikanten die instromen vanuit zeer diverse achtergronden. Swing leent zich dan ook bij uitstek voor communicatie via muziek, waar taalbarrières een gesproken dialoog onmogelijk maken. Ik heb Libanezen, Russen en Amerikanen gezien, die geen van allen elkaars taal spraken en toch in een mum van tijd elkaar gevonden hadden in dat opzwepende ritme.

Door de typische line up van gipsy swing, zonder drum en met akoestische gitaren, sluit deze beweging ook heel goed aan bij de tendens om terug naar kleinschaligere evenementen te gaan, iets waar ik het in een eerdere column al uitvoerig over had. Voor veel cafés is het in deze tijden van klagende buren en agressieve politiediensten dan ook een voordeel om energieke doch basdrumloze livemuziek te kunnen programmeren. Bovendien is het ook nog muziek die gesmaakt wordt door een publiek dat andere genres binnen de jazz links laat liggen. Met een glas pastis in de hand, op een nachtelijk zomers terras, kan zo’n gipsy swing combo je op wereldreis sturen in je eigen stad. Een beetje zoals daar op de trappen van het KMSKA dus.

E-mailadres Afdrukken
Tags: Django