Banner

Altertape

"Het samengooien van ideeën is toch vaak net wat kunst tot kunst maakt"

Nick Delafontaine - 19 juli 2016

Tussen het geraas van de zomerfestivals door peddelt ook Altertape vastberaden een eigen richting uit. Hoe die tegenwoordig klinkt, kun je op woensdag 20 juli gaan fijnproeven in de Gentse Spiegeltent, in Baudelo, waar stad hof wordt en de plaatselijke Feesten wel vaker hun hoogtepunt beleven. Met hun nog warme EP Nandrin Sessions onder de arm, de opvolger van eersteling Glasstic Drops, vroegen wij frontman Jonathan Callens wat Altertape zo uniek maakt.

enola: Hoe groot is de muzikale evolutie tussen de twee platen?
Callens: “Live valt die misschien iets minder op, maar de eerste plaat was veel meer geproducet, veel afgelijnder. De commentaar op de plaat was dan ook dat het live veel steviger en met meer lef gebracht werd. Dat probeerden we aan te passen op de tweede plaat.”

enola: Zeker de eerste song is een stuk steviger.
Callens: “Op het eerste album staan ook een paar stevige nummers, maar het is toch anders. Het eerste album was meer doordacht knip- en plakwerk, terwijl we ons nu meer lieten gaan.”

enola: Het klinkt inderdaad meer live. Ik hoor een grote liefde voor de instrumenten nu.
Callens: “Op de tweede plaat is het plezier van het samenspelen inderdaad te horen. Alle songs zijn in een of weinig takes opgenomen en eens de keuze gemaakt was, hebben we niks meer aangepast. Dat is een fijne manier van werken.”

enola: Bij de vorige plaat noemde je Thom Yorke en Autechre als voornaamste inspiratiebronnen. Geldt dat voor Nandrin Sessions nog steeds?
Callens: “Ja, dat denk ik wel. Ik weet niet of de nieuwe muziek die ik heb leren kennen zoveel invloed gehad heeft. Nils Frahm vind ik een geniaal artiest, maar ik denk niet dat mijn muziek daarom meer in die richting geëvolueerd is.”

enola: Nils Frahm lijkt me inderdaad meer bij de eerste plaat te passen. Doe je soms inspiratie op bij muzikanten die in een volledig ander genre werken?
Callens: “De bands die ik goed vind, combineren allemaal verschillende stijlen. Ik heb weinig met bands die een aspect proberen te perfectioneren - voor mij geen Bob Dylan-kloons bijvoorbeeld. De muziek waar ik van hou is erg eclectisch en zo werken wij ook. Ik kan me niet voorstellen dat de muziek van Altertape plots door country beïnvloed wordt.”

enola: Je toerde met Kiss The Anus Of A Black Cat in Duitsland. Vind je daar invloeden waar je hier minder snel mee in contact zou komen?
Callens: “KTAOABC is ook erg geëvolueerd. De dronefolk is ingeruild voor een meer elektronisch geluid. De benadering is ook totaal anders dan die van ons. Stef (Heeren, enola) vertrekt vanuit een synthmelodie waar hij een strakke drum op wil, terwijl Altertape meer jazzy te werk gaat. Het idee om vanuit repetitieve drums te werken spreekt me wel aan, vooral omdat het live ook een meerwaarde biedt. Je raakt in een soort trance, terwijl onze jazzy invloed de muziek meer laat variëren, wat een ander publiek aanspreekt.”

enola: Heb je die afwisseling nodig als creatief wezen, om enerzijds scheppend muzikant en anderzijds ‘maar’ een deeltje van de machine te zijn?
Callens: “Ja, ik steek daar erg veel van op. Hoe meer verschillende stijlen, hoe beter. Je vindt altijd wel een aanknopingspunt. En net zoals Altertape mijn project is, is KTAOABC dat van Stef. Hij is bijvoorbeeld wel al eens van muzikanten veranderd en de optredens met de voorlaatste plaat waren met een analoge drumcomputer in plaats van een echte drummer. Hij maakt keuzes die zijn muziek op dat moment het meest ondersteunen.”

enola: Je geeft ook les en doet dat vanuit een theoretische achtergrond. Veel elektronische muzikanten houden meer van gevoelsmatig werk en niet van al te veel theoretische kennis. Callens: “Het een sluit het ander niet uit. Ik vind ook dat muziek instinctief moet komen. Als ik nummers schrijf, ben ik nooit bezig met het uitzoeken van akkoordprogressies, wat erg veel gestudeerde muzikanten wel doen. Zelfs in de jazz merk je vaak dat de uitvoering een vrije vorm van zo’n akkoordprogressie is. Mensen die improviseren zoeken tot ze iets vinden dat goed klinkt en het is niet omdat ze theoretisch niet weten wat ze gedaan hebben, dat het minder goed is. Ik hou ervan om intuïtief te werken. Ook al ben ik best een goeie drummer, toch wil ik prutsen tot ik iets nieuws vind. Dat gaat vaak gemakkelijker op piano omdat ik dan weer géén goeie pianist ben, dus wat ik daar doe is altijd vallen en opstaan. Als ik het achteraf aan de band wil voorleggen, vertaal ik het naar akkoorden en ben ik wel blij dat ik dat kan en er de theoretische bagage voor heb.”

enola: Je zegt niet tegen de band: ‘Ik wil dat dit klinkt als een blauwe muur die desintegreert’?
Callens: “Dat vind ik misschien wat vergezocht, ja. Je muzikanten moeten wel erg goeie verstaanders zijn om daar iets van te kunnen maken.”

enola: Je hebt voor de plaat vaak live opgenomen. Is dat als band dan ook hoofdzakelijk intuïtief te werk gaan?
Callens: “Er zijn wel cues. We hebben arrangementen waarop we repeteren en we improviseren een tijdlang, waarbinnen we een aantal afspraken maken zodat de spanningsboog behouden blijft. Bij KTAOABC spelen we soms een noisestuk van tien minuten, maar ook daar moet je wel afspraken in hebben, anders is het te ad random. Het is niet zo dat alles op papier staat, al zijn er zo ook wel nummers die ook telkens op de seconde even lang duren.”

enola: Part 11 deed me aan Jimi Hendrix denken. Een andere soort improvisatie.
Callens: “Ik snap het wel. De groove is klassieker, de beat is een beetje gepikt van Paul Simon, maar de gitaarsolo die erover komt is inderdaad meer noisesolo dan bluesy.”

enola: Hoe gaat Altertape de toekomst tegemoet?
Callens: “We hebben een optreden gehad met STUFF., dat goed bij ons past. Ik zie ons in de toekomst meer richting elektronica gaan, minder jazzy dan Nandrin Sessions. De volgende plaat zal ook anders klinken; dat hangt ervan af of we in de periode voorafgaand aan de opnames veel of weinig live hebben gespeeld. De invloed die dit heeft op hoe ik nummers schrijf is niet onbelangrijk.”

enola: Het artwork van STUFF. ist van de hand van Rinus Van de Velde. Ook met jullie artwork is iets bijzonders aan de hand.
Callens: “Het komt uit Storm, een sciencefiction stripverhaal. In een notendop: een ruimteschip met kopieën van de aarde – onder meer van Storms ouderlijke woning - moet vernietigd worden. De drie kerels die je op de hoes ziet, zitten in die kopie van zijn ouderlijke omgeving. Ik vind het een interessante parallel met wat wij met ons drieën doen. Onze bandnaam verraadt het ook een beetje: we gaan uit van ‘tapes’ die we aanpassen, loopen, moduleren, waar we kortom ons eigen ding mee doen. Van het origineel blijft slechts een oppervlakkige laag over. Wie de stripreeks kent, weet dat de afbeelding een digitale remake is van het origineel. Zo willen wij ook klinken. De naam Nandrin Sessions komt trouwens van de plaats waar ik het gros van de nummers geschreven heb. Ook dat huisje doet qua stemming denken aan de tekening op de cover. En toevallig zijn we ook met drie.”

enola: Ook de muziek is een samenkomen van zintuigen. Ik vond de plaat erg filmisch.
Callens: “Met mijn muziek kan ik niet een specifieke plaats en tijd evoceren. Daar ken ik mijn klassiekers te weinig voor. Daarom is het inderdaad meer synesthesie dan een concrete verwijzing. Het proberen kopiëren van iets anders stopt ergens, ik moet er zelf mee aan de slag kunnen.”

enola: Blijft er in je eindproduct veel overeind van je initiële idee op die manier?
Callens: “Meer en meer. Het grote verschil met de eerste plaat is dat ik de muzikanten nu veel beter ken en dat mijn ideeën nu veel meer geschreven zijn met hen in het achterhoofd, waardoor zij zich ook meer kunnen profileren, omdat ze meer vrijheid hebben. De dingen die zij met mijn composities hebben gedaan, had ik zelf nooit kunnen bedenken. Als ik indicaties gaf als ‘meer open’, ‘meer drukkend’, ‘rustiger’ – geen blauwe muur die instort – konden ze er iets mee.”

enola: Kan Altertape naar een echte band evolueren, of blijft het toch altijd jouw project?
Callens: “Ik beslis dat niet alleen. Als mijn bandleden dat vragen, kunnen er wel dingen veranderen. Ik wil de richting wel graag blijven bepalen, maar omdat ik graag met hen speel, zal dat altijd een richting zijn waar ze hun plaats in hebben. En als ze meer inspraak willen in de arrangementen, moeten ze dat maar op tafel gooien. Er kunnen wel muzikanten – een keyboardspeler bijvoorbeeld – bijkomen, maar hen inwisselen zal toch niet snel gebeuren. Mijn muzikanten hebben veel vrijheid om hun instrument in te vullen zoals ze willen, en dat is verrijkend. Het is ook dubbel. Er valt wat te zeggen voor de puurheid van het artistieke product van een individu, maar het samengooien van ideeën is toch vaak ook net wat kunst tot kunst maakt.”

E-mailadres Afdrukken