Banner

Iceage

‘‘De songs zijn onze kinderen, de concerten als seks’’

Jeroen Verschakelen - 09 mei 2018

Zou het overdreven zijn om het Deense Iceage de redders van de rock ’n roll te noemen? Ja, ook in een tijdperk waarin elektronische muziek hoogtij viert, is er méér nodig dan een handvol obscure gitaarplaten om die titel te verdienen. Al ontbreekt het zanger Elias Bender Rønnenfelt, gitarist Johan Wieth en hun bandgenoten zeker niet aan ambitie: hun nieuwe album laat een breder klankenpallet horen en men zou dus kunnen stellen dat het viertal uit Kopenhagen klaar is voor de grotere podia. Maar verwart u de honger van deze jonge wolven zeker niet met optimisme, want hun meest recente worp is weer zo cynisch als maar kan. Tegelijkertijd kan Beyondless dankzij de scherpe productie toch bogen op een ietwat toegankelijker geluid.

Rønnenfelt: “We hebben het nieuwe album zelf geproduceerd samen met Nis Bysted, een muzikant en producer die we al heel lang kennen en waarmee we op al onze platen hebben samengewerkt. Toen we nog tieners waren, luisterden wij naar zijn band; hoewel hij oorspronkelijk niet professioneel actief was in de muziekwereld, had hij wel een klein underground label waarmee hij uiteindelijk onze eerste 7 inch heeft uitgebracht (een titelloze EP uit 2009, jv). Die EP begon wat aandacht te genereren, en we hebben hem dan maar als onze zaakwaarnemer aangesteld – we hebben het geluk gehad dat we nooit met echte managers hebben moeten omgaan (snuift). Je kan in ieder geval zeggen dat Nis best wel belangrijk voor ons is.”
“En ook Johan en ik kennen elkaar al sinds onze jeugd, van toen we elf waren om precies te zijn. We spelen tegenwoordig trouwens ook samen in Marching Church, mijn zijproject. Of ik met hem een specialere band heb dan met de andere groepsleden? Niet per se, hij is gewoon een geniale gitarist en dát is de reden waarom ik zijn expertise ook voor het tweede album van Marching Church wou gebruiken. Niet dat ik alleen kan samenwerken met mensen die ik al jaren ken hoor, maar er moet toch een soort gemeenschappelijke visie en chemie aanwezig zijn opdat je samen iets kan creëren. Het is iets heel persoonlijks, ik zou nooit met iemand willen werken als ik niet het gevoel zou hebben dat ik goed met die persoon overweg kan.”
Wieth: “Inderdaad, ik kan mij niet inbeelden dat ik creatief bezig zou zijn met iemand waarmee ik geen band heb: je moet elkaar kunnen vertrouwen. (denkt na) Soms hoor je verhalen over groepen waarvan de leden nooit met elkaar praten tenzij het echt moet… Zo’n situaties zijn echt absurd. Als je deze job wil doen, moet je in relaties kunnen investeren.”
Rønnenfelt: “Weet je, een band werkt een beetje zoals een huwelijk: de songs zijn onze kinderen, en de optredens zijn de seks. Het lijkt mij nogal vreugdeloos om niet met je bandleden te kunnen praten – wij zouden er gewoon mee stoppen als we ooit dat stadium zouden bereiken. Al zie ik dat eerlijk gezegd niet snel gebeuren. De leden van Iceage zijn allemaal uit hetzelfde hout gesneden: we zijn niet alleen samen opgegroeid, maar we hebben ook dezelfde interesses en delen een bepaalde kijk op het leven.”

enola: Jij bent degene die de lyrics schrijft, dus het zijn jouw gedachten die de band uitdraagt. Om het scherp te stellen: wie zegt dat de rest van de groep jouw visie deelt?
Rønnenfelt: (zelfverzekerd) “Ik ben een goede tekstschrijver, dus ik denk niet dat ze een reden hebben om het niet met mij eens te zijn. Plus, dat is nu eenmaal hoe het werkt: als zanger sta je altijd meer in de schijnwerpers. Maar in een bepaalde groove of gitaarpartij kan je evenzeer ziel en emotie leggen; ook dat is een waarachtige vorm van zelfexpressie, een uitlaatklep.”
Wieth: (nuchter) “Het is Elias die zijn ziel blootlegt, maar de overige groepsleden zouden best inspraak kunnen krijgen in de teksten als we dat zouden willen. Trouwens, op de eerste twee platen lag de nadruk ook minder op de lyrics.”
Rønnenfelt: “Toen had ik mijn eigen taal nog niet echt gevonden.”
Wieth: (tegen Rønnenfelt) “Op Plowing Into The Field Of Love ontdekte je voor het eerst wat voor jou werkte, en dat heb je op dit album ook doorgetrokken.”
Enola: Johan, is gitaar spelen bij Iceage voor jou nu anders dan in het begin?
Wieth: “Zeker. Het gaat nu makkelijker, hoewel mijn partijen tegenwoordig complexer zijn. Ik probeer altijd te evolueren in mijn spel, en de nummers op onze nieuwe plaat laten meer ruimte voor mij om te improviseren. Het is zeker en vast een gitaarplaat geworden waarop ik mij goed kan uitleven, al wordt de muziek nu minder gedragen door riffs.”
Rønnenfelt: “Inderdaad, in het verleden zat je echt aan die gitaarmotiefjes vast: alles was gebaseerd op een riffje dat overging in een ander stukje, enzovoort. Na het tweede album wilden we de zaken echter opengooien, meer ruimte laten in de songs en vooral meer drama creëren. Het mocht allemaal wat minder direct klinken. (wikt en weegt zijn woorden) Kwestie van een breder emotioneel pallet aan te boren misschien, of toelaten dat een bepaalde song je gevoel op een meer complexe manier overbrengt.”

enola: Hebben jullie veel tijd nodig gehad om dit album in te blikken?
Wieth: “Nee, we gunnen onszelf altijd net te weinig tijd, zodat er een zekere urgentie ontstaat. Dat hebben we voor al onze platen gedaan tot nu toe, en het zorgt ervoor dat we telkens gedwongen worden keuzes te maken in plaats van te blijven sleutelen. Het is belangrijk om gewoon je gevoel te volgen. Wij zijn niet het soort groep dat honderd takes voor een song nodig heeft.”
Rønnenfelt: “Soms hoor je verhalen over mensen die zes maanden in een opnamestudio verblijven. Ik zou gek worden! Het is gevaarlijk als je zoveel tijd krijgt om aan jezelf te twijfelen.” Wieth: “Zoals die legendarische snaredrum op Darkness On The Edge Of Town waaraan Springsteen en de zijnen zogezegd twee weken hebben zitten schaven... Ik denk dat de meeste mensen niet malen om dat soort pietluttigheden.”
Rønnenfelt: (snel) “Waarmee we echter niet willen zeggen dat onze muziek niet gedetailleerd is, hoor. Maar wij houden nu eenmaal van flirten met de deadline en de stress die daarbij hoort. Er is een vast aantal songs dat we moeten afwerken, en na een tijdje kijken we op de klok en beseffen we ‘shit, tijd om aan het werk te gaan.’ Ons debuut hebben we opgenomen in drie dagen, en we merkten dat die werkwijze ons beviel. Beslissingen nemen gebeurt dan heel spontaan, je moet altijd alert zijn en voor slapen is niet veel tijd. Iedereen moet voortdurend op de toppen van zijn tenen lopen, daardoor zijn opnamesessies altijd bijzonder memorabel.”
“Hoewel het tweede album van Marching Church veel meer om studiowerk draaide, hebben we ook voor dit Beyondless meer extra lagen opgenomen dan ooit tevoren. Niet dat we voortdurend aan de details prutsten, maar we hebben wel veel nagedacht over hoe we percussie, strijkers en andere in de studio rondslingerende instrumenten konden toevoegen. Daardoor konden we mogelijkheden benutten die we aanvankelijk zelfs niet in de songs hadden gezien en dat is best goed uitgepakt. Niet dat we de perfectie bereikt hebben, maar we hebben wel de werkwijze gevonden die ons het beste schikt. Al gaan we in de toekomst mogelijks dingen schrijven die een andere aanpak vergen.”
enola: Gebeurt het schrijfwerk soms ook in de studio?
Wieth: “Nee, in de studio schrijven we geen nummers; hoogstens veranderen we het aantal maten op het einde van een track. Het creatieve proces zelf kan je namelijk niet forceren.”
Rønnenfelt: “Jezelf een vast aantal werkuren opleggen levert ook geen garantie op dat het resultaat goed zal zijn. In schrijven kruipt veel werk: soms gaat het gemakkelijk, en soms kan je alleen maar blijven wroeten en wachten tot het goed zit. Het kan zijn dat we tijdens een repetitiesessie experimenteren met iets dat niet echt werkt – dan zit er niets anders op dan het opzij te duwen en rustig te laten sudderen. Ofwel verdwijnt het dan, ofwel lost het probleem zichzelf op.”
“Maar het is ook mogelijk dat we iets proberen en dat alles ineens op zijn plaats valt. Dan voel je dat een bepaald gedeelte bijvoorbeeld op die specifieke plaats moet komen, een ander stukje verlengd moet worden enzovoort. Op zo’n momenten komt het juiste idee gewoon op het juiste moment. De reden waarom wij zo goed kunnen samenwerken, is dat we op dezelfde manier aanvoelen wanneer het goed zit. Op een topdag kom je de repetitieruimte buiten met je armen in de lucht: er is iets nieuws gebeurd, al weet je nog niet wat het is – zolang je het niet hebt opgenomen, hangt er een soort spanning rond want het is nog niet duidelijk welk potentieel het heeft.”
Wieth: “En als je een song 35 avonden na elkaar live moet spelen, treden er onvermijdelijk veranderingen op. Dan begin je er meer in te zoeken dan het oorspronkelijke idee.”
Rønnenfelt: “De songs blijven inderdaad altijd evolueren, ook degene die we in het verleden al hebben uitgebracht: je bouwt voortdurend voort en voegt nieuwe details toe. Soms speel je iets verkeerds, maar blijkt die zogenaamde fout wonderwel te werken. Dan incorporeer je het gewoon in het nummer.”

enola: Die vrijheid om te blijven groeien lijkt heel belangrijk te zijn voor jullie. Is dat de reden waarom jullie er niet van houden wanneer recensenten jullie werk proberen te definiëren?
Rønnenfelt: “De muziek kiest verschillende richtingen en drukt conflicterende gevoelens uit; dat zorgt voor een complex geheel dat sowieso moeilijk te vatten is. Journalisten komen altijd met interpretaties – die kunnen juist of fout zijn, sommige referenties liggen er vingerdik op en andere zijn minder duidelijk, maar uiteindelijk wil ik die verschillende lezingen niet bevestigen of ontkennen. Alles wat je moet weten staat in de lyrics, en ik kan je zeggen dat ik alvast zeer tevreden ben over mijn eigen schrijfsels.”
Wieth: “Het is normaal dat recensenten de muziek willen begrijpen en verklaren. Maar wij willen ons werk niet laten categoriseren. Je kan erover praten, maar het is redelijk oninteressant om te discussiëren over of iets nu als The Birthday Party klinkt of niet.”
Rønnenfelt: “Sommige bands stoppen zichzelf al in een vakje vooraleer iemand één noot van hen heeft gehoord. En ook al krijg je zo’n label misschien terecht, wij kunnen daarmee nooit akkoord gaan want we mogen onszelf niet vastketenen aan een bepaald genre. We mogen mensen niet de indruk geven dat ze ons doorhebben: we weten zélf nog niet waarvoor we staan. Het klopt dat we een rockband zijn, maar daar stopt het gesprek. Of onze muziek punk mag heten? (ongeduldig) Dat doet er toch niet toe!”
“We willen vooral dat onze muziek mensen bereikt die er iets uit kunnen halen. De pers kan daartoe bijdragen, maar het verandert niets aan onze eigen perceptie van wat we doen. Je kan muziek niet in een rechtbank beoordelen, daarvoor is het veel te individueel.”
“Sommige muziek is onmiskenbaar rommel, al wil dat niet per se zeggen dat zo’n bands minder fans hebben. Ik denk niet dat het een kwestie van aantallen is, het is niet zoals democratie: het feit dat iets veel aandacht genereert of veel fans heeft, impliceert niet noodzakelijk dat er ook kwaliteit in zit en het die aandacht ook verdient. Dat gezegd zijnde: de meeste mensen zijn het erover eens dat The Godfather een goede film is, en ik ben geneigd hen gelijk te geven. Er bestaat dus blijkbaar toch een bepaalde manier om het goede te canoniseren. Als mensen zich ermee kunnen identificeren, dan heeft het waarde voor hen.”
“Wat wij doen, kan door sommigen als geniaal bestempeld worden maar is evengoed talentloze bagger voor anderen. Het is een leuke gedachte dat muziek zoiets kan. Ik ben overigens een grote fan van de Franse auteur Jean Genet, en ik denk de rest van de band ook. Hij was geweldig in het laten botsen van iets lelijks en iets moois waaruit dan iets nieuws kon ontstaan. Of misschien probeerde hij de grenzen tussen het lelijke en het mooie te doen vervagen. In ieder geval slaagde hij erin schoonheid te vinden op de meest onwaarschijnlijke plaatsen.”
“En dat kan je ook toepassen op sommige zaken die wij doen, al weet ik niet of Genet echt een rechtstreekse invloed is. Wij proberen gewoon een aantal dualiteiten met elkaar te confronteren en te kijken wat er dan gebeurt. (denkt na) Het draait om iets innerlijks naar buiten te doen stromen. Je probeert een gevoel in iets tastbaar om te zetten, en dat is nooit een rechtstreekse vertaling. Muziek of tekst fungeren als een soort excuus dat je verzint om die emotie te materialiseren. En bij ons is het resultaat vaak iets vreemds.”
“Kijk, als mensen zich erin kunnen vinden, dan is dat fantastisch. En indien niet, dan zullen ze wel iets anders vinden dat hen beter bevalt. Wij staan in ieder geval zelf achter ons werk en weten wat het waard is: geen enkele recensent zal dat ooit kunnen veranderen. Beyondless is een fucking goeie plaat geworden, en het zou mij verbazen moest niemand het album appreciëren. (snel) Maar ik ben ervan overtuigd dat dat geen probleem zal zijn.”
Wieth: “Of we onszelf arrogant vinden? Laten we zeggen dat we stevig in onze schoenen staan (glimlacht).”

Iceage staat op 6 mei in de Brusselse Botanique.

E-mailadres Afdrukken
Tags: Iceage