Banner

The Dream Syndicate

23 mei 2013, Het Depot

Guy Peters - foto's: Geert Vandepoele - 24 mei 2013

Het zijn gouden tijden voor nostalgische gitaarliefhebbers in deze contreien. Amper een paar dagen nadat Come (ooit nog de backing band op Steve Wynns Melting In The Dark) de Lage Landen aandeed, begint het legendarische The Dream Syndicate in Leuven aan zijn eerste échte reünietournee. Dat startconcert liet horen dat de songs van de band nog altijd fier overeind staan, maar dat de uitvoering ervan nog wat groeimarge heeft. Wel fijn om vast te stellen dat het publiek deze band nog niet vergeten is.

Frontman Steve Wynn is sinds het ontbinden van de band in 1989 (haal voor een samenvatting van hun parcours de fantastische livedubbelaar Complete Live At Raji’s in huis!) dan ook niet blijven stilzitten. Met een goed dozijn albums, waartussen een paar indrukwekkende uitschieters, een handvol boeiende samenwerkingsverbanden en een druk tourschema is de songschrijver altijd de banden blijven aanhalen met zijn loyale aanhang, ook in Europa. Dat zorgt er nu ook voor dat Het Depot mooi gevuld is voor een band die in zijn tijd wat onder het oppervlak bleef. We kregen voor de start van het concert nog te horen dat de band in de jaren tachtig twee maal in België speelde, wat bevestigd werd door een aanzienlijk deel van het publiek. Als gevorderde dertiger zaten we voor een keer dan ook onder de gemiddelde leeftijd.

De band dan maar. Die speelde vorig jaar al een paar concerten in Spanje ter gelegenheid van de dertigste verjaardag van debuutplaat The Days Of Wine And Roses (1982). Als je moeilijk wil doen, dan kan je beweren dat je eigenlijk maar een halve originele Dream Syndicate te zien krijgt, want enkel Wynn en drummer Dennis Duck waren er vanaf het begin bij. Bassiste Kendra Smith en gitarist Karl Precoda zijn zo’n beetje van de kaart verdwenen en werden vervangen door Mark Walton (Steve Austin met een hoed op), bassist bij de band van 1985 tot 1989, en gitarist Jason Victor, de vaste gitarist van Wynns huidige begeleidingsband The Miracle 3. Wie deze snarengeselaar al aan het werk zag, weet echter dat hij de aangewezen man is om de plaats van Precoda op te vullen.

In een interview gaf Wynn onlangs mee dat set lists van show tot show zouden veranderen. Deze keer was het even wachten op werk uit de klassieke plaat, want de band trakteerde het publiek eerst op een dwarsdoorsnede uit zijn latere albums. Met “See That My Grave Is Kept Clean” en “Daddy’s Girl” kreeg je dan ook een heel andere gedaante te horen dan die van de jonge, noisy incarnatie. Tussen zijn debuut en het erop volgende Medicine Show (1984) onderging The Dream Syndicate immers een vrij ingrijpende gedaantewisseling, waarbij de gortdroge grootstadsrock evolueerde naar een meer rootsgeoriënteerde stijl, wat zich ook liet horen in de wat gladde en gedateerde 80’s klank van de andere albums.

Zo gepolijst als Medicine Show in de handen van producer Sandy Pearlman ging klinken, zo lomp bonkend ging het ook nu van start. Door een potige ROCK-sound die vooral Walton en Ducks kick drum ten goede kwam, miste het kwartet snedigheid en klonken de vier als een bar band met een punkverleden. Het zou een tijdje duren voor de sound op punt gesteld was (misschien bewust, om de fases van elkaar te onderscheiden?), maar het was een beetje pijnlijk dat er van Wynns gitaarwerk zo goed als niks te horen viel. Jammer, want het verstrengelde gitaarwerk was net een van de troeven van de band. Het werd ook snel duidelijk dat deze line-up niet de strakheid had van Wynn & The Miracle 3. Linda Pitmon heeft bakken meer energie dan Duck en het samenspel voelde soms wat stroef aan.

Duck was ook niet bepaald een metronoom. Tijdens “Bullet With My Name On It” liet hij het tempo wat (te veel) zakken, waardoor de song drammerig ging aanslepen. Gelukkig werd ook duidelijk dat Wynn een voorbeeldige songschrijver is, waardoor songs als “Now I Ride Alone” en “The Side I’ll Never Show” er moeiteloos in gingen. Het eerste échte hoogtepunt viel echter pas te beleven met “Boston”, toen het geluid in zijn plooien gevallen was en de intensiteit serieus het rood in dook. Het was meteen ook het startschot om The Days Of Wine And Roses boven te halen. Die plaat werd integraal én chronologisch erdoor gehaald.

“Tell Me When It’s Over” klonk nog wat rommelig, maar vanaf het vinnige “Definitely Clean” was de band opgewarmd en werd met scherp geschoten, waardoor het klassieke “That’s What You Always Say” zorgde voor het eerste spetterende gitaarduel. Een hoogtepunt dat aangehouden werd tijdens de rammelende garagerock van “Then She Remembers” en “Halloween”, waarin Wynn eens het voortouw kon nemen met een ontregelde solo. Victor slaagde dan weer op de feedbackproef die “When You Smile” is. Net als op het album zakte het concert even in bij het tweeluik “Until Lately” (waarin Wynns kwetsbare zang het nog moeilijker dan anders kreeg) en “Too Little, Too Late”, maar dat ging over in een ijzersterk “The Days Of Wine And Roses”, nog altijd een niet kapot te krijgen rockklassieker die stijf stond van de adrenaline.

Echt bevrijd klonk de band pas in het eerste bisnummer, een lawaaierige versie van het populaire jamstuk “John Coltrane Stereo Blues”, met een moment van knetterende gitaarmasturbatie dat zelfs de muzikanten leek te verbazen. Zowel in de carrière van The Dream Syndicate als in die van Wynn is het een vaste waarde geworden. Dat ze er niettemin in geslaagd zijn om het opnieuw uit te bouwen tot een deels geïmproviseerde brok razernij was dan ook een straffe bonus. Tot slot werd afscheid genomen met het toepasselijke “When The Curtain Falls” (de laatste song op hun laatste album Ghost Stories) en een broeierige versie van “Merrittville”.

Met een volledige uitvoering van hun onbetwistbare klassieker en een gulle greep uit de rest van de discografie bewees de band nog eens een van de meest onderschatte gitaargroepen van de jaren tachtig te zijn geweest. De verhoopte triomf was dit concert niet, daarvoor voelde het kwartet niet genoeg aan als een hechte eenheid (wel het geval bij Come). Bovendien waren de zenuwen duidelijk voelbaar aan wat slordigheden, een naar Wynns normen nogal beperkt gebrek aan interactie met het publiek en hier en daar het gevoel dat met de handrem op gespeeld werd. Maar niettemin: een mooi overzicht van een band die zijn plaats in de galerij der gitaargroten mag opeisen. Nu nog The Wipers.

E-mailadres Afdrukken