Banner

Jazz Middelheim 2013 ::15-18 augustus 2013, Park Den Brandt

Joris Peeters & Guy Peters - foto's: Joris Peeters - 18 augustus 2013

Gespreksonderwerp #1 tijdens de eerste festivaldag: het afzeggen van Randy Newman en (vooral) de zoektocht naar een waardige vervanger. Een op voorhand verloren strijd, maar het leidde niettemin tot een fijn potje namen werpen (Dr. John! Elvis Costello! ZORN! David Byrne! Billy Joel!). Voor de rest was het vooral opvallend rustig in het park. Festivalmoeheid in Vlaanderen? Of trekt zo’n 91e verjaardag van een icoon gewoon een pak minder volk dan een met veel tralala aangekondigde 90e? Eén geruststelling voor de afwezigen: de eerste dag was geen topper.

Donderdag 15 augustus

En dan kregen we nog het Rocky-scenario: het Manuel Hermia Trio, lokale underdog van dienst, speelde met gemak de pannen van de tent. Zijn ‘rajazz’, een persoonlijke leer die leentjebuur speelt bij Oosterse muziek en wat vaag spiritueel gefilosofeer, doet op papier vrezen voor een set goedbedoelde, maar wollige Oxfammuzak, maar in werkelijkheid leidde het tot broeierige, regelmatig hypnotische excursies tussen John en Alice Coltrane. Met Manolo Cabras en João Lobo beschikt Hermia alleszins over twee kompanen die zowel souplesse als strakheid in de vingers hebben in composities die nu eens ingetogen gloeien en dan weer dreigen met explosie (maar het niet noodzakelijk doen).

Terwijl Hermia, die zich bediende van sopraan-, alt- en tenorsax en nog eens een exotische fluit hanteerde, moeiteloos van het ene naar het andere register slalomde en ook in ballades best wel imponeerde, waren het de gedreven stukken waarmee de band écht indruk maakte. De bijna-chaos van “Too Much Information, Too Fast”, een straf duet van de ritmesectie in “The Color Under The Skin” die leidde tot een oefening met transcendente ambities, en de bekende afsluiter “Austerity, And What About Rage”, waarin spetterend gerotzooid werd met tempowissels en elk bandlid nog eens zijn individueel talent onderstreepte. Geen verrassing of vernieuwing, maar wel een prima opener. Met voorsprong het sterkste concert van de dag, zelfs.

Voor het eerst werkte het festival met een artist in residence. Dat was de 26-jarige Armeense pianist Tigran Hamasyan, die de voorbije tien jaar de ene prijs aan de andere reeg en van het verwerken van Armeense folksongs in andere genres z’n handelsmerk gemaakt heeft. Met fans als Mehldau, Hancock en Corea iets om naar uit te kijken, al zou elk van z’n drie concerten een gebrek aan consistentie vertonen. Met de Noren Arve Henriksen (trompet) en Jan Bang (live sampling) leidde het tot het meest wazige concert, al was het aanvankelijk van een even fragiele als bedwelmende soort. De meesterlijke klankbeheersing van Henriksen vleide zich innig rond het romantische spel van de Armeen, terwijl Bang erg bedachtzaam ingreep, soms onduidelijk, daarna met een eb & vloed van sober gefluit, golvende klanken en live vervorming.

Een paar keer leidde het tot een knap samengaan van traditionele elementen met een zeer moderne aanpak (het door Bang gecureerde Punkt-festival is een gerenommeerd evenement voor hedendaagse muziek), waarbij Henriksens kopstem en pockettrompet het trio bijna naar Sigur Ros-terrein voerde, maar ondanks het subsonische gedruis en de voortdurende klankmanipulaties, zijstapjes richting Sidsel Endresen en Nate Wooley, en het gebruik van rijke strijkerspassages kwam de klad erin, en sloeg de muziek al te vaak de richting van de etherische wereldjazz in. Dat stukje beatboxen leek aanvankelijk best een geinig idee, zeker in combinatie met die robotritmes, maar werd na verloop een flauwe gimmick (die later nog eens aan bod zou komen). Kortom: een veelbelovende start die vergleed in een wat duffe performance met een magere impact.

Dan de Amerikanen. Terri Lyne Carrington’s Mosaic feat. Lizz Wright, waarvan gezegd werd dat we vooral op de schoenen moesten letten. Daar kreeg je echter weinig de kans toe, want zoals dat wel vaker gaat in hedendaagse Amerikaanse jazz, werd er vooral gespeeld met veel poeha en decibels. Carrington, een gerenommeerde drumster met een knap cv, had een verkleinde versie van de band van haar The Mosaic Project meegenomen, op de bassist na volledig een vrouwenaffaire, met daarin o.m. toetseniste Helen Sung en saxofonisten Tia Fuller en Tineke Postma. Die eerste won laatst nog de ‘rising star on alto saxophone’-prijs van het befaamde Downbeat, wat nog maar eens bewijst dat men daar ook niet meer bij zinnen is, want ondanks een sterke technische bagage liet de vrouw vooral een onaangenaam harde, snerpende klank horen en nietszeggende, haast patserige solo’s.

En dat was wel vaker het probleem met de band: kon Sung hier en daar nog imponeren op piano en lekker ronkende Rhodes, dan was subtiliteit of dynamiek duidelijk geen bekommernis. Nochtans had Carrington met Lizz Wright een prima zangeres aan boord gehesen die nergens de drang voelde om te imponeren met hysterie of overbodige franjes. Tussen al dat geweld waren haar elegante presence en ingetogen performance zelfs een verademing. Maar het mocht niet baten: of het nu ging om eigen composities, het slappe, door Postma bijgedragen stukje soulpop van “Song For F”, een loom wiegend “Simply Beautiful” (Al Green), een stuk van Geri Allen (die er ook bij was op de plaat) of een brok Ellington: het lag allemaal te marineren in een testosteronsaus. Om nog maar te zwijgen van die LUIDE, maar volstrekt overbodige drumsolo. Godverdomme, Tony Williams.

Festivalpeter Toots Thielemans stond er met de teruggekeerde Hein Van de Geyn (bas), Karel Boehlee (piano) en Hans Van Oosterhout (drums), klasbakken die hem als vanouds door een set klassiekers ("For My Lady", "Bluesette", "What A Wonderful World", "Autumn Leaves", "My Funny Valentine", etc.) loodsten. Opvallend: kortere uitvoeringen, een kortere set en Toots weer wat korter van adem, met hier en daar wat uitschuivers. Een concert dat paste in de lijn van de concerten van 2012, 2011 en 2010.

Vrijdag 16 augustus

Het tweede concert van Tigran was een ontmoeting met de Indische percussionist Trilok Gurtu, een ervaren rot die in het verleden speelde met o.m. Don Cherry, John McLaughlin en wereldjazzfavorieten Oregon. In zijn set met de Armeen zou hij traditionele percussie gebruiken, maar ook een regulier drumstel en wat attributen waarmee hij uiteindelijk aan het knutselen zou slaan (we moeten de eerste die weet te boeien met een emmer water nog altijd tegenkomen). Het begon alleszins veelbelovend én opnieuw met een Armeense folksong die bedolven werd onder het geluid van tablas en shakers. Voor een tweede stuk gebruikte de Indiër dan weer rinkelende armbanden, werd het ritmische luik uitgebreid met allerlei klikgeluiden en een mooie beweging uitgevoerd tussen kaalheid en stijgende bombast.

Maar dan moest de samenhang toch weer eraan geloven. Hamasyan ging zich steeds nadrukkelijker bedienen van loops, viel de Rhodes aan en wilde het excentrieke spel van z’n kompaan evenaren door dan maar in te zetten op kitscherige hiphopachtige beats. Gurtu startte vervolgens met geluidseffecten met potjes, kettingen en een emmer en haalde zo de vaart compleet uit het concert. Opnieuw etherische ethnojazz die hier en daar opgeschrikt werd door een piano-uitval die zowaar herinnerde aan Vijay Iyer, en uitmondde in een vervelend beatboxstuk dat nooit het repetitiekot had mogen verlaten. Tigran was met andere woorden goed op weg om z’n residentie naar de verdommenis te helpen.

De Amerikaanse National Endowments of The Arts kende Anthony Braxton onlangs de titel van ‘Jazz Master’ toe, een van de hoogste onderscheidingen die een muzikant binnen de jazz te beurt kan vallen. Een merkwaardige gebeurtenis, zo moest ook Braxton erkennen, omdat hij in jazzmilieus jarenlang verguisd werd/wordt omwille van z’n intellectualistische aanpak, liefde voor Europese tradities en zogenaamd verraad aan de essentie van het genre. Braxton is ook compleet sui generis. Sinds de jaren zestig werkt hij aan een oeuvre dat hij uitvoerig voorziet van commentaar, regelmatig in theoretische modellen giet en laat uitvoeren door steeds nieuwe generaties van muzikanten die bereid zijn om zich onder te dompelen in de eigenaardige wereld. Voor dit concert met zijn Diamond Curtain Wall Quintet omringde hij zich met violiste Erica Dicker, tubaspeler Dan Penn (twee dagen ervoor ook al te horen op het Follow The Sound festival), kornettist Taylor Ho Bynum en rietblazer James Fei.

Nu ja, Ho Bynum en Fei bespeelden eigenlijk een hele reeks instrumenten, een eclectisch allegaartje met daarin o.m. de eerder zeldzame bastrompet en sopraninosaxofoon. Een zootje dat al even excentriek was als de uitgestelde bladmuziek en instructies (zowel klassieke notatie als grafische instructies met daaraan gekoppelde kleurcodes) en de muziek die eruit voortvloeide. Braxton noemt het zelf ‘transidiomatische’ muziek, en die klinkt voortdurend onwerkelijk, ontwricht en ontregeld. De leek zou al snel kunnen denken dat het te maken heeft met willekeur, maar er ontstond snel een duidelijk verkeer van ideeën, hier en daar zelfs wat terugkerende elementen, dat regelmatig meer aanleunde bij de wereld van de 20e eeuwse klassiek dan bij het dominante beeld van jazz. Voor een deel van het publiek was het duidelijk te veel gevraagd, voor de rest was het als het oplossen van een puzzel waarbij de oplossing weggegooid werd. Elke interpretatie is even geldig en Braxtons muziek bood volop de kans om verloren te lopen in een labyrint van onvoorspelbaar gekronkel en desoriënterende tussenschotten. Eindloos fascinerend of frustrerend, afhankelijk van wat je meebrengt en/of verwacht.

Dan Kempenzoon Robin Verheyen, die was overgevlogen uit New York voor een concert met een paar zwaargewichten van de moderne jazz. Een echte working band is dit niet en het is ook niet duidelijk of er meerdere concerten aan gekoppeld worden, maar het kwartet met bassist Gary Peacock, pianist Marc Copland en drummer Joey Baron had wel een paar dagen gerepeteerd voor dit geanticipeerde concert. De vraag was dan ook vooral of Verheyen, een getalenteerde muzikant, maar misschien zonder de bagage en ervaring van zijn collega’s, zich staande zou weten te houden tussen al dit geweld. Teun Verbruggen zei ooit over Baron dat die schildert op een drumstel en daar is geen woord van gelogen. Het is een kerel met zo’n ongebreideld dynamisch bereik (dat werd vorige maand nog uitgebreid bewezen tijdens de Zorn @ 60-dag in Gent), dat je al van heel goeden huize moet zijn om tegengewicht te kunnen bieden.

Verheyen kweet zich goed van zijn taak. Zijn bereik is groter geworden, zijn beheersing completer, net als zijn zelfvertrouwen, en hij speelde dan ook indrukwekkend accuraat en vloeiend op tenor- en sopraansax. De begeleiders bruskeerden hem zelden en communiceerden voortdurend op hoog niveau. Peacock is een wat stugge persoon (het resultaat van zo lang samenspelen met Keith Jarrett?), maar ook een zeer wendbare en subtiele bassist, terwijl Copland het soort pianist is dat haast onopgemerkt virtuoze stunten uithaalt. Het kwartet speelde voortdurend op hoog niveau, al kon je je niet van de indruk ontdoen dat Verheyen regelmatig op het rempedaal bleef staan. Misschien was dat het gevolg van stress (hij leek gespannen en gaf niets mee over de gespeelde composities), maar je wachtte (tevergeefs) op het moment dat hij even losbrak uit dat patroon, waardoor het net iets te droog en beredeneerd klonk om je echt te laten meevoeren.

Jazz is een kunst van oudere mannen aan het worden, want de kerels die beschouwd worden als de grote drie van de jazzgitaar – Pat Metheny, Bill Frisell en John Scofield – zijn rond of boven de zestig. Een indicatie van bloedarmoede in de jazz of gaan we moeten inzien dat jazz de voorbije twee decennia gewoonweg gefragmenteerd is in een amalgaam van varianten die minder eenduidig als ‘traditioneel’ of ‘vernieuwend’ gelabeld kunnen worden? Hoe dan ook, feit is dat we het soms moeilijk hebben met jazzgitaristen, omdat ze snel de neiging hebben om te vervallen in richtingloos gepingel of slappe crossover. Ook Scofields discografie is niet vrij van makkelijk verteerbare wegwerpjazz die onder het mom van soul en groove z’n eigen gewichtloosheid verkoopt. Gelukkig viel dat nogal mee bij dit trio met bassist Steve Swallow en drummer Bill Stewart, waarmee hij vooral de kaart van de straight jazz trok.

Zo’n Scofield klinkt natuurlijk wel anders dan voorlopers als Jim Hall of Joe Pass, want als je opgroeit in het rocktijdperk, dan laat dat wel z’n sporen na in stijl en sound. Hij klinkt net wat assertiever dan de muzikanten van een generatie eerder. En het moet gezegd: de gitarist leek zichtbaar te genieten en op te gaan in de muziek en werd bijzonder competent ondersteund door het secure elektrische baswerk van Swallow en de imponerende energie en wendbaarheid van Stewart. Of het nu ging om eigen composities of die van Gershwin en Cole Porter, het trio zocht en vond steeds een eigen draai, ook al was die niet altijd opwindend. Ooit was Scofield een opwindende stem van de nieuwe garde, maar die dagen zijn al lang voorbij. Het concert van zijn trio was dan ook escapisme voor wie de voorbije dertig jaar iets te snel voorbijgegaan zijn: voorspelbaar en een beetje saai, maar vlekkeloos en enthousiast uitgevoerd.

Zaterdag 17 augustus

Net als de vorige edities, toen Peter Evans, Dave Douglas en Greg Cohen ingeschakeld werden, was er nu ruimte voor een coachingsproject van een aantal studenten met een jazzklepper: Bambi Pang Pang feat. Andrew Cyrille. Het ging om pianist Seppe Gebruers, saxofonist Viktor Perdieus en bassist Laurens Smet, alle drie ook lid van Ifa Y Xango, en die hadden duidelijk hun tijd genomen om aan de slag te gaan met hun mentor, want wat je te horen kreeg was geen inderhaast samengesteld zootje of al te makkelijke improvisaties die opgehangen werden aan een weinig interessant kader, maar gefragmenteerde stukken die regelmatig buiten de lijnen van de jazz kleurden en afgewisseld werden met solostukken van alle muzikanten op het podium.

Gebruers toonde zich opnieuw een gedreven muzikant, gretig op en neer wippend, zwaaiend met hoofd en armen en regelmatig uithalend met abrupte slagen en geïsoleerde riedels. In combinatie met de zachtzinniger Perdieus, de warme basklank en het subtiele, nergens opdringerige spel van Cyrille, leidde het tot een prikkelend geheel met soms knappe repetitieve stukken of mysterieuze momenten. Het mooie was dat Cyrille, die regelmatig wat tekst en uitleg gaf bij de muziek (zoiets mag gerust vaker gebeuren), zich niet opstelde als dominante leermeester, maar ondersteuner die, weliswaar met het nodige meesterschap, de jonge garde de kans gaf om te schitteren. Ze deden dat goed, al had net iets meer lef en collectieve energie (zoals bij Ifa Y Xango, bijvoorbeeld) voor een nog grotere impact gezorgd.

De revelatie van deze editie zal voor velen ongetwijfeld Melanie De Biasio geweest zijn. De Waalse zangeres is sinds het verschijnen van No Deal bezig aan een gestage opmars met uitverkochte concerten en laaiend enthousiaste recensies, en ook Middelheim moest eraan geloven. Het mooie is daarbij dat De Biasio en haar kwartet geen epateeroperatie uitvoerden, maar een sober charmeoffensief dat mooi in het verlengde lag van het recent verschenen album. Toetsenisten Pascal Mohy (piano) en Pascal Paulus (clavinet, synthesizer), bassist Sam Gerstmans en drummer Dré Pallemaerts blinken uit in droog maar sensueel samenspel dat volledig ten dienste stond van sfeer en de bedwelmende stem van De Biasio.

Die heeft een onwaarschijnlijke naturel, het lijkt haast alsof je toevallig getuige bent van een zangeres die voor zichzelf staat te zingen in de badkamer; ingetogen, haast argeloos vertellend, geheimen toevertrouwend. Met die stem, een onmiskenbare overgave (mooi om te zien hoe ze de handen tegen de mond gedrukt hield) en wat theatraal armengezwaai trok ze alle aandacht naar zich toe en fleemde ze zich een weg door composities als “I Feel You”, “Sweet Darling Pain”, “The Flow” en een gerekte uitvoering van “No Deal”. Voor wie jazz associeert met voortdurende heruitvinding en een overdaad aan prikkels was dit ongetwijfeld niet spannend genoeg. Het was ook zo dat het gebrek aan afwisseling hier meer opviel dan bij die plaat van vijfendertig minuten en het was wachten tot een levendiger “I’m Gonna Leave You” voor er wat meer animo in de set kwam. Steek er zo nog een paar tussen en de triomftocht van De Biasio kan nog een tijdje voortgezet worden.

Dan Tigran Quartet Shadow Theater, het derde project van de centrale gast en deze keer met zijn eigen band en muziek. En eindelijk, eindelijk ging de dynamiekmeter eens naar de andere kant kunnen flippen, want het was snel duidelijk dat dit heel andere koek ging worden dan de vorige twee sfeerconcerten van de Armeen. Zijn band met elektrisch bassist Sam Minaie, saxofonist Ben Wendel en drummer Nate Wood klonk behoorlijk gespierd, ratelde er behoorlijk heftig op los en gaf de potige wereldjazztoets een krachtige ritmische draai. Hamasyan speelde een stuk energieker dan voorheen en werd qua intensiteit zo mogelijk nog overtroffen door Wendel, die van leer trok met een gierende solo.

Het kwartet leek goed op weg om, net als Avishai Cohen een jaar eerder, de tent voor zich te winnen met een set die resoluut voor het grote gebaar ging, maar opeens (we hadden het kunnen weten!) werd er toch weer plaats gemaakt voor een veel te lange brok etherisch gezwam, inclusief geprevelde zangpartijen en eclectisch knopjesgedraai dat het voorgaande nog eens tussen haakjes plaatste. Subsonische beats en gekraak stuurden het geheel naar het domein tussen elektropop en etnomuzak. Voor het slot werd het roer echter volledig omgegooid en opnieuw uitgepakt met bronstig bonkende ROCK POWER. Bevlogen, gedreven, volgestouwd met complexe maatsoorten en met Vin Diesel-energie die duidelijk aansloeg. Niet meteen verfijnd en een beetje aan hetzelfde bedje ziek als Carrington & co. twee dagen eerder, maar niettemin het beste van Tigrans drie concerten.

Hooverphonic With Orchestra werd de uiteindelijke vervanger van Randy Newman. Het gemor over die keuze deed vermoeden dat Callier & co. zouden mogen spelen voor een paar dozijn toeschouwers, maar het werd toch het drukst bezochte concert. Door het feit dat tickets niet terugbetaald werden (kan je dat als organisatie wel maken? – Pukkelpop deed het wel voor Neil Young), zagen velen zich vermoedelijk verplicht om toch naar Antwerpen af te zakken. De respons was eigenlijk zeer positief, al kon Callier het niet laten om wat lullige commentaren uit te geven over gebrek aan enthousiasme bij het publiek. Applaus dwing je af, dat vraag je niet. Zangeres Noémie Wolfs, stijlvol gekleed als een moderne Anita O’Day, leek goed bij stem, al mist ze het bereik om echt te kunnen imponeren en de songs een niveau hoger te tillen. De composities werden uitgevoerd door een perfect geoliede machine.

Dat is meteen ook het probleem: ze krijgen een vergelijkbare behandeling, van spontaniteit is geen sprake en de setlist was er eentje die weinig lef vertoonde. Wie een Greatest Hits verwachtte werd dan weer op z’n wenken bediend, want ze zaten er allemaal in. Een oudje als “2Wicky” ging hand in hand met een recenter stuk als “Anger Never Dies” en een wat saaie versie van Massive Attacks “Unfinished Sympathy”. De eindrace met “The World Is Mine”, “Jackie Cane” en “Mad About You” klonk routineus, maar het slotduo “Vinegar & Salt” en “Eden” bleef dan weer overeind. Of Hooverphonic een waardige vervanger was, daar kan je eindeloos over blijven lullen, net zoals over het feit of de band al dan niet een link heeft met jazz (Newman valt ook bezwaarlijk een jazzmuzikant te noemen). We zullen ons er gewoonweg moeten bij moeten neerleggen dat de grote festivals niet langer kunnen en willen weerstaan aan de druk (commercieel, financieel, etc) om in te zetten op verbreding en multidisciplinaire aanpak. Multi, schmulti.

Zondag 18 augustus

Na een spoedcursus van 3 dagen besluit Guy Peters dat Joris Peeters klaar is voor het echte werk: niet alleen foto's maken, maar hier ook een dag recenseren voor zijn rekening nemen. Met het risico boven het hoofd dat er door jazzminnend Vlaanderen en Nederland een fatwa wordt uitgesproken, beseft Peeters dat hij geen andere keuze heeft dan dit ontgroeningsritueel te ondergaan. Peters grijnst, trekt een aardappelzak over het hoofd van die arme snaak, tolt hem een paar keer rond zijn as en duwt hem zonder kompas of richtlijnen het anders zo mooie maar nu vooral dreigende park Den Brandt in.

Gelukkig wordt er gestart met LOBI, een ambitieus project van de Belgische drummer Stéphane Galland. We zeggen gelukkig, omdat het een zeer verteerbare brok zondagmiddagjazz betreft dat ook niet op Sfinks of Couleur Café zou misstaan. Galland heeft zich omringd met vijf collega-muzikanten die, als je alle roots samengooit, het grootste deel van de wereldbol zo ongeveer wel coveren. Lobi betekent zowel gisteren als morgen in het Lingala en dat staat symbool voor het model dat Galland voor ogen heeft: verschillende roots combineren en in een hedendaags jasje brengen.

Een hele smeltkroes dus. Zo is er de Braziliaanse godsfiguur Malcolm Braff die de toetsen voor zijn rekening neemt en Magic Malik, een Ivoriaan die waarschijnlijk zijn naam verdiend heeft omdat hij kan fluitspelen en zingen tegelijkertijd. De grote diversiteit aan instrumenten die uit alle windrichtingen zijn meegebracht zouden kunnen resulteren in een kakofonie, maar het gros van de set wordt er met een beurtrol gewerkt en wisselen de solo's elkaar netjes af. Een aanzet tot wereldvrede, hier op Jazz Middelheim. De ene keer op het tempo van een kamelentocht, dan weer de sfeer van een uitbundig buikdansfeestje: Lobi bewijst zich een degelijke opener.

Bill Charlap Trio dan. Blijkbaar is het de eerste keer dat de Amerikaanse pianist met zijn vaste bassist en drummer in ons land optreden en ik heb me laten vertellen dat in oude Sumerische spijkergeschriften is teruggevonden dat u daar enorm naar uitkijkt. Even denken we dat er een auditkantoor het podium opwandelt op zoek naar de zwarte boeken van de organisatie, maar het trio is gewoon welopgevoed dus is een keurig kostuum maar logisch. Die welgemanierdheid zet zich door naar de set, die galant, soepel en met de glimlach wordt doorzwommen.

Helaas brengt het trio een soort van cocktailfeestjesjazz waar deze nieuwbakken jazzrecensent niet veel voor voelt. Charlap freewheelt door de standards van het Great American Songbook als een boswachter door zijn bos 's nachts, zonder enige moeite. En kijk: om uw enthousiasme afgaand is hier ongetwijfeld een publiek voor. Want hoewel alles mooi in de plooi blijft en veiliger is dan een kevlarvest, swingt het bij momenten als een tiet of twee wanneer Charlap een zoveelste pianowaterval naar van het podium laat kletsen, met een gratis regenboog er bovenop.

De 75-jarige saxofonist Charles Lloyd laat zich omringen door pianist Jason Moran, bassist Reuben Rogers en drummer Eric Harland, drie muzikanten die gemakkelijk zijn zonen kunnen zijn: het kleinste verschil is 36 jaar. Toch is Lloyd, die Keith Jarrett nog een tijdje in toom hield, de vitaalste op het podium als hij zijn saxofoon, fluit en aan het eind taragot, alle hoeken van het podium heen richt en daarbij aritmisch de knie optrekt om zijn instrument van een vloeiende, zalvende, bijna zingende toon te garanderen. Wanneer hij niet speelt schoffelt hij naar de kant, bewondert zijn jonge poulains of loopt ertussen rond als een verloren passagier op de luchthaven.

Je hoeft echter geen kenner te zijn om te begrijpen dat dit een uitstekend concert is. Genoeg structuur om een breed publiek houvast te geven, maar tegelijk ondefinieerbaar spannend om zeer relevant te klinken. Speciale vermelding ook voor drummer Eric Harland, die een onvoorstelbaar solide groove uit z'n vellen mept en de cimbalen bespeelt alsof het de laatste vrouw ter wereld is. De laatste aantrekkelijke vrouw ter wereld is misschien nauwkeuriger. Een staande ovatie, een bisronde en nog een staande ovatie zijn dus niet minder dan evident. En als je dan ziet dat Toots Thielemans met z'n 91 en straks Randy Weston met z'n 87 jaar hier ook nog steeds rondlopen, dan is het een geruststellende gedachte dat dit veulen nog een heel eind mee kan.

Inderdaad, die oude heer maakt vervolgens plaats voor Randy Weston en zijn African Rhythms Septet, dat deze editie van Jazz Middelheim mag afsluiten. Hij stond hier al een aantal keer en gaat dan ook al een eeuwigheid mee. Een boom van een kerel, je kan er bij wijze van spreken genoeg hout uit halen om een replica te maken van de vleugelpiano die hier al vier dagen op het podium staat. Het is tevens de vriendelijkst en gelukkig uitziende grote neger die we ooit zagen. Zijn geheim? Afrika.

Randy Weston en de muzikanten rond hem maken er een genoegen van, een voorrecht zelfs, om de moeder van alles, zowel de mensheid als de muziek, te bestuderen en muzikaal te eren. We gaan vanavond op zoek naar de oudste vrouw ooit, “gevonden in de Ethiopische woestijn, het duurde 40 haar op haar weer samen te stellen” in “African Lady” en kijken samen naar de “African Sunrise”. Het spelplezier en het engagement zorgen voor een feestelijke afsluiter. Met twee saxen, die ronken als de dubbele uitlaat van een sportwagen, een schuiftrombone, Afrikaanse ritmes met drum en percussie én een geweldige bassist die een stukje Afrika op zichzelf is, wordt vrolijk de nacht in gesprongen. Want ons geluk is altijd in verhouding met ons vermogen het te dragen.

E-mailadres Afdrukken
 
Jazz Middelheim 2013 ::15-18 augustus 2013, Park Den Brandt

Advertentie
Banner
Advertentie

TEST