Banner

Oathbreaker, Dirk Serries’ Microphonics & Jesu

15 september 2013, De Kreun

Lennert Hoedaert & Guy Peters - 16 september 2013

Amper een week nadat we ons nog in tropische oorden waanden, zijn de herfst en het grijs zich volop gaan manifesteren. Misschien maar goed ook, want het kransje artiesten dat op zondagavond te horen viel in Kortrijk maakte muziek die het daglicht schuwt. Daaruit besluiten dat je drie keer hetzelfde gepresenteerd ging krijgen, zou echter een aanfluiting van de waarheid zijn, want zelfs tussen deze nachtdieren gaapten brede dieptes.

Met Eros|Anteros bracht Oathbreaker in augustus een dijk van een plaat uit - een van de beste releases van een band uit de hardcore-scene-, en op Pukkelpop gooide de band hoge oren voor een massa festivalgangers in The Shelter. Dat de verwachtingen voor de passage in De Kreun hoog waren, hoeft dus geen lang betoog. Aan het volk dat rond kwart na acht komt opdagen, lijkt het destructieve kwartet meteen meer dan een opwarmer. En dat bewijst Oathbreaker ook met verve. Bijna twee jaar na de eerste passage in dezelfde zaal - als support voor het Japanse Envy - is het duidelijk dat de band ook live geëvolueerd is. Van begin tot einde is de set meer dan ooit een intense geluidservaring, één die constant tussen verwoestende chaos en atmosferische rust raast. Muzikaal is er genoeg afwisseling tussen haast depressieve black metal, rechttoe-rechtaan hardcore in de traditie van Converge en emotionele stukken. Ook zangeres Caro Tanghe maakt wederom indruk; het blijft fascinerend hoe ze fluisterzang afwisselt hysterisch geschreeuw. Hoogtepunten zijn het iets meer down-tempo "The Abyss Looks Into Me", een krachtig "No Rest For The Weary" , en "Origin" en het immer imponerende "Glimpse Of The Unseen" van de eerste plaat. Sta ons toe om even chauvinistisch te zijn, maar Oathbreaker blijft een band om als Belg fier op te zijn.

De lange pauze die ingelast werd tussen de bombastische hardcorefurie van Oathbreaker en het subtiel vloeiende gitaarwerk van Dirk Serries was nodig. Voor een groot deel van het publiek was het voldoende reden om extra lang aan de bar te gaan hangen, maar zij die op post bleven voor ’s mans met monnikengeduld uitgerolde gitaarsculpturen werden getrakteerd op een performance die in het verlengde lag van Microphonics XXI-XXV. Het was een kort concert, misschien zelfs té kort om het proces z’n werk te laten doen, maar eentje dat wel een mooi beeld gaf van de werkwijze van Serries, waarin met een opmerkelijk gevoel voor nuance wordt gespeeld.

Bij oppervlakkige beluistering leidt zo’n samenhang misschien wel tot de conclusie dat er zich weinig afspeelt, maar je mag gerust stellen dat Serries’ beheersing van klank(vorming) met een ijzeren discipline gecontroleerd wordt. Concluderen dat het gaat om een rigide, cerebrale oefening zou dan weer jammer zijn, want zelfs de lichaamstaal - dat traag bewegen met voorovergebogen hoofd, die innige omhelzing met de gitaar, het amper waarneembare sturen van de pedalen -, spreekt van een totale overgave aan de ingeving van het moment. Dat die uitgewerkt wordt op een haast microscopisch niveau was voor heel wat aanwezigen duidelijk teveel gevraagd, want ze druppelden pas opnieuw de zaal binnen toen bassist Diarmuid Dalton van Jesu de fundamenten eens testte met z’n bekende gedaver.

Opperhoofd Justin Broadrick was even ervoor ook al op het podium verschenen om de concerten van Serries en Jesu in elkaar te laten overlopen. Niet enkel een eerder beproefde een tactiek die de verwantschap van die schaduwwerelden onderstreepte, maar meteen ook een mooi saluut aan het adres van de Belg, wiens internationaal gerespecteerde palmares in deze contreien nog te weinig op waarde wordt geschat. Is zijn aanpak die van de homogeniteit, dan viel de set van Jesu eigenlijk meer te beschouwen als een aaneenrijging van soms vrij sterk verschillende stijlen en geluidsmuren.

Het eigenaardige karakter van het concert was in sterke mate het gevolg van werken met een drumcomputer. Dat is ook een constante in Broadricks werk met o.m. Godflesh en niet onbekend binnen Jesu, maar dan hoort een mens die songs toch liever in uitvoeringen met een menselijke metronoom als Ted Parsons erbij. Door voortdurend heen en weer te moeten wandelen tussen statief en laptop kreeg je vaak te maken met stiltes en overgangen die de vaart uit de set haalden, terwijl de wisselende klank van de drumpatronen hun artificiële karakter enkel nog benadrukten. Op zich geen probleem, het maakt nu eenmaal deel uit van de in desoriënterende waas en afstandelijkheid gehulde muziek van Broadrick, maar het was ook iets dat je niet van je af kon schudden.

Stilistisch leek het wel een doorsnee van een decennium concerten en releases uitbrengen (intussen al meer dan een dozijn stuks), met een combinatie van songs die zich ophielden in een eerder abstract universum, waarin flarden voorkwamen van industrial, postrock, shoegaze, ambient en atmosferische metal, maar zelden voor een partij gekozen werd. Nu en dan ging het er vrij traditioneel aan toe, met de vertrouwde halfgefluisterde, door en door Brits klinkende songs, oefeningen in spanning tussen licht en donker. Bij momenten behoorlijk indrukwekkend met zo’n majestueuze sound, maar Broadricks voortdurende afwisseling van gitaarklanken zorgde vaak voor bruuske verschillen waarbij z’n sound verzoop in de modderige bassound van Dalton.

In z’n beste momenten sloeg de in volume verpakte melancholie van Jesu best wel aan, maar het gebruik van drumcomputer en een vreemde keuze qua geluid zorgden ervoor dat het concert vroegtijdig wat van zijn spanning verloor en dat je als luisteraar achterbleef met een gevoel van ongemakkelijkheid en onvoldaanheid. Al bewijst dat misschien dat het gewenste effect toch bereikt werd?

E-mailadres Afdrukken