Banner

Damo Suzuki & Dans Dans

14 juni 2014, Le Water Moulin (Doornik)

Guy Peters - foto's: Mario Pollé - 15 juni 2014

Dat de bekendste zanger van het legendarische Can een bezoek ging brengen aan Doornik was al bijzonder. Dat hij dat zou doen in het gezelschap van een van de boeiendste Belgische bands van het moment was al helemaal genoeg om ons in spanning te krijgen. Dat de resultaten, altijd afwachten bij muzikanten die elkaar nooit eerder ontmoetten, dan ook nog eens moeiteloos de hoogste verwachtingen overtroffen, maakte het enkel nog mooier.

We hebben trouwens meer locaties nodig als Le Water Moulin. De grotere zalen met hun subsidies en piekfijne infrastructuur, dat is allemaal goed en wel, maar je hebt ook die onderstroom nodig, dat circuit dat teert op vrijwilligers, agitatie, risico’s en een tomeloze inzet. OK, je hebt misschien niet het comfort dat je elders hebt, maar wat heeft comfort eigenlijk met rock-‘n-roll te maken? Evenveel als een rockschool. Het zijn locaties zoals deze die de muziek vitaal en rauw houden, de drempel laag en de samenhang groot. Suzuki en Dans Dans naar de extase zien rocken in wat eigenlijk een met papieren slingers en spiegelbal opgesmukte huiskamer is, dat is een herinnering die je meeneemt.

Nog zoiets: voorprogramma Aerobiconoise, een duo waarbij we Mr. Marcaille (die ook geschifte dingen uithaalt met een elektrisch versterkte cello, fluimen en twee basdrums) achter de knopjes herkennen. Hij wordt vergezeld door een in cowboybotten, strak zittende turnmaillot en rode pruik gestoken vrouw met… een hula hoop. Door een brede riem met een zendertje erop dragen haar draaibewegingen bij tot de performance die een goed kwartier (zolang de hula hoop blijft draaien) sputtert, knetter, ratelt en davert in de beste harsh noise-traditie. Chaotisch, ritmisch volledig van de pot gerukt en tegen een indrukwekkende volume, maar tegelijkertijd hypnotiserende ongein. En tegelijkertijd blij dat er geen duurrecord gebroken werd.

Anno 2014 is Damo Suzuki nog altijd de eeuwige reiziger die hij eigenlijk al was toen de Can-leden de jonge straatmuzikant in 1970 vroegen om diezelfde avond bij hen te komen zingen. Wist hij veel dat hij daarmee de officiële start gaf van de belangrijkste fase van de band. In de periode 1970-1973 bracht Can vier albums uit waarmee zijn plaats in de rock-‘n-rollgeschiedenis verzekerd werd. Die merkwaardige melange – een combinatie van psychedelica, minimalisme, musique concrète, vrije improvisatie, funk en zelfs wereldmuziek – klinkt meer dan vier decennia later nog altijd tijdloos en had een immense invloed die nog altijd nawerkt.

Suzuki’s geïmproviseerde wartaal was ook nu het centrum van de muziek. Het leek wel alsof de enige afspraak was dat de muziek gewoon moest blijven verder evolueren rond die mantra-achtige zangpartijen, wat dan ook gebeurde. Vijf kwartier lang. Het ene moment leek de man van plan om uit te barsten in de blues, met grommende scat die haast van Louis Armstrong leek te komen, maar de repetitieve vertellingen kregen vaak ook een hele lichtvoetige of zelfs dromerige toon, voortdurend variërend op terugkerende ideeën. Met de ogen dichtgeknepen en de micro innig omhelzend zong hij bijna het hele concert vol, maar hij luisterde ook, wist wanneer eens terug te stappen of mee te gaan in een nieuwe koers.

Dans Dans deed daarbij wat het verstandigst was: niet geïntimideerd vasthouden aan de eigen stijl en evenmin krampachtig zoeken naar de gepaste ondersteuning (en al helemaal niet door een verwaterd Can te zijn), maar dat vloeiende samenspel ombouwen tot maatwerk rond de stijl van de zanger. We zouden de sound zo herkend hebben, maar toch klonk dit heel anders dan de albums en reguliere concerten. Er zat nog altijd die associatieve samenhang in de muziek, met hier en daar zelfs een paar ritmes en korte thema’s die nog even bleven nazinderen, maar met die vierde man aan boord kwam vooral de souplesse en ritmische drive van het drietal naar boven. En een verbluffend eclecticisme.

Het trio kwam ingetogen op gang, met ook wat subtiel binnensluipende elektronica van Fred Jacques, de effectenreeks van Dockx en het knap gedoseerde spel van Cassiers (die er ook elektronische percussie en een wokpan bijhaalde), maar gaandeweg gingen de muzikanten zich meer vrijheden permitteren of werd gekozen voor aanstekelijke ritmes. Een paar keer doken er slingerende grooves op die dansten zoals hun bewerking van “The Sicilian Clan” dat altijd doet, of werd er gespeeld met climaxen zoals de klassieke psychedelische rockbands dat deden, maar het was ook zoveel meer dan een veredelde jam. Daarvoor zat er te veel verbeelding en schuring in, momenten die je onverhoeds bij het nekvel grepen.

Gitarist Bert Dockx kon ook z’n veelzijdigheid tentoonspreiden: een enkele keer droog en minimalistisch zoals Michael Karoli (de in 2001 overleden gitarist van Can) dat vaak was, maar soms ook inventief spelend met effecten, de bekende taperecorder (prachtig moment toen hij even scratch-achtige geluiden maakte op Cassiers’ funky hiphopritme) en gierende invulling. Heel even gebeurde dat met de aanstekelijke en exotische drive van Ribots Los Cubanos Postizos, maar er werd net zo goed ingezet op zware dronerock, gekleurd en ontregeld met inventieve schaduwpartijen of van leer getrokken met bijna hysterische freak-outs. We zagen hem zelden zo gretig en veelzijdig tekeergaan. De handen sprongen op van de snaren alsof ze rood gloeiden. De muziek werd zo een paar keer voorbij het kookpunt gevoerd, zonder z’n samenhang te verliezen.

Net zoals Can soms eindeloos op verkenningstoer ging, zo kreeg hier ook de muziek volop de tijd om te ademen en de set werd ook afgesloten met een lang stuk dat langzaam leek te desintegreren in een mysterieuze droomfase met weinig houvast. Daardoor was het samen met Suzuki rustig ontwaken uit de trance. De zanger trekt als nomade de wereld rond, speelt voortdurend met andere bands en die zijn ongetwijfeld van wisselende kwaliteit. Dat hij besefte dat hij deze keer een klasseband achter zich had staan, was dan ook van z’n gezicht af te lezen, en goed om in een jachtig bisnummer nog eens alles uit de kast te halen en een vlammend punt achter een pracht van een concert te zetten. Hoewel het er vermoedelijk niet in zit (of toch?), zou je deze combinatie van muzikanten zo terug willen zien. Petje af voor de mensen van Le Water Moulin om dit geweldige idee op poten te zetten.

E-mailadres Afdrukken