Banner

Konfrontationen 2014

17-20 juli, Jazzgalerie Nickelsdorf

Guy Peters - foto's: Joachim Ceulemans / Kwadratuur - 05 augustus 2014

Rond het derde weekend van juli vindt in het nietige Nickelsdorf, op een gespierde steenworp van de Oostenrijks-Hongaarse grens, het Konfrontationen festival plaats. Dat gebeurde dit jaar voor de 35e keer, wat het intussen het oudste festival in zijn soort maakt. En het deed zijn reputatie eer aan met opnieuw een ijzersterke reeks concerten met verrassingen, vuur, vrijheid (heel veel vrijheid) en een paar verbluffende hoogtepunten.

Het blijft ook een beetje onwezenlijk om dit festival, deze onwerkelijke cocon van de vrije muziek, net daar te ondervinden - in een streek die je best kan omschrijven met ‘droog’, ‘heet’ en ‘windmolens’ -, in een boerendorp waar de namiddagactiviteit beperkt blijft tot rondrijdende tractoren, het heffen van glazen ijskoude Almdudler, halve liters bier en gespritzter Weißwein, en het verteren van XL Wienerschnitzels en plankjes met Wildschweinwurst. Kom je er al even over de vloer (voor ons was het, na de edities van 2012 en 2013, intussen de derde keer), dan zie je natuurlijk dat het festival enkele constanten heeft. Dit festival heeft ook zo zijn stokpaardjes, met de liefde voor de vrije improvisatie voorop, vaste klanten (zo’n Tony Buck was er de laatste tien edities twee keer niet bij) en een duidelijke ‘lokale’ afvaardiging (natuurlijk heeft dat ook zo z’n financiële en logistieke redenen). Maar toch: vers bloed blijft opduiken en organisator Hans Falb slaagt er telkens toch maar in om combinaties van artiesten te bedenken die steevast garant staan voor boeiende en uitdagende avonden. Dat was al zo vanaf Dag 1:

Donderdag 17 juli

Met het trio Susanna Gartmayer (basklarinet), Dieb13 (draaitafels) en Katharina Ernst (drums) staat een Weense delegatie op het podium. De eerste twee muzikanten waren er al meermaals bij (voor Dieb13 ook een paar keer als onderdeel van de Sound Art expo), voor Ernst was het de eerste keer. Van meet af aan werd duidelijk dat je bij deze vorm van improvisatie niet naar jazz moest zoeken. De drie houden van klankonderzoek, abstractie (de vrouwen hebben, misschien niet toevallig, ook allebei beeldende kunsten gestudeerd) en het samenbrengen van uiteenlopende geluiden en tradities. Dat leidde tot een compact concert dat heen en weer bewoog tussen haast intimistisch geritsel en een behoorlik imposante wall of sound.

Het combineren gebeurde vaak met ‘kleine’ geluidjes: poffende klarinetklanken, tranceachtige rim shots, een extra snare-vel dat bepoteld werd, ruis van de naald op het vinyl. Door die instrumentatie leek het soms alsof je een meer abstracte en minder explosieve versie van Fire Room (Vandermark/Marhaug/Nilssen-Love) te horen kreeg, maar dit trio had ook zijn eigen sound, waarin soms geneigd werd naar dansende, tribale patronen, die helemaal niet zo ver verwijderd waren van wat Boredoms ooit liet horen. In het tweede stuk ging het er iets krachtiger aan toe, met gebroken glasgeluid van Dieb13 en uitspattingen die meer naar de werelden van noise en donkere avant-garde neigden.

Dieb13 schudde de tafel vervaarlijk heen en weer, percussieve klarinetklanken en ratelende drums creëerden een desoriënterende onderstroom en de hamerende geluidsmuur van de man bracht de dendertrein al helemaal op gang, terwijl het concert toch eerder subtiel aan z’n einde kwam. Net als de vorige edities werd deze 35e Konfrontationen op gang gebracht met een uitstekende performance die de zintuigen aanscherpte voor nog anderhalf dozijn stuks.

De naam van het trio Truth In The Abstract Blues is (vermoedelijk) niet enkel een knipoog naar The Blues And The Abstract Truth (1961), een klassieke plaat op het Impulse!-label van Oliver Nelson, maar het geeft ook al iets mee over de muziek. Het project van folk/blues-gitarist Mike Cooper, die dezer dagen o.m. in de weer is met collega-gitaarvirtuoos Steve Gunn, neemt de rootsmuziek als basis, maar haalt er vervolgens allerlei onwelvoeglijke dingen mee uit. De vraag hoe je moet omspringen met de traditie is er eentje die om de zoveel tijd nog eens bovengehaald wordt. In het geval van de blues mag dit project gerust erbij betrokken worden, want wat dit trio (gitarist Mike Cooper, bassist Robert Bellatella en drummer Fabrizio Spera) samen met gast/tenorsaxofonist Geoff Hawkins liet horen was heel wat inventiever dan rotzooien met bluessamples en er vervolgens een synthetische beat onder plakken.

Cooper baseerde zich op klassieke blues- en gospelsongs van o.m. Robert Johnson, Skip James en Arthur Crudup, maar die werden dan compleet gedemonteerd en soms zelf onteerd, inventief geherorganiseerd via vrij geïmproviseerde stukken, genrevermengende ingrepen en effecten op Coopers gitaarspel dat het hele zootje door de mangel haalde met spooky wendingen en het besef dat je nog steeds te maken had met the devil’s music. Het eerste stuk ging dan wel van start als vrij ‘klassieke’ freejazz met een jankende sax, maar die onverstoord uitgekraamde bluesvocalen van “That’s Alright, Mama” zorgden meteen voor een haast surreële sfeer die voortdurend de grenzen van de chaos leek af te tasten.

Volgden ook nog: “Heartbreak Hotel”, dat iets meer houvast bood en belandde in kolkende, neurotische freejazz waarin de gitaar even naar de achtergrond verdween; “If I Had Possession Over Judgement Day”, dat zowel ritmisch als melodieus compleet ontregelde, en “In My Time Of Dying”, met trancepatronen die de intensiteit aardig omhoog schopten. Extra wapen Geoff Hawkins bleek trouwens een troef van jewelste, want ’s mans onophoudende vrije getoeter, ergens in de vurige zone tussen Sanders, Shepp en Gayle, voerde deze combinatie van ontredderde freejazz en gedemonteerde blues naar een gierende finale. Het concert werd uiteindelijk afgesloten met een veel traditioneler versie van “Hard Times Killing Floor” en opgedragen aan de net ervoor overleden Charlie Haden en Johnny Winter. Die combinatie zei ook een en ander over het concert. Een knap lesje in muzikaal updaten.

Het Scandinavische superorkest Angles 9 onder leiding van Martin Küchen kwam al uitgebreid aan bod op deze website. Het concert van de band in Hasselt belandde uiteindelijk op het machtige In Our Midst (de eerste vinylrelease op het Portugese Clean Feed en meteen ook een van onze favoriete platen van 2013), terwijl het nonet daarna de studie in trok voor zijn eerste studioalbum, Injuries. En hoewel Küchen een muzikant is voor wie er geen grenzen zijn aan de vrijheid en die vooral binnen zijn solowerk toespitst op soms zeer abstracte, persoonlijke en moeilijk te ontcijferen muziek, is Angles 9 een band die door zijn aanpak erg opvalt binnen deze context. Nickelsdorf is immers een oord van vrije improvisatie, verrassing en het ter plekke uitvinden. Viel dat te rijmen met de strakke structuren en thema’s van Küchens composities?

Tuurlijk wel, al duurde het duidelijk even voor een deel van het publiek mee was met het verhaal. Even leek het ook alsof de band zich even mispakt had met de intro van opener “European Boogie”, maar zodra de trein vertrokken was, was er geen houden meer aan. Het stuk zette een knoert van een groove neer en vervolgens baande het nonet zich een weg door hun recentste album. Het gerekte tweeluik “A Desert On Fire / I’ve Been Lied To”, met een knappe bassolo van Johan Berthling als scharniermoment, zette volledig in op drama en emotie en kon zo fungeren als wringende soundtrack bij een zwaar geladen statement. “Eti” en “Ubabba” krikten vervolgens het tempo op en lonkten uitdrukkelijk naar het zwarte continent met muziek die bij momenten klonk alsof Küchen & co. probeerden om Joe McPhee’s Nation Time te verenigen met Fela Kuti.

Heftig pompende composities met een indrukwekkende collectieve stuwing en bruisende energie, maar gelukkig ook ruimte voor wat individuele expressie. Zethson kon zich gelukkig staande houden tussen al dat blazersgeweld, Eirik Hegdal wist zich een paar keer te onderscheiden met bevlogen gesoleer (o.m. op de exotische sopranino) en ook deze keer was “In Our Midst”, een stuk met een thema dat zich vastbijt als een virus en vervolgens nog dagenlang door je kop zindert, een absoluut hoogtepunt. Via de solo’s van Mats Åleklint en Magnus Broo tot dat statige samenspel. En daarna dan nog eens een even majestueus “Injuries” - bronstig in de kop, breekbaar in het midden, grandioos in het einde. De band speelde rauw en franjeloos, maar ook met overgave en een bonkend hart dat bleef kloppen als een oorverdovende metronoom.

Vrijdag 18 juli

Nog zo’n constante zijn de namiddagconcerten in de Kleylehof op een tiental minuten rijden van Nickelsdorf. In een soort arena kan je er op de tweede en derde dag van het festival terecht voor een namiddagconcert. Geen evidentie bij temperaturen van 30° en meer, maar het fantastische kader, waardoor je je zo ergens in het zuiden van Frankrijk waande, draagt steeds opnieuw bij tot concertervaringen die je zelden zal meemaken in, pakweg, het park van Dilbeek, Wetteren of Hoogstraten.

Nochtans was het eerste dagconcert niet bepaald een staaltje van achtergrondmuziek die er makkelijk in ging. Oorspronkelijk zou het trio Los Amargados - Petr Vrba (trompet, ‘vibrating speakers’), George Cremaschi (bas, effecten), Georgij Bagadasarov (baritonsax) – spelen met Hans Falb (draaitafels), maar Bagadasarov was niet van de partij, terwijl de band op het laatste moment uitgebreid werd met drummers Didi Kern en Michael Zerang, die ook regelmatig z’n darbouka gebruikte. De laatste twee brachten het concert ook op gang, met subtiel rond elkaar gewentel dat onvermijdelijk in een stekelige groove met transcontinentale invloeden belandde. Snel werd duidelijk dat het een performance zou worden met een bijzondere aandacht voor details en nuanceverschuivingen, met het ene moment ook uitstapjes richting drone-terrein, maar soms ook volièregekwetter en lome donkere grooves, vooral wanneer Cremaschi de bas hanteerde.

Het samenspel gebeurde uiterst vloeiend en organisch, met Falb als stoorzender achter drie platenspelers, aanvankelijk eerder bedeesd, gaandeweg meer prominent aanwezig. Het was een knap spel met densiteit, soms uiterst sober en aanleunend bij een Tortoise-ritmiek, op andere momenten erg druk, met alles dicht op elkaar geprakt. Na de lange opener, goed voor zo’n half uur, ging het even een meer minimalistische toer op, pulserend op lage volumes. Nauwste verwant was even het elektroakoestische schaduwspel van een band als Trapist. Dat deze muziek, die eigenlijk de flair van nachtelijke grootstadsmuziek kreeg, toch overeind bleef op die locatie en op dat tijdstip, zei dan weer voldoende. Het was als luisteren naar een mechanische koortsdroom die je over je heen kon laten golven, maar waar je ook in kon duiken, op zoek naar de rijke details.

De korte, maar fijnmazige afsluiter was ook al zo rijk aan ideeën, met Vrba die hier en daar wat herinnerde aan de manier waarop Werner Hasler trompet en elektronica weet te combineren aan de zijde van Kamilja Jubran, voortdurend in de weer om texturen, dynamiek en volumes een rol van betekenis te laten spelen. Mooi zicht: Falb die z’n hoofd op een van de platenspelers legde en zo nog eens voor de visuele tegenhanger dit mooie uur luistermuziek zorgde.

Ergens viel te horen dat het grootste deel van de tweede avond eigenlijk net zo goed op een affiche van een kwarteeuw geleden had kunnen staan, door een paar bands op rij die inzetten op ‘klassiek’ vrije improvisatie. Kan wel zijn, maar in handen van capabele muzikanten groeit een concert met bekende middelen/instrumenten toch steeds opnieuw tot een moment van creatie dat aanvoelt als een frisse daad van heruitvinding. Het klopt zeker dat zelfs de vrije muziek niet vrij is van z’n tics en voorspelbaarheden, en je kreeg die avond een paar keer wat je ongeveer verwachtte, maar dat gebeurde dan wel op zo’n overtuigende manier dat je bij de les bleef en een paar keer verbaad zat toe te kijken. Zo zorgde het kwartet Grid Mesh door een combinatie van een paar opvallende muzikale karakters toch voor een concert dat je bezwaarlijk als doorsnee kon labelen.

Het kwam op gang met een pompommende dialoog van trombonist Johannes Bauer en altsaxofonist Frank Paul Schubert, die speelde met een kwieke, ontglippende stijl die aanvankelijk moeilijk te verenigen viel met zijn rijzige gestalte, maar in combinatie met het stuntwerk van Bauer wel voor een knappe contrastwerking zorgde. Bauer was daarbij natuurlijk z’n eigen zelf: vaak in de weer met expressief geklieder, regelmatig op het randje van de swing ook. En net zo vaak met die komieke stemuitvallen, dat gepruttel en geprot. Hij was de overactieve zotte tegenhanger voor de meer beredeneerd klinkende Schubert.

Minstens even opmerkelijk waren de bijdragen van gitarist Andreas Willers en drummer Willi Kellers. De gitarist combineert een vrije aanpak met duidelijke banden met de hoekige rocktraditie. Hij gebruikt hulpstukken die je ook ziet opduiken bij Terrie Ex en Thurston Moore, laat via effecten de sound alle richtingen uit stuiteren, slaat aan het huilen met zichzelf en doet soms eerder denken aan een combinatie van Sharrock en (Caspar) Brötzmann (zij het minder volumineus) dan aan Scofield & co. Kellers zorgde net als Bauer voor heel wat knipogen, met een speelse stijl vol shuffles, repetitieve tics en even zelfs stemgebruik. Het kwartet kon de consistentie van het ijzersterke eerste half uur niet helemaal aanhouden tot het einde, maar vormde wel een prima aanzet naar wat nog volgen zou.

Het was intussen ook uitkijken wat het op papier al behoorlijk indrukwekkende trio Okkyung Lee / Axel Dörner / Achim Kaufmann zou laten horen. Je hebt immers te maken met artiesten die elk op hun eigen manier werken aan carrières die zich van hoogtepunt naar hoogtepunt lijken te bewegen. Kaufmann is een van de boeiendste pianisten van zijn generatie en een muzikant die intussen een waanzinnige lijst muzikale partners kan voorleggen. Zijn recente albums met oude bekende Michael Moore benadrukken nog eens zijn kwaliteiten. Lee is momenteel een van de opvallendste cellisten van de vrije muziek. Haar verschroeiende soloplaat Ghil (2013) tastte de zone tussen noise en avant-garde af met een haast gewelddadige overgave en in 2013 was ze nog curator van het gerenommeerde Oostenrijkse festival Wels Unlimited.

En dan heb je natuurlijk trompetvirtuoos Axel Dörner, waarschijnlijk een van de meest complete talenten op zijn instrument, noem hem gerust de John Butcher van de trompet, en de muzikant die hier letterlijk en figuurlijk in het midden van de belangstelling stond. Zijn performance was er een die een aanzienlijk deel van zijn troeven op tafel gooide, en dat zijn er nogal wat. Visueel is z’n Firebird trompet al bijzonder (het lijkt wel een combinatie van een trompet en een trombone), maar daar komt dan nog eens bij dat Dörner, die gemakkelijk een uur kan vullen zonder ook maar één conventionele noot te laten horen of een traditionele stijl te hanteren, ook gebruik maakte van extra microfoons en elektronica. En zijn waanzinnig uitgebreide arsenaal aan technieken.

Het resultaat: een extensief spelletje ‘je weet niet wat je hoort’, vol ruis- en suisklanken, agressief gesis, diep brommende bassen en de meest excentrieke gymnastiek die je ten oosten van Peter Evans kan vinden. In zo’n concert zorgt een overvliegend vliegtuig plots voor een grappige knipoog. Dat leidde ertoe dat het gros van de aandacht naar hem ging, maar Kaufmann, onverwacht lyrisch op zijn prepared piano tijdens een solomoment, en Lee, nergens zo agressief als op Ghil, maar niettemin voortdurend in de weer met een ongewone speelstijl vol gewrijf en gepolijst van de klankkast, zorgden mee voor een even indrukwekkende als ongrijpbare performance die stotterde en stuiterde met een meesterlijke controle.

Even virtuoos, maar toch een stuk toegankelijker: het trio Georg Graewe / Ernst Reijseger / Gerry Hemingway, dat in Nickelsdorf z’n 25e verjaardag kwam vieren in stijl. Bij het voorgaande concert kreeg je te horen wat het resultaat kan zijn als je drie meesters bij elkaar zet. Hier kreeg je te horen wat er gebeurt als je drie meesters samen zet die elkaar al een kwarteeuw muzikaal besnuffelen. Een stel muzikanten dat ook in staat is om het hele spectrum af te tasten, van tumultueus samenspel (en je moest horen wat een dolgedraaid ratelfestijn Reijseger en Hemingway, die dubbelde op een kleine vibrafoon, uit de handen schudden tijdens een solo van Graewe) en prikkelende kamermuziek tot haast filmische coherentie en fijngevoeligheid.

Met Reijseger (met teenschoenen aan de voeten) en Hemingway beschik je dan ook nog eens over flamboyante podiumpersoonlijkheden die zo’n concert nog een extra dimensie kunnen geven. De cellist door het percussieve behandelen van de cello (die hij deze keer eens niet als gitaar hanteerde) en de technische hoogstandjes, maar ook door het zingen en smoelenwerk. En er is vermoedelijk geen enkele drummer die zo onstuimig op zo’n laag volume speelt als Hemingway. Denk de muziek weg en je stelt je zo een performance voor met explosieve Keith Moon-kracht. In werkelijkheid blijkt het om amper hoorbaar geritsel te gaan. Het was alleszins een langgerekte improvisatie die de luisteraar voerde langs expressief gedonder, maar ook langs dromerige passages, hectisch gestruikel en zelfs bruut geknor in het heftige bisstuk. Boven alles was het echter een meesterlijk evenwicht tussen kracht en souplesse, virtuositeit en vederlichte uitvoering. Net als bij de beste keukens of schilderwerken zat alles perfect in balans. Kortom: puur meesterschap.

Een geinige afsluiter voor Dag 2: Praed +, oftewel het duo Paed Conca (klarinet, en vorig jaar nog van de partij met Porta Chiusa), en muzikant, performer, video- en geluidskunstenaar en nog veel meer Raed Yassin (toetsen, zang, laptop, en twee jaar geleden aanwezig als bassist van het Libanese Trio ‘A’), nog eens aangevuld met een vierkoppige blazerssectie: Johannes Bauer, Axel Dörner, Hans Koch en Stéphane Rives. Schuim het internet af en je vindt de meest uiteenlopende resultaten terug van het duo: de ene keer heeft het iets van benauwende geluidskunst waarin semi-industriële elektronica het voor het zeggen heeft, een andere keer wordt Conca’s klarinet op een bedje van Arabiche melodieën en beats gedrapeerd.

Hier gebeurde het aanvankelijk andersom: de blazers gaven het startschot met kleurrijk samenspel en vrij eenvoudige thema’s, waarbij je je afvroeg of die bladmuziek eigenlijk wel nodig was. Maar dan ging Yassin z’n rol van extravagante MC opnemen en kreeg het concert een behoorlijk bruuske wending, want de speakers pompten plots synthetische beats en melodieën de nacht in, waardoor je je plots in een nachtclub in Beiroet waande. Aanvankelijk was het maar wat vreemd, die combinatie van een blazerssectie, gewauwelde aanmoedigingen en de kitscherige elektronica, maar de thema’s bleven kronkelen, de ritmes werden dwingender en uiteindelijk speelde zich toch een bescheiden feestje af op het podium. En ook ervoor, want het moet geleden zijn van de passage van Konono N° 1 in 2012 dat er zo uitbundig (en creatief!) gedanst werd.

Zaterdag 19 juli

Halverwege, maar nog lang niet uitverteld. Het recent samengestelde trio Luc Houtkamp / Simon Nabatov / Martin Blume kan intussen meer dan 100 jaar gezamenlijke ervaring binnen de geïmproviseerde muziek voorleggen en dat voelde je ook aan hun concert. Opvallend feitje: terwijl Houtkamp en Blume al jarenlang tot de vrienden van het huis gerekend mogen worden, was dit nog maar de eerste verschijning van Nabatov in Nickelsdorf. Opmerkelijk gezien zijn staat van dienst en verleden met heel wat festivalhabitués. Hier kreeg hij alleszins volop de kans om te schitteren in een trio dat hier en daar forse statements maakte, maar vooral uitblonk in het spelen met ruimte en dosering. Nergens liepen de drie elkaar voor de voeten. Er mocht al eens een stap teruggezet worden. Dat maakte de terugkeer vaak dubbel zo straf.

Het werd een echt prikkelspel, waarbij muzikanten elkaar mooi afwisselden en aanvulden. Op z’n tenorsax haalde Houtkamp een breed bereik, soms lijzig blazend, maar net zo vaak huilend en jammerend, niet zo heel ver verwijderd van zijn landgenoot Ab Baars. Nabatov barste regelmatig uit in virtuoze riedels over het klavier, maar voor elke turbulente passage hield hij ook een meer ingetogen idee achter de hand, of ging hij aan de slag met gedempte mogelijkheden. Blume gebruikte van zijn kant dan weer een tafel vol gereedschap, waarmee hij er soms een opvallend speelse geluidencarrousel van maakte. Maar het was vooral het samenspel dat fascineerde, terwijl een plotse terugkeer van Houtkamp aankwam als een schreeuw in het donker en Nabatov de piano haast wist te manipuleren tot klokkengelui.

In het begin van het tweede stuk, waarvoor Houtkamp een zeldzame rechte altsax hanteerde, werd de dynamiek al helemaal opengetrokken, met vooral Nabatov die switchte tussen zachte ideeën en brute uitvallen, terwijl Blume een obsessie voor kleine geluiden aan de dag legde die herinnerde aan vorige passages van Mark Sanders en Michael Zerang. De derde avond begon sterk, maar er zou nog heel wat fraais volgen.

De eerste bom barstte tijdens het concert van The Founder Effect, het kwartet Alan Wilkinson (saxen), John Coxon (gitaar), Pat Thomas (piano) en Steve Noble (drums). De muzikanten zijn stuk voor stuk kleppers van de Britse improvisatie en komen elkaar regelmatig tegen in Café OTO en op andere podia, maar toch had niemand ons kunnen voorbereiden op deze energieke vrijbuitersmentaliteit, die zorgde voor een knallend en vitaal concert dat uit z’n voegen barstte met primitieve kracht zonder lomp te worden én voor een paar hysterisch intense momenten zorgde. Wat wil je ook, als je geluidsmanipulatoren als Coxon en Thomas in huis hebt. Naast een begaafd pianist is die laatste ook degene die het kwartet regelmatig een ander zonnestelsel in knalde met excentrieke sci-fi toetsen.

Maar eigenlijk kreeg elk van de vier muzikanten volop de kans om te schitteren. Wilkinson niet in het minst, zowel met plagerige kusgeluidjes en abstractie klieders op de altsax, als met gespierde en soms pijnlijk scherpe uithalen tegen een achtergrond van gewrongen gitaareffecten en Ikue Mori-achtige elektronica. Dit was ook niet zomaar ‘eb en vloed’, want een opbouw had soms meer iets weg van een stormloop, waarbij Noble vaak degene was die er met zijn persoonlijke en meteen herkenbare stijl voor zorgde dat alles in goede banen verliep. Nu eens kwam dat gevaarlijk dicht in de buurt van swingende jazz, maar dan weer grootstadsskronk of momenten die je eigenlijk als ‘krom & groovy’ kon omschrijven.

Er kwam allerlei stuntwerk aan te pas – Coxon ging de klankkast van de gitaar te lijf met stokken, Noble hanteerde de drums als een machinegeweer en Wilkinson dreigde even om de baritonsax op z’n Gustafssons aan flarden te blazen - , maar de discipline waarmee de vier elkaar steeds opnieuw vonden was overduidelijk. Het staccato gehamer aan het einde zorgde voor de meest intense erupties tot dan toe en de hele performance was een prachtig bewijs van de opwindende kracht die de vrije muziek kan bezitten. Het was een concert dat liefhebbers van uiteenlopende genres bij elkaar kan brengen en de bescheiden stormloop naar de muziekstanden achteraf was dan ook niet meer dan een logisch gevolg.

Lange pauzes zorgden ervoor dat het duo Larry Ochs / Donald Robinson pas rond 23u op het podium verscheen (en dan moesten er nog twee concerten volgen), maar het concert was het wachten absoluut waard. Als het voorgaande offensief dat van het maximalisme was, dan werd de teneur hier opvallend minimalistisch. En eerlijk gezegd: we hadden niet zo’n toegankelijk, soulvol en gedoseerd concert verwacht van een man als Ochs. Dat is ongetwijfeld zo omdat we ons blind gestaard hadden op het eerder cerebrale en abstracte werk van het Rova Saxophone Quartet, het gezelschap dat zijn hele carrière al centraal staat in zijn artistieke leven. Deze samenwerking met drummer Robinson zou echter iets heel anders laten horen.

Van de expansieve marathons van de vorige bands viel niets meer te bespeuren, omdat Ochs en Robinson kozen voor relatief korte stukken waarmee eigenlijk geen grote statements gemaakt werden Integendeel. Robinson beperkte zich aanvankelijk tot mallets waarmee hij een rollende stuwing creëerde waarop Ochs verschillende saxen kon draperen. Door die statige aanpak kreeg de muziek bij momenten een ritualistische, bluesy flair. Soms werd die wat rauwer, maar woest werd het nooit. Vreemd ook, om Ochs met bladmuziek te zien, want het geheel klonk helemaal als vloeiende inspiratie. Robinson zorgde hier en daar voor een haast funky ritme en het geheel klonk soms een beetje als de samenwerking tussen Jon Irabagon en Mike Pride: dansend en rollend van riff naar riff.

Als Robinson dan eens soleerde, dan gebeurde ook dat bedachtzaam en sober. Hebben Amerikaanse (freejazz)drummers vaak de neiging om serieus door te kloppen, dan bleef zijn aanpak complementair met die van Ochs, soms op het rudimentaire af. Hier en daar was er een versnelling die het fundament deed verbrokkelen om het allemaal niet te comfortabel te maken, maar de indruk die het langst nazinderde was die van twee gelijkgezinden die helemaal geen poeha nodig hebben om hun verhaal uit de doeken te doen. Een warm en knap concert dat er verbazend goed in ging.

Met Louis Moholo-Moholo trad een echte legende van de freejazz aan. De man richtte begin jaren zestig met Johnny Dyani, Chris McGregor, Mongezi Feza, Nikele Moyake en Dudu Pukwana The Blue Notes op, zowat de belangrijkste Zuid-Afrikaanse jazzambassadeurs na Dollar Brand (Abdullah Ibrahim). Moholo-Moholo speelde einde jaren zeventig/begin jaren tachtig ook in een legendarisch trio met Peter Brötzmann en bassist Harry Miller, maar dezer dagen is hij vooral de hort op met zijn Unit, waarmee hij zopas een eerbetoon aan The Blue Notes uitbracht, en met de jonge Britse pianist Alexander Hawkins, die zich de laatste jaren ontpopte tot een van de grootste talenten in zijn land. Hun duoplaat Keep Your Heart Straight (Ogun, 2012) oogstte een tweetal jaar geleden veel lof, maar het zou ook een van de meest opvallende concerten van deze Konfrontationen worden.

Waarom? De twee muzikanten hanteren stijlen die bij momenten zo verschillend lijken, dat een toevallige passant zou kunnen denken dat het gaat om twee muzikanten die elkaar eigenlijk helemaal niet horen. Moholo-Moholo speelt immers erg sober en ritmisch, vooral met rods (bij elkaar gebonden, dunne stokjes, met een ritselend effect) in een soms erg repetitieve stijl. Hawkins van zijn kant is een veelzijdige virtuoos die hier volledig inzet op weelderige songs met breed uitgesponnen melodieën en wervelende passages. Hij speelde ook met de intensiteit van een concertpianist, aanvankelijk zachter, op het fragiele af, maar daarna brak hij uit die patronen, ging het er turbulenter aan toe, met snelle spurtjes, verwoed gedender, zware clusters, verrukte tingeltangels, gebeuk met de onderarm en struikelende vingers.

Erg indrukwekkend om te horen, maar duidelijk niet naar ieders smaak. Toch gingen we snel overstag voor deze combinatie van gulle, vitale energie en bluesy, tribale groove. Het tweetal speelde, zo vermoeden we althans, een fikse greep uit de duoplaat, liet en passant ook Armstrongs “What A Wonderful World” passeren en kreeg het publiek op de hand met die merkwaardige, maar knappe combinatie. Een lyrisch “You Ain’t Gonna Know Me ‘Cos You Think You Know Me”, ooit opgedragen aan de overleden trompettist Mongezi Feza, zorgde voor de eindnoot van een concert dat we best kunnen omschrijven als meeslepend en hartverwarmend.

En dan, rond een uur of twee ’s nachts, kondigde de vaste MC het Portugese Motion Trio aan als ”something completely different”. Wat volgde was een van de meest intense en overrompelende concerten die we ooit zagen. Echt. We hebben de vijf albums van het trio Rodrigo Amado (tenorsax), Miguel Mira (cello) en Gabriel Ferrandini (drums) in huis, waarvan er vier ook op deze website belandden (hier, hier en hier), maar niets had ons kunnen voorbereiden op de wervelwind die over het compacte festival terrein raasde. Bespeelde The Founder Effect een groter speelterrein, met een brede aanvalslinie, dan was het Motion Trio een compacte guerilla eenheid, een kanonskogel die met een waanzinnige eensgezindheid en furie op z’n doel af knalde. Het trio had duidelijk iets te bewijzen, besefte dat spelen om twee uur ’s nachts een vergiftigd geschenk kon zijn en koos resoluut voor het geweld. Maar hoe dat werd uitgevoerd…

Speerpunt van dienst was Ferrandini, die vanop dat hoge stoeltje (aanvankelijk een komiek zicht, tot je beseft dat hij het zootje zo nog makkelijker onder de duim krijgt) werkelijk alles uit de kast haalde. Albums met dit trio of het RED Trio lieten al horen dat hij een van de meest inventieve, kleurrijke drummers is van zijn generatie, eentje met een schier eindeloos bereik aan texturen, kleuren en densiteit, maar nu was het een gespannen razernij, alsof zijn hele lichaam onder stroom stond. Dit was geen act of performance, maar een strijd tegen grenzen van fysieke mogelijkheden door een man die bezeten was, in staat leek tot onherstelbaar geweld ook, maar dat vertaalde in een woest gerammel en geratel dat je met je rug tegen de muur pleurde. De manier waarop hij koppig bleef hameren op een stel cimbalen en zo een kolkende intensiteit creëerde,... pure adrenaline gierde door de keet. Een uur lang stond je erop te kijken als een onnozelaar die niet weet wat hem overkomt.

Het zou echter allemaal zo indrukwekkend niet zijn als hij niet zo’n magistraal weerwerk kreeg van Amado en Mira. De cellist kon diep stuwen als een echte bassist, maar verraste soms ook met melodieuze, tranceachtige loopjes, terwijl Amado net als op de platen blies met een ijzeren autoriteit: gespierd en energiek, maar zonder voortdurend toevlucht te nemen tot overblowing of patserig gegier. De soul bleef intact doorheen de twee lange stukken, terwijl hij het bisstuk mooi op gang bracht met een gloeiende solo, die liet horen dat hij tot het selectie clubje saxofonisten behoort die diep kunnen tasten in hun creatieve identiteit en je als luisteraar deelgenot maken van een tintelend proces van ontdekking. Een opwindende bom van een concert dat compleet te classificeren viel als power impro, maar uitgevoerd werd door meesters die duidelijk lieten merken zo veel meer te zijn dan een stel krachtpatsers. Ronduit verbluffend. Drie uur 's nachts en we waren klaar voor nog een uur of twee van dat.

Zondag 20 juli

Op zondag trekt Konfrontationen naar de Evangelische Kirche, vijftig meter verderop. Het namiddagconcert werd daar verzorgd door het Duitse duo Dietmar Diesner (sopraansax) en Simone Weißenfels (piano). Nu ja, een écht duoconcert werd het niet omdat het ingedeeld werd in twee sololuiken en een kort duostuk, waarbij vooral de soloperformance van Diesner opviel. Die hoorde je aanvankelijk wel, met een lange, circulair aangeblazen ademstoot, maar je zag hem niet. Tot hij vanachter het preekgestoelte verscheen en statig naar de voorkant van de kerk bewoog, om van daaruit een parcours af te leggen dat hem naar achter voerde, de trap op, naar de balkons boven en vervolgens terug in omgekeerde richting.

De sopraansax verviel daarbij niet in stilte, maar werd aangehouden. Aanvankelijk onverstoorbaar en onbewogen, alsof de tijd was blijven stilstaan, daarna met duidelijker nuances, soms maar kleine trillingen, die zo weggeplukt leken uit Evan Parkers legendarische sopraansoloplaat The Snake Decides. Het timbre werd gaandeweg agressiever, er verschenen stotende noten die in laagjes gelegd werden en het stuk mondde uiteindelijk uit in een paar korte erupties. Straf. Zo straf zelfs dat het vervolg – nochtans een mooi, ingetogen stuk van Weißenfels, en een duostuk dat al even subtiel, inclusief zachtaardig gesputter en bedeesde inside piano, aan het verkennen sloeg – niet dezelfde impact had. Niettemin een kort, maar mooi concert dat een mooie bonus kreeg door een passioneel eerbetoon aan het festival en een oproep om dergelijke initiatieven levend te houden.

Traditioneel valt het de laatste dag op dat de korte nachten en het alcoholgebruik hun tol beginnen te eisen. Zeker in combinatie met dergelijke muziek is het voor sommigen niet makkelijk, maar daar viel eigenlijk weinig van te merken tijdens het conceert van het Oostenrijkse kwartet Polwechsel. De band van stichtende leden Werner Dafeldecker (cello) en Michael Moser (bas) is nu een kwartet met twee drummers: Burkhard Beins en Martin Brandlmayr (twee jaar geleden nog in grote vorm met Radian). Een ongebruikelijke line-up en op papier doet het misschien vermoeden dat het gaat om een stel muzikanten die de extreme zones van de vrije muziek opzoeken, maar niets is minder waar. In de vroege avond zorgde voor een even kort als genuanceerd concert dat haast uitgevoerd leek door een kamerensemble.

Er kwamen allerlei objecten, potjes en stokken aan te pas, met een onwaarschijnlijk rijk aanbod aan kleurschakeringen, maar die werden dan zo gedoseerd gebruikt dat resoluut de kaart van het minimalisme getrokken werd. Of stel je het geduld van The Necks voor, maar dan met inbreng van een Eric Thielemans erbij. De muziek werd gestag opgebouwd, kreeg een enorme gelaagdheid en werd opgesmukt met excentrieke randjes, zoals het heftig gekletter van een stok tussen bassnaren, en voor je het wist was je beland bij een doorgeslagen klokkenwinkel, compleet met percussieve gekte. Een concert dat afklokte binnen de vijfendertig minuten, maar uitblonk in dromerige dosering. Knap.

Bijna klaar voor de finish en dus snel nog een keer alle remmen los met het Turkse kwartet Konstrukt, dat net als het Motion Trio iets te bewijzen had. De muzikanten barstten zonder aarzelen uit in een samenzang (of was het een strijdkreet?), om vervolgens behoorlijk explosief uit te halen met een kleurrijke oplawaai die meteen bewees dat je niet te maken had met een stelletje bleekscheten uit Duitsland of Engeland. De band heeft er intussen concerten en albums met iconen als Brötzmann en Marshall Allen op zitten en invloeden van dergelijke karakters zaten dan ook verwerkt in de set. De muziek was soulvol, vurig en knikte meer dan eens naar de fire music van de jaren zestig. Umut Caglar dubbelde daarbij op gitaar en lekker vettig ronkende Rhodes.

Er werden ook verschillende knappe deelfracties gevormd, zo o.m. toen Caglar en saxofonist/voorman Korhan Futaci even tribale oorden opzochten, inclusief exotische blaasinstrumenten. Behoorlijk gespierd, maar toch ook met souplesse, want de muziek zwierde van een fusion-achtige complexiteit naar withete freejazz (met knappe momenten van drummer/nestor van dienst Korhan Argüden) en verwijzingen naar hun lokale volksmuziek. Daardoor leek het wel alsof de band de missing link was tussen de exuberante jazz van Sun Ra en de meer cerebrale aanpak van de Chicago-meesters met de Europese en Turkse tradities. Het verschil met Polwechsel kon moeilijk groter zijn, maar de bonte mix sloeg aan. En terecht.

Was het trio Noid / Uchihashi / Wilhelm het buitenbeentje van de slotdag van de editie van 2013, dan was die rol nu weggelegd voor het duo Cilantro: Angelica Castello en Billy Roisz. Ze waren beiden al eerder te gast op het festival, maar dan met andere muzikanten en muziek die te situeren viel in de zone van de elektronische geluidskunst. De podiumopstelling – met veel effectendoosjes op een strijkplank, een mini tv’tje, een laptop en iets dat we best kunnen omschrijven als een soort houten paal die dienst leek te doen als geleider voor stem- en andere geluiden - beloofde nu opnieuw iets in die richting. Het begon ook allemaal zeer minimalistisch, met opduikende ruis en een onderwaterpuls, alsof je de wereld afluisterde vanuit een onderzeeër.

Het was bij momenten behoorlijk creepy, alsof je verborgen boodschappen hoorde via ruisende cassettes, en aanvankelijk leek het allemaal nogal arbitrair, maar gaandeweg werd je ondergedompeld in een complexe en mysterieuze soundtrack bij bevreemdende gedachtesporen en leek het steeds onwaarschijnlijker dat dit een product van vrij improviserende artiesten was. Er werd gespeeld met belletjes, een basgitaar werd op z’n kop gezet en bewegingsloos aan knopges gedraaid, en toch leidde het naar een performance met een vanzelfsprekende flow en aanpak waar duidelijk over nagedacht was. Knap om die vrije improvisatie eens te zien in een minder vertrouwde gedaante. Verandering van spijs doet… jawel.

Net voor het laatste concert vond een mooi moment plaats, toen de vrijwilligers van het festival op het podium geroepen werden. Daverend applaus voor mensen die een paar dagen lang (en sommigen van hen het hele jaar door) alles gegeven hadden om zoiets mogelijk te maken. De parallel met België was snel duidelijk: zonder dergelijke zotten die jaar na jaar hun nek blijven uitsteken komt het er gewoon niet van. En dan een trio dat eigenlijk de ideale afsluiter was. Deze keer geen complexe interactie op fluisterniveau of een prikkelspel vol obsessieve textuurspelletjes, maar een warm, gloedvol en dansbaar concert dat vooral inzette op groove, groove en nog eens groove.

De combinatie van Tony Buck (drums) en Mike Majkowski (bas) met toetsenist, accordeonist en veteraan van de Ethiopische muziek, Hailu Mergia, was een gouden vondst. Dit was een concert dat volgestouwd werd met repetitieve, funky beats, geweldig stuwende baslijnen en Mergia die op Rhodes zorgde voor de vetst denkbare jams. De specifieke toonladders zorgden ervoor dat de muziek meteen de sfeer van de Ethiojazz opriep (je moest meteen ook denken aan Mulatu Astatke en Getatchew Mekuria) en was in essentie eigenlijk dansmuziek. Een enkele keer haalde Mergia een paar spacey geluiden tevoorschijn die deden denken aan foute Herbie Hancock, maar voor het grootste deel van het concert voelde het haast aan als één ononderbroken monsterjam, waarbij Buck zich ontpopte tot de bastaardzoon van Clyde Stubblefield, Tony Allen en Steve Reid, met strakke beats en hypnotiserende rondjes over vellen en cimbalen.

Een zwoel en aanstekelijk concert om goedgezind van te worden. Een concert dat ook van dag vier een immens boeiende trip maakte en in één weg nog eens benadrukte dat Hans Falb er opnieuw in geslaagd was om een programma samen te stellen dat je voerde langs onverwachte sluipwegen, oude bekenden in nieuwe jasjes en onverwachte uitdagingen. De locatie en ongedwongen sfeer dragen ongetwijfeld bij tot het unieke karakter van Konfrontationen, maar het is de muziek die centraal staat en steeds opnieuw triomfeert. En hoewel deze editie misschien niet uitpakte met de grote(re) namen van 2013 en vermoedelijk ook iets minder volk trok, was dit muzikaal gezien minstens even sterk. Kortom: tot volgend jaar, Nickelsdorf.

Met dank aan Joachim Ceulemans/Kwadratuur voor de foto’s.

E-mailadres Afdrukken