Banner

Jazz Brugge 2014

4 + 5 oktober 2014, Concertgebouw Brugge

Guy Peters - foto's: Geert Vandepoele - 05 oktober 2014

Brugge. Die scone voor de ene, een groot uitgevallen pralinewinkel voor de andere. Maar ook thuisbasis van het tweejaarlijkse evenement dat al jarenlang een eigen hoekje in het festivallandschap heeft afgebakend. Door resoluut te kiezen voor Europese jazz word je niet alleen voorgesteld aan een heel ander soort headliners dan op de grote zomerfestivals, maar je maakt er ook nog eens kennis met de enorme diversiteit die onder die noemer van de ‘Europese jazz’ valt.

Zaterdag 4 oktober

Zelf waren we er enkel voor het avondprogramma van de laatste twee dagen, waardoor we een – naar verluidt - ijzersterke tweede dag misten, en een paar knappe concerten die ’s middags plaatsvinden in het Sint-Janshospitaal. Maar niet getreurd: er is zelden een avond op dit festival voorbijgegaan met niet op z’n minst één hoogtepunt of ontdekking van formaat. Met het Italiaanse duo Rita Marcotulli (piano) en Luciano Biondini (accordeon) had de organisatie een paar muzikanten in huis gehaald die in het verleden al een sterke indruk nalieten. Door de release van een recent verschenen duoplaat – La Strada Invisibile – was het snel bezegeld. Wat beloofd werd: Italiaanse romantiek en virtuoos drama met een klassieke achtergrond.

Daar viel zeker iets voor te zeggen, al ging het concert nog enigszins ingetogen van start, met Marcotulli die haar afgemeten pianowerk in een etherisch kleedje stak met een elektronisch galmeffect. Het samenspel met Biondini klonk meteen zeer filmisch en warm Mediterraans, had zo uit de vingers van een Morricone kunnen komen. De accordeonist spelde ook met het nodige drama, driftig schuddend met het hoofd, nu en dan heen en weer wandelend om de diverse emoties nog wat aan te dikken. En dat werkte in het lange stuk, dat aanvoelde als een medley, maar eigenlijk slechts twee composities aan elkaar breide.

Het zat er immers allemaal in: weemoedig ballademateriaal, snelle unisono loopjes, korte solomomenten met verschillende temperamenten en een fijne balans tussen hoofd en buik. Na die kloeke start zou de spanning echter verwateren: een volgende compositie klonk nog altijd flamboyant en bevlogen, maar miste de spankracht van het voorgaande, terwijl het duo iets later de kaart van de Italiaanse stroperigheid trok en er plots echo’s van Paolo Conte door de kamermuziekzaal waarden. Fijn bisnummer, nochtans: gezwind, frivool en onmiskenbaar Zuid-Europees. Geen verrassende festivaltopper, maar wel met sterke momenten.

Met het Zweeds-Noorse superkwintet Atomic had het festival een klepper van formaat in huis gehaald. Sinds 2000 tekende de band voor maar liefst elf albums, waarvan twee met Amerikaanse broederband School Days, die zijn reputatie als een van de strafste working bands van vandaag enkel maar onderstrepen. Het is ook veelzeggend dat er in heel die tijd maar één personeelswissel plaatsvond, en dat was recent. Drummer Paal Nilssen-Love had het te druk met 1001 andere projecten en werd vervangen door jonge snaak Hans Hulbækmo (een paar dagen eerder nog in Gent met Moskus), die zich met verve van zijn taak kweet.

Het is ook interessant om in 2014 nog eens naar Feet Music (2001) en Boom Boom (2003), de eerste albums van de band te luisteren. Verkeert het vijftal net als toen nog in de zone tussen freejazz en de avant-garde exploraties die je in de jaren zestig op het Blue Note-label hoorde, dan zijn ze in de loop der jaren opschoven naar een veel grilliger terrein. De composities zijn nu onvoorspelbaar en soms met schijnbaar willekeurig aan elkaar gehangen onderdelen, maar telkens opnieuw krijg je van die abrupte energieopstootjes en strakke wendingen waarmee je terechtgewezen wordt. Na jaren van samenspelen bereikte de band een zone die voor de luisteraar een inspanning vergt, maar voor hen overduidelijk ook comfortabel aanvoelt. Er is de band dan ook niets aan gelegen om zelfs op een prestigieus festival vooral uit te pakken met nieuwe, amper ingespeelde composities. Wie rekende op ouder werk was er dan ook aan voor de moeite.

De composities van rietblazer Fredrik Ljungkvist en pianist Håvard Wiik zijn uitgegroeid tot puzzels waarin de afzonderlijke stukken plagerig rondzweven, duidelijk makend waar ze thuishoren, soms met een eigenzinnige vorm, maar ook altijd met de onwil om het spel zomaar mee te spelen. Zo pakken ze soms wel uit met een gezamenlijk openingsstatement, maar zal dat daarna vaak uit elkaar vallen als zand dat tussen de vingers glipt. Dat was al zo vanaf opener “Lucidity”, waarmee gelonkt werd naar de wereld die Jackie McLean opriep in Let Freedom Ring!. Magnus Broo soleerde zoals we dat intussen gewoon zijn: geïnspireerd, maar ook met onaffe randjes, flirtend met een onvaste toon.

Daarna overliep de band het hele gamma, met elegante passages én stukken vol herrieachtig stadsgewoel, met opvallende momenten (een klettersolo van bassist Ingebrigt Håker Flaten stak vol kloek getrek en gesleur), dwarrelende overgangen en soms zeer minimalistische tactieken. Zo viel “McGuffin’s Tale” op door een tranceachtige baspuls die als een hartslag door het nummer klopte, terwijl “Major” plots omsloeg in een gedreven versnelling met driftige swing van een op hol geslagen Hulbækmo, die zijn detailspel even liet voor wat het was. Wiik onthield zich van al te boude commentaar en ingrepen, maar toonde zich een bedreven architect.

Afsluiter “Stuck In Stockholm”, alweer een nieuwe, bracht al die elementen mooi samen, met merkwaardige ideeën (de bassolo helemaal vooraan), een funky ruggengraat en een dreigende chaos die net niet ontspoorde. We zagen Atomic al gebalder en vuriger spelen, maar het kwintet speelde prikkelend en liet horen dat een festival nog geen reden is om plots risico’s te mijden en plaats te nemen in een comfortabele zetel. Dat was tijdens het slotconcert wel anders.

Het Paolo Fresu Devil Quartet van de gerenommeerde Italiaanse trompettist bestaat intussen al tien jaar en leverde in 2013 zijn tweede album af met Desertico. Zowat alle muziek die het kwartet speelde werd uit die plaat geput, maar doorgaans in versies die wat langer aansleepten. En meestal veel te lang. Fresu kan hele mooie dingen laten horen, maar hij mankeerde deze keer wel de inhoud om indruk te maken. Door z’n trompet en bugel voortdurend onder de elektrische effecten te bedelven en een koortsige broeierigheid op te zoeken belandde hij in een zone tussen de elektrische Miles (maar dan niet de meest geïnspireerde), Erik Truffaz en Palle Mikkelborg, met lange uithalen die nog eens aangedikt werden met het nodige drama (diep vooroverbuigen, naar de hemel opkijken). En zijn trompet klonk haast dubbel zo luid als die van Magnus Broo een half uurtje ervoor.

Het spijtige was dat de composities zelden meer leken dan een aanleiding om een sound te laten horen, want van die befaamde interpretatiekrachten viel niet veel te merken. Opener “Ambre” was een ingetogen aanzet met een gezellige ritselende en plukkende ritmesectie, terwijl “Moto Perpetuo” (het enige ‘oudje’) wat funkier werd en uitpakte een sound tussen prog en fusion zonder een overdaad aan ideeën. Idem voor “La Follia Italiana”: de bugel klonk haast als een vocoder, maar bleef eindeloos ter plaatse trappelen. Dan maar gitarist Bebo Ferra, die ging flirten met potige rock, maar niet kon verhinderen dat ook deze compositie weinig overtuigde. Het zou slaapverwekkend geweest zijn als het allemaal niet zo verdomd luid was. Ballade “Blame It On My Youth”, voorafgegaan door een anekdote over held Chet Baker, was dan eigenlijk overtuigender. Gesuikerd en comfortabel, maar ook wat het moest zijn. Sober, teder, franjeloos.

De bassolo die “Desertico” op gang bracht klonk goed, maar sleepte veel te lang aan, terwijl de band alles bedolf onder een troebele blues/funk/jam-saus. Het tweedelig slaapliedje “Ninna Nanna Per Andrea”/“Inno Alla Vita” was opnieuw behaaglijk luchtig, met fladderend trompetwerk dat goed klonk, maar al vergeten was zodra de lichten aanfloepten. Rest er enkel nog de vraag wat die ‘Devil’ te betekenen had in de naam van de band. Deze muziek klonk immers niet duister, gevaarlijk of verleidelijk. Daarvoor was het allemaal te eendimensionaal. Zouden ze Sting bedoelen? Een artiest van zo'n kaliber moet beter kunnen dan deze gemakzuchtige performance.

Zondag 5 oktober

Zondag was ECM-dag op het festival. Het wereldvermaarde label van Manfred Eicher is sinds 1969 uitgegroeid tot een grote speler binnen de jazz, met een catalogus van honderden releases, met de nadruk op Europese jazz, improvisatie en kruisbestuivingen met folk, klassieke, avant-garde en meer. Terwijl de muziek al enorm gewaardeerd is, geldt dat ook nog eens voor het herkenbare artwork en de hoge productiestandaard (“The most beautiful sound next to silence” is het motto). De expo met een grote selectie van ECM-releases, zowel op vinyl als cd, en talloze posters, was dan ook een fijne meerwaarde. Op de slotavond kregen we ook drie concerten gepresenteerd die momenteel aan het label verbonden zijn.

Het eerste daarvan, traditioneel in de kamermuziekzaal, was het duo Lucian Ban & Mat Maneri, dat vorig jaar met Transylvanian Concert een opgemerkte release uitbracht. Iets om naar uit te kijken, gezien de uiteenlopende achtergronden. Is het verwerken van de volksmuziektradities voor de Roemeen Ban een vanzelfsprekendheid, dan kreeg de Amerikaan zijn muzikale opvoeding via de unieke stijl van zijn vader, rietblazer Joe Maneri (die in de jaren negentig ook een aantal albums uitbracht via ECM), en een reeks samenwerkingen met o.m. Matthew Shipp, Tim Berne en William Parker. Het werd alleszins geen virtuoos-uitbundige zigeunermuziek om op te dansen en evenmin de traditionele Balkanblues met de melancholie die er dik op ligt.

Wat het dan wel werd, was een fraai evenwicht van stijlen en tradities, waarbij muzikale persoonlijkheden aan het oppervlak kwamen die er helemaal niet op uit waren om indruk te maken met machtsvertoon of een staalkaart met duidelijke emoties. Het kwam allemaal zelfs erg stil en traag op gang, met gedempte aanslagen van Ban en schijnbaar geïmproviseerde probeerseltjes van Maneri, die wel speelde op een gitaarversterker, maar het volume en de energie onder bedwang hield. Hij ziet er dan wel uit als Nigel Kennedy met een forse sik, maar de muziek kreeg de vorm van een ingetogen, statige mars, waarbij Maneri meer klonk als Eyvind Kang dan als de meeste Oostblokviolisten.

Het duo bleef redelijk lang in intimistisch vaarwater hangen, met zowel stukken uit Transylvanian Concert als nieuw materiaal. Homogeniteit stond voorop en delicaat, haast minimalistisch spel bleef een constante. Een enkele keer kreeg het een donkere spanning, werd even in de richting van Howard Riley of Keith Tippett gelonkt door Ban, maar uiteindelijk werd de kamermuziek nooit te zwaar of log. Het was dan ook geen hol drama of frivole verspilling. Evenmin een tamme act de présence of een gemakzuchtig festivalmoment. De aandacht houden tot het einde was niet evident, maar het duo speelde een overtuigend concert. Het bisnummer werd meteen na de start de nek omgewrongen door een versterker die dienst weigerde en ziedende feedback voortbracht. Het volgende technische probleem zou vervelender gevolgen hebben.

Nochtans begon het concert van het Elina Duni Quartet onder een veelbelovend gesternte. De Albanees-Zwitserse zangeres verliet op tienjarige leeftijd haar geboorteregio, maar uiteindelijk zou ze toch ingaan op de lokroep van haar roots. Samen met een stel Zwitserse muzikanten speelt ze nu vooral Albanese liederen (dus ook gezongen in die taal), maar dan dus in een jazzy jasje dat vakkundig en op maat voorzien werd door pianist Colin Vallon, bassist Patrice Moret en drummer Norbert Pfammatter. En het bleeef niet zomaar bij volkse onderwerpen in die liederen (al waren die er wel), maar soms kwam er ook engagement aan te pas in een handvol antioorlogsliederen die de tumultueuze geschiedenis van het thuisland in zich droegen.

Het meest opvallende was misschien wel dat van dat tumult weinig te merken viel bij de muzikale uitvoering. Toch was dat geen probleem, want als deze muziek ergens in uitblonk, dan was het wel dosering en gestage bedwelming. Duni beschikt over een stem die flexibel genoeg is om zowel veeleisende buigingen als diepere bluestoetsen mee te bereiken en de stem stond dan ook centraal in een performance die je hier en daar haast kon vergelijken met die van de Belgische Melanie de Biasio. Niet zo minimalistisch, maar afgemeten, broeierig en in elkaar gepast door muzikanten die een deugd maakten van dat gebrek aan franjes. Klonk de passage van Fresu en zijn kwartet eerder lui en onderontwikkeld, dan werd het hier bezwerend en verleidelijk.

Ster van de muzikanten was wat ons betreft drummer Pfammatter, een stuurs ogende figuur die nergens het geweld of het drama opzocht, voortdurend speelde in hypnotiserende, cyclische patronen en rollende grooves en de muziek zo een onaflatende puls gaf. Het was het ideale fundament voor Duni, die met een mooie timing en een volledige overgave zong. Het waren songs die uitblinken in emotie, maar die nergens gratuit of overdadig werden. De bewegingen en het gelaat van de zangeres waren expressief, maar ze stond er duidelijk met een gemeende overtuiging en integer plezier. Zelfs toen een luide knal plots het optreden verstoorde, was dat geen reden om in een kramp te schieten. Monitors en micro hadden het tijdelijk begeven, maar Duni greep het aan om de kwaliteiten van de akoestiek in de concertzaal te verkennen.

De traditie waar Duni naar verwees was eentje van de stem, ontstaan in streken waar er amper instrumenten voorhanden waren. Dat was te horen aan de composities, die zelfs zonder ondersteuning van de muzikanten overeind zouden blijven, maar het was toch mooi dat ze verpakt werden in een jasje dat de expressiviteit ervan subtiel benadrukte, zonder het allemaal in de verf te zetten met veel poeha. Minder was deze keer veel meer. Knap.

Met het Tomasz Stanko Quartet had de organisatie een van de grootste namen van de Europese jazz in huis gehaald. Stanko is hét gezicht van de Poolse jazz en al bijna een halve eeuw een prominente vertegenwoordiger van de vele gedaantes van de jazz, waarvan de laatste twintig jaar op het ECM-label. De intussen 72-jarige trompettist heeft intussen een speelstijl gevonden die hij al jaren verkent, maar was in het verleden zowel actief binnen zeer radicale vrije improvisatie als in meer traditionele jazzescapades, waarbij hij meer dan eens voorgesteld werd als een Europese Miles Davis. We kregen deze keer alleszins een muzikant te horen die bijzonder kwiek en gedreven speelde voor iemand met zo’n verleden en palmares.

Stanko had zich dan ook omringd met een erg gedienstige, Poolse band, met daarin sterpianist Marcin Wasilewski (ook een bekende op, inderdaad, het ECM-label) en de ritmesectie Slawomir Kurkiewicz (bas) en Michal Miskiewicz (drums), jongere muzikanten die ervoor zorgen dat Stanko z’n ding kan doen, en dat is een zwierige soort van postbop met breed uitgesponnen melodieën, maar ook een vrij traditionele invulling met de voorziene solomomenten. In het eerste stuk, een zoet, lente-achtige compositie, kreeg je meteen Stanko’s heldere en vloeiende spel te horen, met hier en daar vlugge loopjes en tierlantijntjes. Afgaande op z’n lichaamstaal – voortdurend wat nors heen en weer lopen zonder communicatie – zou je denken dat de veteraan er weinig zin in had, maar de muziek sprak dat tegen. Ook al was het rondje solo’s wel heel erg voorspelbaar.

Er werd gespeeld met kale lyriek en pastorale sferen. Soms hoorde je daadwerkelijk het uitgepuurde van Miles Davis. In een aantal stukken bleef Wasilewski eerder functioneel spelen, met een eerder ingehouden drama dat de muziek wel een filmisch gewicht gaf, maar als hij dan eens loos mocht gaan, dan mocht het spektakel even regeren, met buitelende handen, verkenningen van het hoge register en wat extatisch smoelengetrek. De ritmesectie bleef doorgaans steken in dat functionele, waarbij vooral drummer Miskiewicz er niet echt in sloeg om boven zichzelf uit te stijgen. Maar daarvoor was de muziek dan ook niet geschikt. Het kwartet speelde bijna anderhalf uur lang en bleef boeien, maar dat had vooral met de kwaliteiten van Stanko en Wasilewski te maken. Als band klonk dit kwartet minder overtuigend: er werd weinig verrast, solomomenten en wendingen volgden elkaar soms erg stroef op. Er werd gewoon wat weinig samen verkend en gespeeld om te kunnen spreken van een knallend orgelpunt, al kwamen de fans van de Poolse meester zeker aan hun trekken.

E-mailadres Afdrukken
 
Jazz Brugge 2014

Advertentie
Banner
Advertentie

TEST