Banner

Jazz Festival Ljubljana

1-4 juli 2015, Cankarjev dom

Guy Peters - foto's: Nada Gzank + Miha Fras (Dans Dans) - 02 juli 2015

Dat jazz anno 2015 een beest met vele koppen is, dat hebben ze in Ljubljana al langer begrepen. Het Jazz Festival, dat in 1960 werd opgericht en nu goed is voor een vierdaagse met negentien concerten, staat garant voor een dwarsdoorsnede van het genre en komt de voorbije jaren regelmatig op de proppen met verrassende combinaties en premières, zwaargewichten en aanstormend geweld. Elk jaar ligt de focus op een paar thema’s, en Vlaanderen (drie vertegenwoordigers) was er dit jaar één van. Een extra reden om eindelijk eens af te zakken naar Slovenië.

Woensdag 1 juli

De eerste uitdaging is om niet verloren te lopen in het gigantische Cankarjev dom, een labyrintisch congres- en cultuurcentrum dat beschikt over eindeloos uitgestrekte ondergrondse gangen en vele glimmende verdiepingen die allemaal naar nieuwe, intrigerende niveaus en verborgen uithoeken leiden. Het eerste concert vindt plaats in de Club op de zesde verdieping, waar je enkel met een lift kan geraken, maar dat met zijn openluchtterras en prachtige uitzicht over het centrum van Ljubljana wel een paar knappe troeven in huis heeft.

De aftrap werd gegeven door Flat Earth Society, de veertienkoppige bende onder leiding van Peter Vermeersch die intussen ook al anderhalf decennium garant staat voor een aaneenschakeling van bonte programma’s, samenwerkingen met gerenommeerde gasten, concertrondes en albums. Nadat het orkest eerder dit jaar in stond voor het muzikale luik van Tom Lanoye’s theaterstuk Revue Ravage, werd het tijd voor een nieuwe trip naar het buitenland. De band zou deze avond een hommage brengen aan Zappa, al mocht wie erbij was om kraaknette covers te horen meteen al de verwachtingen bijstellen. Hoewel het in één stuk uitdraaide op een spelletje ‘Zoek de Zappa-referenties’ voor gevorderden, had dit vooral meer met de geest van Zappa te maken.

Vanaf “Me Standard, You Poor” sjeesde het gezelschap immers met die bekende energie door die even schizofrene als hilarische wereld, waarin knetterende blazersarrangementen (zo’n stuk of tien blazers kunnen echt wel een ravage aanrichten), exotische uitspattingen, balkanhoempapa en een forse scheut anarchisme bij elkaar gebracht worden. Een onophoudelijke slalom tussen de wereld van Zappa, Carl Stalling, het Willem Breuker Kollektief, Zorn-achtige zaptics, met misschien zelfs wat Sun Ra of Hal Russells NRG Ensemble erdoor gegooid. Vol collectieve krachtpatserij, maar ook met volop solomomenten. Zo was Teun Verbruggen als vanouds de onvermoeibare motor op de eerste rij en een gedreven Pierre Vervloesem regelmatig goed voor scharniermomenten tussen zwalpende passages die in een vingerknip konden omslaan naar pompende 70s-soundtracks of moddervette grooves.

Terwijl zo’n “Graveyard Scuba” dreef op een loom rollende ritmesectie, ging het vlak erna een stuk agressiever eraan toe, met explosieve uitspattingen, Barry Adamson-sleaze en gitaarwerk op het vermangelde terrein tussen Zappa en Santana. Een solo van tenorsaxofonist Michel Mast was dan weer het serenademoment van “The Previous Song”, iets later volgestouwd met krabbende gitaar en de bronstig balkende basklarinet van Vermeersch. Muziek die soms gebracht wordt met een relativerende, spottende humor, maar die nergens tekenen van laksheid vertoont, want de composities van Flat Eath Society bevatten steeds opnieuw haakse wendingen, verrassingen en lagen. Zit je het ene moment te lachen met toetsenist Peter Vandenberghe, die staand op een stoel een triangel bespeelt, dan ontwikkelt “Rich Man’s Blues” zich vervolgens in een stuk met achterwaartse gitaarsolo en uit elkaar vallende organisatie.

Geen evidente kost voor een publiek dat niet vertrouwd is met de band, maar de laatste twijfelaars werden helemaal over de streep getrokken met een zoveelste knappe versie van “Fast Foward”, een van Vermeersch’ ‘hits’ (nu ja) en eentje die al meegaat sinds het begin van X-Legged Sally. En de eerste band van het festival mocht ook nog eens terugkeren met een bis die een vlammend punt zette achter een performance die opnieuw zo geinig en spannend was als met voetzoekers werpen tijdens de zondagmarkt.

*

Vanuit België is het niet evident om in te schatten hoe het er momenteel aan toe gaat binnen de Sloveense jazz, maar door recente bijdrages van o.m. Clean Feed (Pedro Costa, een van de oprichters en huidige leider van het label, is co-programmator in Ljubljana) zijn er wel een paar jonge muzikanten die recent wat internationale aandacht kregen, waarvan Cene Resnik, Dre Hočevar, die een Trio heeft met o.m. ook de Belgische pianist Bram De Looze, en de naar Amsterdam verhuisde Kaja Draksler enkele voorbeelden zijn. Het is dan ook goed dat het festival zijn lokale talenten ook de nodige kansen geeft. Met de wereldpremière van Hidden Myth van het Kristijan Krajnčan Project staat meteen een ambitieuze voorstelling op het programma, al is het maar omdat Krajnčan, die zelf nog maar een paar jaar geleden debuteerde als leider (maar dan wel met Ambrose Akinmusire aan zijn zijde), zich niet beperkt tot zijn drumstel of zelfs de muziek.

In de imponerende Grand Reception Hall van het gebouw werd immers een voorstelling gebracht door een vierkoppige band en twee dansers. De muziek leende zich daar ook goed toe, want was voor een groot stuk van het concert, dat zich ontvouwde als één lange beweging van bijna vijf kwartier, erg repetitief van aard. Krajnčan is geen drummer die het moet hebben van explosief vertoon of vette swing (ook zijn solomoment moest het vooral hebben van introspectie en ingetogen intensiteit), maar van een onophoudelijke stroom van pulserende ritmes en ruisende cimbalen, waarmee hij vele passages een hypnotiserende drive bezorgde. En zelf wisselde hij het drumstel regelmatig af met de cello. In combinatie met de piano van Franz von Chossy (bij ons vooral bekend van zijn samenwerking met Pascal Schumacher), de basklarinet van Alex Simu en de gitaar, viool en elektronica van George Dumitriu, leidde dat tot een erg statige en homogene, soms bijna minimalistische en zelfs folkachtige sound.

Muziek en dans waren daarbij organisch op elkaar afgesteld, ook al lagen emotie en symboliek er wel wat dikker op in de dans. De lichamen tolden rond en over elkaar, trokken elkaar aan om vervolgens weer af te stoten als een stel magneten, beeldden frictie uit vol geworstel, spastische sprongen en theatrale bewegingen. Geholpen door een uitgekiende lichtshow en het verrassend gebruik van koorsamples, leidde het tot een dramatisch geheel waarin gelukkig ook veel rustpunten ingebouwd werden. Solo’s voor basklarinet (doorgaans wat laag in de mix) en piano konden naakt en iel de ruimte innemen, zorgden voor ademmomenten en reliëf. Een hoogtepunt vond plaats toen een van de dansers met zijn rug naar het publiek ging staan en met elastische schouderbladen, armen en ruggenwervel het lichaam leek te laten zingen, onderworpen aan een transformatie via onbedwingbare krampen. Een passage die even ontroerend als onwerkelijk was.

Hidden Myth was een voorstelling van harmonie, maar ook van contrasten, al werkte die spanning tussen de lineaire, pulserende muziek en de zeer fysieke expressie wel. Misschien niet zonder kleine werkpunten – zo was het spaarzaam gebruikte filmmateriaal door de dans op de voorgrond misschien wat overbodig, en sleepte de voorstelling na een climax misschien nog iets te lang aan -, maar niettemin een performance die zijn ambitie waarmaakte en het interdisciplinaire potentieel mooi in het verf zette. Een meerwaarde voor het programma en het publiek.

*

Bij aanvang van het derde concert werd pas goed duidelijk hoe divers die eerste dag al was. Na de collectieve stoottroepen van Flat Earth Society en het poëtische drama van het Kristijan Krajnčan Project, werd met KUU! teruggekeerd naar een meer frontale aanpak. Het in Berlijn opererende kwartet heeft er dan ook de line-up voor. Met een dominante, onophoudelijk stuiterende mafketel als Christian Lillinger achter de drumkit word je sowieso getrakteerd op een overdosis energie en ideeën, maar dat werkte wel in combinatie met het gitaristenduo Kalle Kalima en Frank Möbus, en de opvallende zangeres Jelena Kuljic, die met opgeschoren, peroxidewitte haar en combat boots een militante punkattitude uitstraalde. En ze was dan ook meer opruiende punkmusicaldiva dan zwoele chanteuse of lieflijk kirrend vogeltje, zoals ook al te horen viel op debuutplaat Sex Gegen Essen.

Ze slaagde er in om het theatrale van Amanda Palmer, Nina Hagen en Liza Minelli in Cabaret te combineren met de snerende punk van Poly Styrene en hier en daar de stemgymnastiek van Diamanda Galás (zij het net wat minder hysterisch). Daarbij volgde ze de ene keer de gitaarlijnen van (een van) haar collega’s met een knappe timing, maar soms leek die eigenzinnige cadans ook helemaal los van de muziek rond te zweven, wat de muziek ook een bredere vrijheid gaf. De gitaristen stonden al die tijd naar elkaar gericht, een beetje zoals Frank Sampedro en Neil Young tijdens de Crazy Horse-concerten. Soms leek het alsof eentje meer de rol van bassist op zich nam, maar het ging net zo vaak over enorm complexe en verweven patronen, die gespeeld werden met haast mathematische precisie.

Maar Lillinger blijft ondanks die eigenzinnige groepsaanpak en de rock-‘n-roll-charme van Kuljic nog altijd de aandachtsmagneet van de band. De manieren waarop hij roffelt, speelt met cimbalen en hi-hat, het is van een waanzinnige densiteit en precisie. Voor elke slag die nodig is, lijkt hij er soms nog eentje extra, of een versierinkje, bij te steken, laat hij de stokken in het midden van een beweging nog eens ronddraaien tussen de vingers. En intussen springt die kuif maar op en neer op het ritme van een compleet dolgedraaide innerlijke klok. Dat is voor sommigen ongetwijfeld te veel van het goede, en het zorgt er ook voor dat de muziek amper nog ademruimte krijgt, maar het blijft natuurlijk ook een spektakel om te zien hoe een muzikant zo’n impact kan hebben op het groepsspel, met een even eigenzinnige als bombastische individualiteit. Het publiek moest er ook even aan wennen, maar net als Flat Earth Society een paar uur eerder, had KUU! aan het einde van het concert iedereen voor zich gewonnen.

Donderdag 2 juli

Gestaag is de naam van Joachim Badenhorst internationaal in aanzien aan het winnen en een jaartje nadat hij een van de meest gesmaakte concerten speelde op Jazz Middelheim, staat hij met het zevenkoppige Carate Urio Orchestra ook in Ljubljana. Het mooie is dat het concert ook wordt opgenomen in de reeks van live-momenten die uiteindelijk belanden op het Clean Feed-label. Iets wat vorig jaar ook gebeurde met dat van De Beren Gieren en Susana Santos Silva. De band werd deze keer ook aangekondigd als een echt internationaal gezelschap, want de muzikanten hebben allemaal een andere nationaliteit. En het lijkt wel alsof dat ook z’n impact heeft op de muziek, want die was deze keer al net zo eclectisch. Wie bij Sparrow Mountain al moeilijkheden ondervond om zijn weg te vinden in die combinatie van soms onverenigbaar lijkende stijlen, die wordt nu geconfronteerd met dezelfde uitdaging.

Niet dat het een bewust tegendraadse bedoening werd, laat staan een genreclash die het de luisteraar opzettelijk moeilijk maakt. Integendeel. Badenhorst & co. putten uit een traditie van improvisatie – soms van een zeer vrije, abstractie soort -, maar combineren dat met minimale invloeden, (pop-)songs, folkachtige hymnes en hier en daar zelfs noisy uitspattingen. Het is muziek die erg ambitieus is en vol risico’s steekt, maar anderzijds met de beide voeten op de grond staat en uitpakt met een tastbare, soms bijna kinderlijke directheid en naaktheid. En er gebeuren van meet af aan eigenzinnige dingen, want de statige hymne die het concert op gang trekt, wordt gevuld met door elkaar sprekende stemmen en excentrieke klanken van bassisten Brice Soniano en Pascal Niggenkemper. Schurend drama dat vervolgens passeert via zachtjes tikkende eenvoud en marspassages.

Het valt nu ook op hoe de focus van de band en muzikanten steeds verschuift, hoe het stokje voortdurend wordt doorgegeven en uitgewisseld. Het ene moment vindt er een intiem gesprek plaats van Soniano en Badenhorst, met hoge en aangrijpende boventonen op klarinet, en even later bevind je je in een aanwellende elektro-drone. Er lijkt soms een industriële ruis aan te komen, maar dan duiken er speelse melodieën in op, wordt er gretig gespeeld met effecten en texturen. En net als je denkt dat de muziek nog tegendraadser en eigenzinniger geworden is, halen ze uit met aandoenlijke samenzang, en mag drummer/gitarist Sean Carpio een soul falsetto bovenhalen in een rafelige popsong. Het ene moment lijkt het weggeplukt uit een intiem onderonsje, even later haalt Niggenkemper uit met klanken die nog het meest weghebben van ganzengegaggel.

Ook als Frantz Loriot en Badenhorst even samen zingen besef je meteen dat er geen grote zangers in zitten, maar dat ze die stap toch zetten benadrukt enkel maar de onbevangen geest van deze band, die muziek durft wegdrummen in een ongemakkelijk hoekje, maar het boeltje ook kan laten openvouwen met een majestueuze grandeur. Het door Soniano gedirigeerde slotsuk vertrok zo vanuit brommende en schurende klanken, om uiteindelijk te belanden bij een ratelende, knetterende, grootse melancholische schreeuw, een hybride fanfare van fragiliteit en euforie. Het publiek vond het helemaal geweldig en wij ook. Het is nu al uitkijken naar de albumrelease (titel nog te bepalen) en de concerten in eigen contreien. Wees erbij.

*

Met James Blood Ulmer had de organisatie een echte cultlegende in huis gehaald. De gitarist was vanaf de jaren zeventig een frequente speelpartner van Ornette Coleman en had een sleutelrol in de zone tussen freejazz, rock, funk en blues. Stilistisch kan je hem zo’n beetje beschouwen als een combinatie van John Lee Hooker (die stem draagt daar zeker toe bij), Jimi Hendrix en Eddie Hazel, al zijn er ook links met figuren als Pete Cosey en Sonny Sharrock. Heel wat bands die later vergelijkbare zones verkenden, van Defunkt tot Marc Ribots Ceramic Dog, hebben zeker een en ander aan de meester te danken. Sinds de millenniumwissel heeft die zich vooral op de blues geworpen, met een reeks uitstekende albums tot gevolg, waarvan solorelease Birthright (2005) het absolute hoogtepunt is. Uit die plaat zouden ook een aantal songs geplukt worden.

De solomuziek is natuurlijk minder excentriek en uitbundig dan de groepsmuziek, maar dat kan de man ruimschoots combineren met zijn podiumpresence (als vijfenzeventigjare in snakeskin boots en zonnebril het podium opwandelen, en enkel bad-ass cool uitstralen, het is weinigen gegeven), autoritaire stem en unieke gitaarspel. Dat is binnen de bluescontext een pak minder grillig dan het stekelige werk waar hij zijn faam aan dankt, maar hij heeft duidelijk zijn eigen sound en aanpak, en een minimum aan effecten dat een sterke homogeniteit creëerde. Voor sommigen was dat ongetwijfeld wat te weinig divers, maar het is natuurlijk de blues, evenveel gevoel als stijl, en die befaamde ‘harmolodic guitar’ is op het podium regelmatig goed voor een zompige, wah-wah-achtige sound met een trance die regelmatig aanleunde bij raga’s of de variant uit de Mississippi Delta.

Onverstoorbaar deed de man zijn ding. Veel meer dan een “thank you” kwam er niet uit, en regelmatig leek het alsof hij, helemaal in gedachten verzonken, wat tegen zichzelf zat te murmelen. Soms, zoals in “Where Did All The Girls Come From”, neigde het meer naar vooroorlogse folk, elders klonk het als zweterige psychedelische blues, en speelde hij een gedreven versie van B.B. Kings “Rock Me Baby”. Een uur en een kwartier was beslist heel wat, een enkele keer moest hij een song afbreken en hier en daar had je even het gevoel dat de spanning hem ontglipte (zoals in “Geechee Joe”), maar dan passeerde weer een nijdig “Devil’s Got To Go”, een intens smeulend “Survivors Of The Hurricane” of een prachtversie van “Are You Glad To Be In America?”, het titelnummer van zijn onmisbare plaat uit 1981 (met kleppers als David Murray, Oliver Lake en Grant Calvin Weston), en dan hoorde je ineens weer die unieke interpretatie van zwarte Amerikaanse muziek en een onwrikbare, diepe blues in het bijzonder.

*

En dan: de subtiele en het beest. Het brein en de ballen. De academische verfijning en de straatvechtersmentaliteit. Allemaal clichés die vooroordelen over soorten van geïmproviseerde muziek en muzikanten in de verf zetten. Al is het natuurlijk ook zo dat de combinatie van pianist Craig Taborn en rietblazer Mats Gustafsson op papier op z’n minst opmerkelijk te noemen is. De Amerikaan is een veelzijdig stilist, maar staat de voorbije jaren vooral bekend als een bevlogen, technisch virtuoos muzikant die zich op zijn soloplaat Avenging Angel een geraffineerd en intelligent improvisator toonde. Gustafsson is dan weer de man van het grove geweld, de gezwollen aderen en de doodschreeuw van een kudde zoogdieren. De tweede hadden elkaar al eerder ontmoet, maar nog nooit samengespeeld. De hele gezamenlijke voorgeschiedenis werd samengevat in één soundcheck.

Van aardige toegeeflijkheid of een verwaterde tussenvorm van de twee stijlen was geen sprake. Van Taborn zou je kunnen zeggen dat die wat assertiever en krachtiger te werk ging dan je gewoon van hem bent, met soms waanzinnig volgepropte clusters en bombastische razernij, maar Gustafsson deed als vanouds zijn ding, onverstoorbaar heen en weer wiegend, in de weer met pap-pap-pappende geluidjes en onderdrukt gejammer, maar die lichaamstaal, die voortdurende ‘ik-ben-klaar-om-uit-m’n-krammen-te-schieten’-houding, werd ook opgevolgd door ontredderde kreten, repetitieve stoten en gierende uithalen. Wie zat te wachten op klassieke, jazzy interactie bleef waarschijnlijk op zijn honger zitten, want vanuit die ooghoek bekeken leek het alsof tenorsax en piano routes volgden die weinig uitstaans hadden met elkaar. Gustafsson teerde opvallend vaak op herhaling, regelmatig met texturen die een aanslag waren op het gehoor, terwijl Taborn z’n handen over elkaar liet razen en buitelen, verzonken in een epische strijd met het ivoor. Soms zelfs verder tokkelend op het hout naast de laatste noot van het klavier.

Het indrukwekkendst klinkt Gustafsson misschien wel op de baritonsax, waarop hij technieken als snoeiharde tongue slapping combineerde met fysiek gekronkel en bronstig gebeuk. Een derde instrument was een vreemd soort toeter, blijkbaar een slide saxofoon. Het was klein, had een beperkt bereik en er moest duidelijk moeite gedaan worden om een klank uit te krijgen, maar het was vooral een fijne afwisseling. Voor een stuk gespte de Zweed zelfs zijn bassax om, wat net zoals bij het duoconcert met François Tusques dat we twee jaar geleden in Nickelsdorf (Oostenrijk) meepikten, leidde tot een merkwaardige combinatie. Toegankelijk werd het nooit, maar het leek wel alsof de toenadering iets duidelijker was in het slotluik van het concert, waar densiteit en de percussieve aanval duidelijker op elkaar afgestemd waren, ook al was Taborn meegaander dan de koppig verder ploeterende Zweed. Geen makkelijke kost en voor een deel van het publiek was het laat op de avond duidelijk wat veel van het goede, maar niettemin een intrigerende combinatie, die het eerder van een aangehouden frictie dan van een innige dialoog moest hebben.

Vrijdag 3 juli

Een iets te oppervlakkig gebruik van de naam Vitja Balžalorsky en een internetzoekfunctie zou wel eens voor een verrassing kunnen zorgen. Hoewel de jonge Sloveense gitarist soms opduikt in vrij klassieke jazzcontext, koos hij voor zijn soloset voor een resoluut experimentele aanpak. Voor hem lagen een vierkante meter effectenpedalen en andere prullaria uitgestald, iets wat hij aanvankelijk spaarzaam gebruikte, maar uiteindelijk benutte met de gretigheid van een kind dat van élke pot een snoepje wil. Hij opende zijn set met trage, vloeiende uithalen, die met wat knoppengebruik omgevormd werden tot muzikaal geneurie. Maar dan kwam er een strijkstok en een resem extra pedalen aan te pas, en was de man vertrokken voor drie kwartier fractuurimpro en maakte hij zo ongeduldig gebruik van de beschikbare effecten, dat het leek alsof hij een volksdansje stond uit te voeren.

Maar dat was het wel waard, want Balžalorsky kneep ongehoorde klanken uit zijn gitaar, die hij molesteerde en met strijkstok en plamuurmes, feedback liet zingen met een walkman, klokkengelui liet voorbrengen en uiteindelijk ook de loopsbehandeling gaf. Zelfs het blazen op de snaren zorgde voor een intrigerend effect; het leek even te spoken in zijn gitaarversterker. Door die steeds transformerende klanken zou je hem kunnen verdenken van gratuite chaos, en even leidde het tot een zuivere noise freak-out, maar wie goed oplette hoorde een vakman aan het werk met een imponerende kennis van zijn instrument en de oneindige nuanceverschillen die te creëren zijn met een schier eindeloze verbeelding en een arsenaal effecten dat al even uitgebreid was. Het iele getjilp aan het einde voelde even aan als een zachte landing na een korte, maar spannende reis door onherbergzame gebieden.

*

En dan: mannen met baarden. Mannen die, elk op hun manier, een immens waardevolle bijdrage leveren op het terrein van de vrije improvisatie (en daarbuiten) en de voorbije jaren uitermate productief zijn geweest. Binnenkort verschijnt hun eerste album als trio bij Clean Feed, maar trompettist Nate Wooley en gitarist Joe Morris namen vijf jaar geleden ook al een album (Tooth And Nail) op voor het label, terwijl Wooley recent nog een prachtplaat (World Of Objects) maakte met rietblazers Evan Parker en Jeremiah Cymerman. In de knappe Štih Hall, een echte rotonde met het podium in het midden, namen de drie plaats in een driehoek. Dat onderstreepte ten volle de maximale betrokkenheid en interactie van deze de muzikanten. Kon je bij het duo Taborn & Gustafsson nog het gevoel hebben dat het samenspel je ontglipte, dan was dit een lesje in pure communicatie, weliswaar op een immens verfijnd en verweven niveau.

Het begon allemaal erg ‘klein’, met een amper versterkte Joe Morris en zacht fladderende sound van Parker, die het hele concert tenorsax speelde. Wooley dwarrelde er rond met lange uithalen, smakgeluiden en die meteen herkenbare gerafelde sound van hem. Hoewel je de meer zuivere sound wel hoort in projecten zoals zijn Sextet, kiest Wooley in dergelijke projecten voor geluiden die minder conventioneel zijn, maar waarmee hij minstens even expressief aan de slag kan, zeker als hij ook nog eens gebruik maakt van hulpstukken zoals een demper of een aluminiumblad. Het meest memorabele aan deze performance, was echter wel de ingetogenheid die in grote delen van de muziek zat.

Met zo’n Joe Morris, die z’n vingers als een spin over de snaren kan laten razen, maar het instrument soms ook liet klinken als iets tussen een mandoline en een viool, of minimaal terrein opzocht met een EBow, mag je je altijd verwachten aan een paar verrassingen, maar regelmatig gaf hij ook prachtig commentaar op het samenspel van de blazers, die vaak erg nauw in elkaars buurt bleven. Het was soms percussief ploffend, golvend intens met kokend gepruttel en circulaire ademhaling van de meester, maar net zo vaak betoverend in z’n eenvoud van ideeën en expressie. Een samengaan dat frequent neigde naar het nerveuze dat je zou verwachten, maar vooral uitblonk in homogeniteit en hier en daar verrassende sereniteit. Van een intimiderend hoog niveau.

*

Voor de concerten van een paar publiekstrekkers werd op de derde dag verhuisd naar het nabijgelegen Križanke, een prachtig overdekt openluchtauditorium waar de Europese gitaarlegende Terje Rypdal een concert zou spelen met Big Band RTV Slovenija (de big band van de Sloveense radio en televisie) en gastmuzikant Ståle Størlokken, de organist die met Elephant9 en talloze projecten (o.m. aan de zijde van Motorpsycho) uitgroeide tot een van de boeiendste Noorse muzikanten van de voorbije decennia. Rypdal zelf is dan weer een van de muzikanten die bouwden aan het fundament waar de Noorse muziek, en de jazz in het bijzonder, nog altijd op teert (soms met de nodige clichés in de pers vandien). Die ‘Noorse jazz’ werd snel een label, al was het voor de latere generaties misschien ook wel een vloek. Generaties die, eerlijk is eerlijk, vaak dingen laten horen die heel wat boeiender zijn dan wat hier te beleven viel.

Je mag die klassieke Noorse jazz immers nog zo subtiel en galmend aanpakken als je wil, maar op z’n best staat die nog altijd overeind. De befaamde albums die Garbarek, Rypdal, Bobo Stenson, Ralph Towner & co. maakten, zijn vaak doordrongen van een associatieve spirit en een muzikaal zoeken dat deze avond compleet afwezig was. Het orkest beschikte over niet minder dan zestien blazers, een toetsenist, twee bassisten, een drummer en een percussionist, maar het kwam veel te weinig tot leven, bleef stug terplekke trappelen. De muziek was stroef, de muzikanten klonken routineus en zelfs die diep brommende contrabasklarinet kon niet voorkomen dat je snakte naar een kleinere, meer levendige bezetting. Het geheel duurde amper drie kwartier, maar er bleef achteraf te weinig van hangen.

Rypdal kon ook niet het verschil maken met zijn Stratocaster. Toen die zingend opdook in de geluidsmuur van het orkest, voelde het even aan alsof een mysterieuze sirene voor de nodige afwisseling of afleiding ging zorgen, maar ook deze legende had geen geïnspireerde dag, want de melodielijnen klonken wollig en inwisselbaar, de whammy bar een instrument om het geheel nog wat zoeter te maken. Enkel Størlokken leek vastbesloten om uit dat keurslijf te breken, maar omdat hij slechts een enkele keer solo van leer mocht trekken en voor de rest stand moest houden tegen een compleet orkest, kon hij ook niet het tij doen keren. Dat de muzikanten op meters van de podiumrand zaten, maakte het ook al niet meer uitnodigend. De vogels in het nabije groen floten heel de tijd gewoon verder, alsof er niets aan de hand was. Je kon ze geen ongelijk geven.

*

Toen het hoofdgerecht van de avond - Sly & Robbie meet Nils Petter Molvær - arriveerde, was de zon intussen gezakt en werden de gekleurde lichten aangestoken voor een avondje clubben. Op papier leek de combinatie van Jamaïca en Noorwegen misschien niet evident, maar eigenlijk pakte die combinatie wel. Molvær is al langer dan vandaag bezig met jazz en elektronische muziek, terwijl Sly & Robbie, veteranen van talloze producties en ritmesecties, hun sporen nagelaten hebben in decennia populaire muziek. Ze hebben immers Black Uhuru (ze waren vaste leden in de populaire jaren), Grace Jones, The Rolling Stones én Santana op hun cv staan, naast talloze andere namen uit rock- en (vooral) reggaemilieus. Dat dit nog niet te betekenen had dat het publiek op avontuur getrakteerd zou worden, werd echter snel duidelijk.

Toegegeven: Molvær was samen met o.m. landgenoot Bugge Wesseltoft ooit een van de grondleggers van een combinatie van gestileerde jazz en hippe elektronica die talloze navolgers inspireerde. Anno 2015 blijkt Molvær heel wat minde grensverleggend, want de clubby grooves – de ene keer spacey, de andere wat vetter funkend of kronkelend tussen reggae en funk – klonken wel lekker broeierig en zweterig, soms ronduit sensueel, maar hadden eigenlijk weinig zeggingskracht. En in de beperking herkent men dan wel de meester, maar Sly Dunbar koos achter het drumstel wel heel erg vaak voor dezelfde onverstoorbare ritmes. Misschien een beetje onfatsoenlijk om te zeggen, maar je kon ze amper onderscheiden van de ritmesecties die in grote getale de exotische festivals van Europa bevolken.

Een enkele keer ging het er wat introverter aan toe, werd eens geknikt naar Miles Davis anno On The Corner, of aangeleund bij wat een Erik Truffaz soms laat horen , maar voor het grootste deel regeerde stijl boven inhoud en kreeg de gestileerde trance zelfs geen billen aan het draaien. Zou het tijdperk van die ooit zo frisse jazzgrooves voorbij zijn, of lag het aan de weinig fantasierijke uitvoering? We laten het in ’t midden.

*

Dan ging het er bij Dans Dans heel anders aan toe, want Dans Dans knetterde, kronkelde, nam risico’s en haalde een paar keer uit met een verzengende kracht. Het trio speelde met lef en dynamiek, baande zich een weg door een greep songs uit de drie albums die zowat alle sterktes onderstreepten: het indrukwekkende interpretatieve vermogen (of kunt u nog veel Belgische, of zelfs internationale bands die zich met zo’n vanzelfsprekend gemak zo’n uiteenlopende songs eigen maken?), de sobere, bijna minimale grooves, het intuïtieve samenspel, de sfeeropbouw. En het publiek lustte het wel, want vanaf de jazzy blues van opener “El Is A Sound Of Joy” kon na elke song een luid applaussalvo gehoord worden. Wat de band leek te beschouwen als een aanmoediging om steeds sterker te gaan spelen.

“The Sicilian Clan” was ongetwijfeld het meest sensuele geluid dat het festival te horen kreeg, Bert Dockx’ gitaar trippelde en gierde zich een baan door “Take A Close Look” en die ene Engelse journalist die we er ontmoetten zat een dag later nog altijd “Fleurette Africaine” te neuriën. Hoogtepunten? Geen beginnen aan eigenlijk, maar de eindspurt was wel héél erg straf. “Freedom Suite”, aangekondigd als een jazz standard, of toch een stuk dat dat zou moeten zijn, zette nog eens in de verf wat voor een hecht slingerende ritmesectie Fred ‘Lyenn’ Jacques en Steven Cassiers geworden is, terwijl de rebetika van “Htes To Vradi Sto Teke Mas” de gitzwarte kers op de taart was. U wist al langer dat Dans Dans een nationale topper was (ja toch?), maar op het internationale platform gaat het al net zo goed. Uw man terplekke kroop voor de derde keer onder de wol als een fiere Belg. Ook al geleden van het WK ’86.

Zaterdag 4 juli

De slotdag ging van start met een kwartet rond de jonge Sloveense drummer Dre Hocevar. Die is zich op geen tijd aardig in de kijker aan het spelen en is voor de Belgen misschien extra de moeite om in het oog te houden. Pianist Bram De Looze maakt immers deel uit van het Trio dat onlangs een tweede album uitbracht bij Clean Feed. Op zich al een reden om de talenten in het oog te houden, maar het bleek dan ook nog eens een verrassend matuur werkstuk, waardoor het erna al iets minder verbaasde dat Hocevar amper een week geleden in New York stond te spelen met een XL-versie van het Trio, met daarin zwaargewichten als Joe Morris en Nate Wooley.

Die stonden ook nu aan de zijde van de jonge drummer, samen met bassist Pascal Niggenkemper, nog zo’n muzikant die de voorbije jaren grote sier maakte in New York en regelmatig opduikt bij Joachim Badenhorst (zie Carate Urio Orchestra en Baloni). We moesten de start van het kwartet helaas missen, maar het concert leek niettemin behoorlijk indrukwekkend en was voorzien van een zeer intense, bijna minimalistische focus. Hocevar maakte het ene moment gebruik van de complete drumkit, zorgende voor een rommelende fond, maar beperkte zich lange tijd ook tot het laten resoneren van een cimbaal. Die maakte deel uit van een zinnelijke klankengolf die aangedikt werd door het al even dromerige, bijna zoemende spel van Morris en de eigenzinnige pruttelpartijen van Wooley (die zich opnieuw ontpopte tot een muzikant met een opvallend ontwikkelde intuïtie en vermogen om binnen elke context een meerwaarde te zijn) en het originele baswerk van Niggenkemper, die voortdurend gebruik maakt van allerhande potten en pannen om zijn vocabularium aanzienlijk uit te breiden. Een even prikkelend als bezwerend concert dat organisch vloeide en dat ondanks de vrije insteek zorgde voor een knappe trance.

*

Carlos Bica Azul, het trio rond bassist Bica, was de eerste door een Portugees geleide band en werd voor de verandering ook aangekondigd door Pedro Costa. Intussen heeft Bica er al een vijftal albums opzitten met gitarist Frank Möbus en drummer Jim Black, met wie hij al die tijd al rondzwerft in een wereld die jazz vooral combineert met pop en roots. Dat betekent deze keer dus geen doorgedreven klankenonderzoek en vrije improvisatie, maar heuse songs, waarvan sommigen afklokten binnen poplengtes en anderen wat langer durfden meanderen, maar steeds binnen duidelijker parameters bleven hangen. Niet dat het niet de moeite was, want Bica beschikt over een bijzonder mooie sound op de contrabas, de solo’s vloeien er bij Möbus uit en Jim Black... dat is natuurlijk Jim Black. Vaak te horen binnen bands met een rockdimensie en altijd even herkenbaar.

Wat hem meteen onderscheidt van veel drummende collega’s, is zijn soms oorverdovende volume. Of toch veel meer dan op de albums van het trio. Er stond niet voor niets een plexiglas wand opgesteld tussen Bica en Black, die er soms op los hamerde alsof hij in een metalband zat te spelen, alles durfde opvullen met roffels en ratels en stuiterende uitweidingen. Soms had je het gevoel dat het de muziek de zuurstof benam of dat het daardoor wat te pompeus werd, maar tegelijkertijd is het misschien ook iets dat het trio net onderscheidt van andere, vergelijkbare bands. Zo was het hier en daar moeilijk om niet te denken aan sommige ingetogen/broeierige stukken van Dans Dans, een band die dan toch wat moeilijker vast te pinnen is op een paar kenmerken.

De songs sudderden in Amerikaanse twang, speelden met poppy thema’s en harmonieën, soms dobberend op lome grooves, maar net zo vaak met een gekapte funkslag, een repetitieve baslijn, zoals in “Believer”, of de bombast van “O Profeta”, waarin Black veel dichter zat bij Bill Bruford dan bij Art Blakey of een andere jazzdrummer. Maar ondanks het occasionele geweld van Black bleef Azul vooral de weidsheid van een prairie uitstralen, zij het dan zonder cowboydimensie. Enkel het einde van het concert had iets anders in petto. Plots kregen we een veel agressievere band te horen en ging het trio in “Deixa Pra Lá” bijna punk als een denderende trein spelen, met Möbus die voor het eerst echt loskwam van zijn Frisell-meets-Haggard-stijl. Voor een geinig bisverhaaltje wisselden de drie zelfs even van instrument.

*

Het negentienkoppige Fire! Orchestra was qua grootte ongeveer vergelijkbaar aan het orkest waar Terje Rypdal mee speelde, maar had een energie en zeggingskracht die een veelvoud daarvan was. Twee albums en een resem opgemerkte concerten hebben van het gezelschap, die eigenlijk een XL-versie is van het trio met bassist Johan Berthling en drummer Andreas Werliin, intussen het paradepaardje gemaakt van al de bands waar Gustafsson mee speelt. En het gaat hem eindelijk voor de wind. Fire! Orchestra stond stond vorig jaar op Roskilde en rijgt deze zomer het ene festivaloptreden aan het andere. En terecht, want de band leest op papier bijna als een who’s who van de Zweedse/Deense impro, met een paar artisten die al even werken aan een straf parcours (Jonas Kullhammer, Lotte Anker, Mariam Wallentin…) of aan het begin staan van een mooie carrière (Anna Högberg, Mette Rasmussen,…). En dan is er nog trombonist Mats Åleklint, die naast het Fire! Orchestra ook nog te horen valt in de Large Unit, Angles 9, All Included en zijn eigen band. En dan hebben we nog niet de helft van het volk vermeld. Alstublieft.

En Gustafsson mag dan wel een muzikant zijn met een overweldigende présence en ook vaak ruimte inlassen voor solomomenten, maar dit blijft natuurlijk een collectief van het grote, gezamenlijke gebaar. De aanpak van dit nieuwe stuk van meer dan een uur was vergelijkbaar met de muziek op voorgangers Exit! (2013) en Enter (2014), wat betekent: lang aangehouden passages die teren op onophoudelijk roterende grooves, pompende blazerssecties en grote emoties, om nu en dan onderbroken te worden voor vrije segmenten die soms inzetten op ingetogen, zelfs fragiele ideeën, maar nu en dan ook excentrieke of speelse uitspattingen, om vervolgens weer het platform te vormen voor een nieuwe sectie die het boeltje op gang trekt. Het stuk bestond grofweg uit een stuk of zes van zo’n bewegingen. Meestal onweerstaanbaar catchy, regelmatig massief, soms met een exotische draai, maar altijd soulvol.

Daardoor krijg je een enorme dynamiek qua stijlen, volume en densiteit. Het boeltje kan zowel in elkaar stuiken als in een vingerknip de muren doen daveren, pompende passie aan melancholie koppelen, knetterende elektronica aan akoestisch geweld. Hier en daar is er een flard humor (zoals het slide saxofoon-onderonsje van Kullhammar en Gustafsson) en dan zijn er ook nog zangeressen Sofia Jernberg en Maria Wallentin, sirenes die extatisch kunnen kirren, rauwe keelgeluiden voortbrengen, maar soms ook uithalen met bezwerende serenades die recht naar de keel grijpen. Fire! Orchestra verwijst meer dan eens naar grote orkesten uit allerlei divisies en tijdperken van de jazz, maar heeft een eigen sound, karakter en een hart dat klopt als een grote ode aan het leven.

*

Spelen na dit Fire! Orchestra is natuurlijk ook een vergiftigd geschenk, want de kans zit er dik in dat je nogal flauw en braafjes gaat klinken na zo’n geweld. Misschien maar goed dat het festival het over een compleet andere boeg gooide voor het volgende concert. Met Diogo Nogueira & Hamilton de Holanda: Bossa Negro werd immers volk in huis gehaald dat uitblinkt in de Portugese tradities die in Brazilië belandden en daar leidden tot een nieuwe mengvorm. Van de band is vooral mandolinespeler de Holanda bekend in deze contreien. Zijn duoconcert met Stefano Bollani was voor velen aan van de hoogtepunten van Jazz Middelheim in 2012 en leidde een jaar later tot het goed onthaalde O Que Será bij ECM Records. Was het in Park Den Brandt echter een voorstelling van twee kleppers die aan elkaar gewaagd waren, of over z’n minst beschikten over een even opmerkelijke muzikale persoonlijkheid, dan was het evenwicht nu wel wat verder te zoeken.

De technische virtuositeit van de Holanda werd ondersteund door een zeer solide meespelende ritmesectie (contrabas en percussie), maar het was vooral zanger Nogueira die wat licht uitviel. Geen idee of het te maken had met de oortjes die hem op basis van het voortdurende corrigeren duidelijk parten speelde, maar de man miste de overtuiging en het individuele talent van zijn collega en liet eigenlijk zelden horen dat hij op z’n eentje ook het verschil zou kunnen maken. Hij stond er wat plomp bij, had een matig stembereik en van die befaamde passie van de Portugese muziek viel eigenlijk weinig te bespeuren. Doe daar nog eens de opmerkelijke kleffe visuals (zonsondergangen, strandpret, rollende golven, etc) bij, net als een hele resem perfect getimede bewegingen en tics, en je bleef achter met een onvoldaan gevoel. Je kreeg een vertoning te zien, geen concert. De spontaniteit die er bij het Fire! Orchestra nog van af spatte (ondanks de gehanteerde structuur) was hier ineens de grote afwezige, ondanks het spel van de Holanda, waar zoals gewoonlijk niets op een te merken viel. En ook het publiek reageerde tam. Jammer, zeker voor een genre dat het net van kleur en gevoel moet hebben.

*

Gelukkig konden we de avond en het festival afsluiten met een topper (al was het nachtconcert van Elephant9 & Ståle Størlokken, dat we helaas misten, naar verluidt ook erg straf): het duo Mette Rasmussen & Chris Corsano. In mei waren ze al bijna een hele maand de hort op, wat in Den Haag leidde tot een concert dat een beetje gefnuikt werd door een verschrikkelijke akoestiek (in een kerk die dodelijk was voor Corsano’s spel), maar in Antwerpen tot een revelatie. En dat was ook nu het geval, want het duo speelde van start tot einde een intense en zelfzekere set die volop inzette op energie. Net als in Antwerpen en op het recent verschenen All The Ghosts At Once vond een heftig vloeiend en stuiterend verkeer plaats, al werd er nu nog een stuk assertiever, zelfs agressiever gespeeld. Rasmussen tastte in haar bluesreserves, haalde uit met scheurende en jankende serenades die volgestouwd waren met repetitieve schreeuwen en scherpe slapping, terwijl Corsano reageerde met een storm van ritme, razend over de vellen en cimbalen, en passant ook nog in de weer met allerhande versieringen en klankmanipulaties. Soms een enorm gecondenseerde samenvatting van zijn kunnen in compacte erupties.

De twee lieten het tempo regelmatig ook een keer zakken voor een moment van introspectie. Bij Rasmussen de gelegenheid om de uit de saxbeker gulpende klanken te manipuleren met een schaaltje of een erin gestoken koker, voor Corsano om even in de weer te gaan met strijkstok en dat merkwaardige blaasinstrument dat hij ook in Antwerpen bij had. Het was alleszins een set die bij momenten compleet aan de kook gebracht werd, Corsano’s sterktes uit de doeken deed en voor Rasmussen alweer een visitekaartje was. We gaan er nog veel moois van horen.

Helaas niet kunnen meepikken: Igor Bezget, Elephant 9 w/ Reine Fiske en Jü & Kjetil Møster.

*

Conclusie dan maar? Het 56ste jazzfestival van Ljubljana was een sterk evenement: zeer goed georganiseerd en met een aantrekkelijke en erg gevarieerde line-up. In een tijd waarin festivals het soms moeilijk krijgen om avontuur een kans te geven, is dit een verademing. Er viel binnenlands talent te horen dat voor het eerst kon spelen voor een groot en internationaal publiek, er waren een paar internationale kleppers die de pannen van het dak speelden (Nate Wooley door zijn vervanging van Goran Kajfes bij Fire! Orchestra zelfs drie keer), maar ook een aantal jongere of minder bekende talenten, die het er soms veel beter van afbrachten dan een aantal meer geroutineerde artiesten. En dan waren er nog de Belgen, die duidelijk maakten dat de Belgische (maar eigenlijk ook de internationale) jazz zo divers is dat ze onmogelijk nog te verzamelen valt onder een nationale noemer en vooral overtuigden met branie die labels overbodig maakt. Kortom: avontuur, afwisseling én de vinger aan de pols. En dat in het mooie Ljubljana. Misschien toch maar eens gaan kijken in 2016?

Foto's © Nada Zgank / Ljubljana Jazz festival 2015, behalve Dans Dans: © Miha Fras / Ljubljana Jazz Festival 2015

E-mailadres Afdrukken