Banner

Machtelinckx/Jensson/Badenhorst/Wouters + Natashia Kelly Group

27 februari 2016, Kc Nona

Guy Peters - 29 februari 2016

Het kwartet rond gitarist Ruben Machtelinckx is momenteel bezig aan een JazzLab-concertreeks die hen door het land voert (u heb nog drie kansen om hen deze winter aan het werk te zien: in Genk, Borgerhout en Brussel), maar de combinatie met de Natashia Kelly Group, die onlangs verraste met het fraaie The Uncanny, trok ons naar Mechelen. Een prima beslissing, zo bleek.

Ruben Machtelinckx, ’t is een kalmen tiep. Geen geval van veel volume, complimenten of poeha. En toch staat de impact van zijn stille muziek - of het nu gaat om dit kwartet of om Linus – haaks op die ingetogenheid. Faerge (2013) en Flock (2015) waren eerder bedeesde, muzikale schetsboeken die uitblonken in zorgvuldig in elkaar gepaste composities en hoorspelen met een opvallende rijkdom aan grijstinten. En dat sloeg duidelijk aan, want beide albums konden rekenen op opvallend goede reacties, van pers en publiek. Hoog tijd dus, om dat ook nog eens live mee te maken.

Een echte breuk met de albumversies kreeg je niet te horen. Nu viel ook pas op hoeveel van deze schijnbaar spontaan dobberende muziek eigenlijk met een gedetailleerd plan in elkaar gepast is. Dat de bladmuziek nauwlettend in de gaten gehouden werd. Maar er kon hier en daar ook afgeweken worden. Een aanloop werd uitgesteld, een voorzichtige climax langzaam uitgebuit, een instrument gewisseld. Het leek ook even te duren voor de band echt z’n draai gevonden had, maar zodra dat het geval was, werd je willens nillens meegesleurd (weliswaar met zachte hand) in een trektocht vol mysterie, fijnmazige interactie en melancholische breekbaarheid, met Joachim Badenhorsts (bas-)klarinet die sereen tussen contrabas en compatibele gitaren kuierde.

Ook opvallend: de resem pedalen en effecten die uitgestald lagen voor Machtelinckx, collega-gitarist Hilmar Jensson en bassist Nathan Wouters. Al was ook dat iets dat vooral de fijngevoeligheid van de oren aansprak, want gratuite effecten en andere gimmicks kwamen er niet aan te pas. Het concert ging van start als een zachtjes wentelende beweging met folkachtig getokkel, schaduwpartijen en klare lijnen die plots konden opduiken. En zo’n “Ladakh” overtrof nu moeiteloos de studioversie, met een intens scheurende tenorsax-solo van Badenhorst die in het slot afgerond werd met gedruppel uit vier richtingen.

Maar het is ook wel een evenwichtige band waar elke schakel een bijdrage levert, want zo was Wouters’ spel de rode draad door “Cumulus” en werd vanuit een collectieve soundscape toegewerkt naar het onheilspellende "Mc Murdo", waarin het banjospel van Machtelinckx gecounterd werd door de zware uithalen van Jensson. Het was een concert dat eerst een beetje moest ontdooien, maar vervolgens wel indruk maakte, want je werd getrakteerd op de sfeer van verlatenheid en ongrijpbare schoonheid waar Machtelinckx intussen een patent op kan nemen.

Aan het begin van het concert kondigde zangeres Natashia Kelly al aan dat de band eerst eigen composities zou spelen, om dan af te sluiten met een stuk van een ander. Een duidelijke boodschap naar degenen die de EP al gehoord hadden: wachten beloont. Maar wat voor dat slot te horen viel, was trouwens ook de moeite. Vanaf “Emotions” kreeg je meteen een evenwichtig beeld van het karakter van dit kwartet, met de subtiel aanzwellende elektronicagolven van Juan Parra, het lyrische klankboetseren van bassist Brice Soniano (geef die man een noot en hij maakt er poëzie van) en de kringelende lijnen van Edmund Lauret, die zich opnieuw ontpopte als een missing link tussen Gary Lucas en Richard Thompson, met een even suggestieve als scherpe stijl, waar hier en daar een vage flard spokenblues in doorsijpelde.

Het vervolg bood een mooie afwisseling, met hier en daar een iets expressievere ingreep van Parra (iets dat hij gerust vaker had mogen doen, want zijn knipwerk bezorgde de muziek meteen een extra spanning), en regelmatig woordenloze zang van een geconcentreerd heen en weer wiegende Kelly. Die herinnerde in de meest experimentele momenten aan stemgymnasten uit het Noorden, zoals Sidsel Endresen en Maja Ratkje, met gesis en gekreun dat weerwoord kreeg van huilende gitaareffecten en grove bastexturen.

In “Isolation” (al dat tenminste de titel is), werd een ritmischer koers gevaren, even naar de Amerikaanse traditie gelonkt, leek het even alsof er een gospelinfuus aan te pas gekomen was. Heel even klonk het alsof Kelly daar Nina Simone en de Scandinavische sirenes bij elkaar wilde brengen, en dat lukte erg goed. Net als die versie van Dylans “Ballad Of A Thin Man”, die terecht het sluitstuk van dit concert was: een even beheerste als intens lillende brok emotie. Niet slecht voor een song met een tekst die zo cryptisch is dat er vijftig jaar later nog altijd talloze interpretaties de ronde over doen. Met die laatste, krachtige uithaal zette Kelly er alleszins opnieuw een bijzonder knap punt achter.

Al kwam er wel nog een bisnummer, waarvoor de zangeres enkel vergezeld werd door Soniano, met wie ze al heel wat duoconcerten gaf. Het werd een volledig akoestische versie van Ornette Colemans “What Reason Could I Give”, die hier ingevuld werd met een innige naturel die ervan af spatte. Kortom: de band had z’n entree niet gemist en zorgde ervoor dat ook dit sterke tweede concert eindigde met een hoogtepunt. Het doet dan ook uitkijken naar wat deze band nog allemaal in z’n mars heeft.

E-mailadres Afdrukken