Fire! Orchestra

3 juni 2016, De Studio

Gowaart Van Den Bossche - foto's: Geert Vandepoele - 05 juni 2016

“Ladies and motherfuckers”: het was Mats Gustafsson ten voeten uit die het publiek aansprak na een overrompelende set van zijn Fire! Orchestra. Tegelijkertijd vatte het mooi de attitude van deze avond samen: jazz met een ferm stel kloten, een motherfucker van een muilpeer die ons nog lang zal bijstaan.

Maar eerst: vier leden van dat zeventienkoppige, uit internationale kleppers samengestelde orkest die minisets als opwarmer speelden. Per Texas Johansson mocht daarbij de spits afbijten met een indrukwekkende snelcursus speelstijlen op de basklarinet. Het is een instrument dat doorgaans geassocieerd wordt met diepe, ronkende lyriek, maar in feite is het misschien wel de meest veelzijdige telg in de gehele klarinetfamilie, iets wat Joachim Badenhorst bijvoorbeeld ook mooi aantoont. De eindeloze variëteit aan klanken wist Johansson goed in de verf te zetten: de man liet zijn instrument een kwartier lang grommen, zingen, schrapen, zalven, slaan en ga zo nog maar even door, om in een kabbelende lang aangehouden circulaire ademstoot te eindigen.

De duoset van Mette Rasmussen op altsax en Mads Forsby op drums legde een iets minder brede diversiteit aan de dag, maar wist toch ook een imposant klanklandschap op te bouwen in een erg beperkte tijdspanne. Het Deense duo ging van start met een vurig beukende pandoering à la Peter Brötzmann, muteerde kortstondig in dramatische lyriek die wat deed denken aan het latere werk van Coltrane en mondde uiteindelijk uit in een erg iele, verstilde sfeer waarin schrapend metaal en anderwereldse dissonanten over elkaar heen schoven.

Nate Wooley pikte in zijn soloset aanvankelijk die draad op, met een soort microtonale multiphonics, maar ging al snel over tot een staaltje opmerkelijke lippenacrobatie. Door Wooley’s arsenaal aan onorthodoxe speeltechnieken leek het soms alsof je naar een vermolmde cassette zat te luisteren op een walkman die een keer te vaak in het zwembad is gevallen: doorheen de ruis en elektronische storing heen hoorde je soms een zweem trompetlyriek, die echter al snel weer verdween onder hysterisch pruttelend experiment. Alsof Wooley’s mond een gehele postproductiestudio herbergde.

Drie fijne minisets dus, die tevens mooi aantoonden wat voor een uitzonderlijke verzameling talenten dat Fire! Orchestra wel niet is. Stuk voor stuk artiesten die niet enkel binnen de Scandinavische maar ook in de internationale improvisatiescène hoge ogen gooien, maar die zich binnen dit project wel allemaal volledig thuis lijken te voelen. Het mag een agendawonder heten dat Gustafsson er in slechts enkele jaren al in geslaagd is drie platen op te nemen met dit project (de continu wisselende line-up zit daar vast voor iets tussen) en er dan bovendien nu en dan nog een optreden bij kan regelen. Het mag ook duidelijk zijn dat we naar deze avond al een tijdje uitkeken.

Het orkest heeft met Ritual net een uitstekende derde plaat op het palmares staan en trekt daar nu de baan mee op. In De Studio werd die suite min of meer getrouw gebracht op vlak van structuur, al werden er wel allerlei aanpassingen gedaan in solomomenten, werden verschillende stukken wat langer gerekt en legden de muzikanten vaak andere accenten in hun arrangementen. Dat was soms op aangeven van Gustafsson die met wijdse armgebaren, als een soort rock-’n-roll dirigent, de roedel herriemakers nu eens beteugelde dan weer volledig de vrije loop gaf. Het deed wat denken aan hoe John Zorn dat doet, al liet Gustafsson de muzikanten vaak meer de kans om zelf de leiding te nemen: zo nam zangeres Mariam Wallentin hier en daar die taak op zich, of waren het de drummers die een nieuw stuk in gang stuwden, of zelfs een keer trombonist Mats Äleklint die aangaf hoe lang hij nog wou soleren.

Hoogtepunten aanduiden is bijna onbegonnen werk, het collectief speelde quasi de hele avond op het scherp van de snee. Nu eens voortdenderend als een groovemonster, dan weer intiem melodielijnen om elkaar heen draperend, op een andere moment in complete teringherrie ontaardend om vanuit die lawaaiierige draaikolk plots in een moddervette rockriff te belanden. Toch enkele opmerkelijke momenten: de drumsolo die vanuit mysterieus cymbaalgeroffel naar een bijzonder vrije wervelwind muteerde om uiteindelijk in een opzwepende groove te eindigen; of het net voor het slotstuk gebrachte blazerstrio van Gustafsson op bariton, Per Ake Holmlander op tuba en Johansson op contrabasklarinet waarin Gustafssons befaamde “stervend rund modus” (© Guy Peters) tot een stervende kudde werd omgevormd. De twee bewegingen uit vorige plaat Enter! die als bis werden gebracht zetten nog eens de puntjes op de i: twee voortvarende rifffestijnen van jewelste.

Een goed concert is als een reis door een gevarieerd landschap waarbij de muziek je bij de hand neemt. Fire! Orchestra deed daar nog een schep bovenop en leek hier en daar op de totale ontlading, de catharsis te mikken. Inderdaad, “We wash our sins in the ritual” zong Wallentin in het afsluitende deel (net zoals elders in de suite tekst van Erik Lindegren). Als herboren kwamen we De Studio weliswaar niet uit, maar breed glimlachend na het aanschouwen van een bescheiden triomftocht wel.

E-mailadres Afdrukken