James Brandon Lewis Trio

12 maart 2017, Parazzar

Guy Peters - foto's: Mario Pollé - 14 maart 2017

Dat het verdomme deugd deed om een trio nog eens zo van leer te horen trekken, met een knoert van een hart, het vermogen om thema’s eindeloos binnenstebuiten te keren en te interageren met een bevlogenheid, urgentie en vooral generositeit die suggereerden dat je een machtige band op de top van z’n kunnen zag. We hadden wel een oplawaai verwacht, maar dit was pure impact van een band die imponeerde, nee explodeerde met kracht, souplesse en bakken emotie.

James Brandon Lewis (tenorsax), Luke Stewart (elektrische bas) en Warren Crudup (drum) lieten op No Filter (geen mens die begrijpt waarom dat album enkel digitaal te krijgen is, maar in juni zou het ook verschijnen op vinyl) al horen dat ze een paar thema’s uit de vingers schudden die zich na een beluistering of twee al onder de huid nestelden. Het verklaarde voor een stuk waarom het publiek van de volgelopen Parazzar al na een minuut aan hun lippen hing en daar eigenlijk twee uur zou blijven hangen. Het trio schuwt het grote gebaar niet, pakt uit met melodieën op de wip tussen spirituele extase en melancholie, triomf en verheffing. Maar met geschikt basismateriaal alleen red je het geen twee uur, dan moet je je boeltje ook nog wat beheersen.

Vanaf opener “Lament For JLew”, een amper onderdrukte noodkreet met de naakte impact van een elegie, was je in de ban van een trio dat op geen enkel moment de indruk gaf dat er iets zo belangrijk was als de muziek. De interactie. Het was ook even schrikken bij het krachtige machtsvertoon van Crudup, die regelmatig roffelde en ratelde alsof hij op de hielen gezeten werd door hellehonden, met een potige volume en een beweeglijkheid en snelheid die regelmatig naar topsport neigden. Toch werd het nergens een demonstratie van stijl of techniek over inhoud. Met een kerel als Lewis zou je dan ook geen kans hebben, want met die knoert van een tenorsaxsound en een ijzeren discipline wist de man moeiteloos het speerpunt van de band te blijven.

In een aantal recente recensies viel de naam Coltrane. Niet onterecht, want Lewis lijkt soms ook een hoger doel te willen dienen en te mikken op transcendente aspiraties met een vaag verwante aanpak, maar zijn muziek en sound zijn ook anders. Niet enkel gewichtig en majestueus, maar ook speels, bluesy, funky, doordrongen van een volronde gospelklank met Mahalia Jackson-allure, waarmee hij alle kanten uit kan en afwisselend herinnert aan Sonny Rollins, Archie Shepp, Joshua Redman, Stanley Turrentine of zelfs een Maceo Parker. Veelzijdig genoeg om “Zen” te laten starten als een delicaat aangeblazen niemendalletje en het vervolgens te zien uitgroeien tot een knaller tussen jazz, pop en hiphop, waarna het pompende “Raise Up Off Me” de klus helemaal klaarde.

Zowat het hele recente album passeerde zo, maar zat verpakt in een hele resem andere stukken, die naadloos aan elkaar gekoppeld werden. Het ene moment stonden de drie op een kluitje te flemen, even later leek Lewis het instrument van zich weg te willen duwen, alsof het gewoon te veel was om het allemaal verwerkt te krijgen. Het drumspel werd hoekiger, de soepel kronkelende bas een wringende partner. Staccato motiefjes leidden tot intense, lange uithalen; opzwepende en koortsige grooves mondden uit in een klaagzang van eenzaamheid met het gracieuze van een “Sometimes I Feel Like A Motherless Child”. Een set, een uur, en het trio had je al alle hoeken van het kot laten zien.

De tweede set ging van start met het snel slingerende “No Filter”, maar zou daarna eigenlijk een iets andere gedaante aannemen: wat meer gericht op uitweiding, hier en daar wat meer ingetogen ook, misschien net iets meer met een ‘jam’-vibe, maar al net zo indrukwekkend. Stewart tekende voor een prachtige, lyrische solo, samen injecteerden de drie een ballade met een majestueuze kracht waar geen einde aan leek te komen. Het was bezwerende, pakkende en lijfelijke muziek. Regelmatig ingetogen en uitgesproken emotioneel, maar nooit stroperig, en soms met een enorm funky drive, maar nergens uitmondend in plat vertier. Integendeel: Lewis bleef maar vloeien en stuiteren, gesteund door een virtuoze bassist en een drummer die bij momenten maar al te graag over de rooie ging.

Zelden zagen we een relatief onbekende band zo gretig en consistent tekeergaan, zo behendig spelen met thematisch materiaal, zo hecht een parcours afleggen. Ze bewezen dat het ook anno 2017 nog altijd mogelijk is om jazz te maken die stevig geworteld is in de traditie, maar kijkt naar de toekomst, die zoekt en verkent, maar ook houvast biedt. Een band om zieltjes mee te winnen voor de jazz en ver daarbuiten, want met dit soort concerten speel je elke locatie plat en elke nukkige naysayer achterover. Zelden meegemaakt dat een jazzconcert zo’n deugd deed, dat je het zo graag verder wil vertellen, nog eens wil meemaken. De band zou in het najaar terugkomen. Mis dat in Godsnaam niet nog eens.

alt
E-mailadres Afdrukken