Banner

Werchter 2017

De vroedvrouw van het festivalgevoel - Dag Twee

(jp), (kt), (ml) ,(hr) en (mvs) - foto's: Jan Van den Bulck, Wim Hermans & Timmy Haubrechts - 29 juni 2017

Dag Twee

Vrijdag is natuurlijk de dag waarop veel muziekliefhebbers RADIOHEAD in hun agenda genoteerd hebben. Iemand anders wist ons dan weer te melden dat het toch vooral de dag was waarop veel tienermeisjes naar de weide zouden komen afzakken om collectief in zwijm te vallen in de Barn. Iedereen tevreden zeker?

De springerige Antwerpse Coely heeft de ondankbare taak dag twee van het festival op gang te trekken en als eerste de confrontatie met nog niet verteerde katers aan te gaan. Dat ze dat onder een bewolkte hemel moet doen, helpt ook niet, maar de zangeres staat er. Drie jaar geleden had ze Werchter al eens moeten afzeggen wegens gezondheidsproblemen. Er viel dus wat te compenseren. Dat ze een solide band in haar rug heeft, helpt ook om haar nummers live overeind te houden. Alleen dat momentje wanneer haar gitarist een gitaarsolo uit zijn instrument probeert te persen, had niet gehoeven. Ondertussen huppelt Coely van de ene kant van het podium naar het andere, schijnbaar nauwelijks onder de indruk van de grootte van dat podium en van het publiek voor haar. Dat publiek onthaalt haar dan ook met open armen en klappende handen en is zo enthousiast als enigszins mogelijk is op dit tijdstip van een festivaldag. Zij en kompanen als DVTCH NORRIS, die een handje komt helpen bij “Don’t Care”, helpt ons mee over het jeugdtrauma dat wij overhouden aan radiostations geteisterd door 50 Cent en andere gespierde aanverwanten.

Zij die voornamelijk voor het mannelijk schoon naar het festival zijn afgezakt, moeten vrijdag dan weer vooral in de Barn zijn. Daar mag Tamino 's middags al een half uurtje full time getormenteerde mooie jongen zijn (moeten zulke mensen daar trouwens lang op oefenen of komt die blik van nature in hun ogen?). Toegegeven, hij doet dat niet slecht. “Indigo Nights” is alles wat het moet zijn: een zuiderse bries die zwoele maar melancholische nachten oproept. Maar om tot de Belgische Jeff Buckley of Rufus Wainwraight uit te groeien, heb je wel nog wat meer nodig dan dat. Tamino lijkt immers soms te vergeten dat op Grace maar één “Hallelujah” stond en geen tien. “Cigar” is in ieder geval al een stap in de goeie richting.

alt

”Habibi” hebben wij niet meer meegemaakt wegens een dringende afspraak met een gescheurd trommelvlies op de main stage. Daar mag Slowdive Kaleo komen vervangen. Waarschijnlijk horen veel fans van die tweede het donderen in Keulen wanneer de naam Slowdive valt, iets wat omgekeerd ook wel geldt. Of de band ging standhouden om 14u op zo’n groot podium, en of er volk ging staan voor dat podium, waren op voorhand dan ook twee grote vraagtekens. De eerste helft van de set belooft op dat vlak weinig goeds: wazige wolken als “Catch The Breeze” of het delicate “Crazy For Love” gedijen enkel in donkere intimiteit, of op z'n minst tijdens een ondergaande zon. Het publiek stond erbij en keek ernaar. Slowdive is ook weer niet de meest spannende band om op een podium bezig te zien en moet het vooral van de ervaring van hun overdonderend geluid hebben, iets wat nu ontbreekt. Of lag het aan de pornosnor van Neil Halstead? “Star Roving” weekt echter meer enthousiasme los, ondanks een te luide bas. En wanneer de groep het materiaal uit Souvlaki van stal haalt, beginnen de haren wel overeind te staan. “When The Sun Hits” en “Alison” zorgen voor collectief kippenvel, tijdens “No Longer Making Time” valt er hier en daar zelfs een koppeltje elkaar in de armen. En “Golden Hair” blijft de perfecte geluidsmuur. Toch nog goed de eindmeet gehaald en zelfs de zon komt er even door.

Wegens overlapping moeten wij het brouwsel van seks en arrogantie dat Warhaus heet buiten een overvolle Barn op het scherm beleven. Binnen bijten Maarten Devoldere en Sylvie Kreusch elkaar bijna in de lippen, met een publiek van hitsige konijnen voor hen. Je zou voor minder, in een warme tent gevuld met baslijnen voor de late uren (“I’m Not Him”). Een paar technische problemen gaan dan ook in niemands koude kleren zitten en met "Mad World", een laatste, nieuw nummer, bewijst Devoldere nog maar eens de ambitie te hebben om tot de Vlaamse Gainsbourg uit te groeien.

Maggie Rogers daarentegen klinkt eerder als een bastaardkind van Anouk en Florence Welch. Nu willen wij niets negatiefs zeggen over kinderen van Anouk (daar houden niet nader genoemde Vlaamse schrijvers zich wel mee bezig), maar op die kroost zaten wij toch niet echt te wachten. Dat de zangeres geplaagd wordt door technische problemen, helpt ook niet echt. Wanneer luid ontploffende boxen tot tweemaal toe voor meer gehoorschade zorgen dan de hele set van Slowdive samen, is het dan ook tijd voor andere oorden.

alt

Oorden waar synthpop gebracht wordt door een zanger die alle zelfrespect al lang geleden overboord heeft gegooid (wij zijn dat van ons trouwens gisteren kwijtgeraakt op de Oude Markt van Leuven, toevallig vinders mogen altijd de redactie op de hoogte brengen), maar daar nog mee wegkomt ook. Meer nog: Future Islands heeft er zijn succes aan te danken. Wat is dat trouwens met mannen en hun gezichtsbeharing deze editie? Na de pornosnor van Halstead betreedt Samuel Herring het podium met een Lemmy-achtige baard. Jammer genoeg verdrinkt de stem van Herring een heel optreden lang bijna in de mix. Terwijl de opgeblazen condooms zich over de hoofden van het publiek voortbewegen, valt dan wel heel hard op dat de band muzikaal toch nets iets te vaak een doorslagje van doorbraakhit “Seasons (Waiting For You)” ten gehore brengt. Veel zin lijken de muzikanten er ook niet in te hebben. Naarmate het hemd van Herring natter en natter van het zweet wordt, de bas nijdiger begint te klinken en het publiek hier en daar aan het dansen slaat, trekt zich dan toch nog een feestje op gang. Een feestje met veel rare dansbewegingen, of wat had u gedacht? En natuurlijk wordt “Seasons” van voor tot achter meegebruld. Passionele zanger, matig feest.

Proefondervindelijk voor u uitgetest: is White Lies even irrelevant achteraan de festivalweide als vooraan? Antwoord: ja. Tijdens “Farewell To The Fairground” komt ons puberhart weer even piepen, om snel af te druipen. De groep lijkt dan ook amper interesse te hebben in waar ze zijn of voor wie ze spelen. Pintjes? Pintjes! Terug op de wei kunnen we helaas net niet ontsnappen aan het laatste kwartier van beukmachine Royal Blood, een band die van ongenuanceerdheid zijn handelsmerk gemaakt heeft. Niet dat dat een probleem hoeft te zijn, maar het blijft verbazen hoe een band die zo hard rockt (of dat toch wil), toch zo’n slappe muziek voortbrengt.

alt

Het contrast met James Blake daarna kan dan ook niet groter zijn. Net zoals bij Slowdive was de vraag hier: houdt deze mooie getormenteerde jongen stand op het grote hoofdpodium? Verbazingwekkend genoeg blijkt dat best nog mee te vallen. En je moet maar durven: daar openen met een naakte cover van Don McLeans “Vincent”, alleen aan de piano. Het nummer is hem gelukkig op het lijf geschreven. Maar het is vooral wanneer de jonge Brit diepe bassen over de wei laat rollen, dat hij het publiek op zijn hand krijgt. “Timeless” slaat iedereen achterover, net zoals de break in “Limit To Your Love”, dat op applaus wordt onthaald. Bovendien zijn Blake en zijn muzikanten zich duidelijk aan het amuseren. Een gepassioneerde entertainer zal hij nooit worden, en zeggen dat het publiek in vuur en vlam staat zou ook overdreven zijn (daarvoor staan de meesten duidelijk te veel af te tellen tot Radiohead begint), maar zowel de delicate als meer dansgerichte passages komen loepzuiver over. Zo bezorgen ook “Life Round Here” en “Retrograde” ons rillingen. Tijdens “Choose Me” gaan er zelfs wat handen op elkaar. Alleen wanneer de drie zich té hard gaan amuseren, verzandt het optreden wat in muzikaal gemasturbeer. Maar over het algemeen: aangenaam verrast.

Een uur vol nagelbijten later, betreedt dan eindelijk de band waarvoor velen hier al een hele namiddag staan, het podium. Terwijl de zon zachtjes ondergaat, laat Radiohead onder een sprookjesachtig lichtspel de wei stil worden op “Daydreaming”, een nummer gemaakt van het delicaatste glas. Rillingen vanaf de eerste zachte piano-aanslag. Meteen daarna krijgen we het eerste nummer uit OK Computer, de plaat wiens verjaardag uitgebreid gevierd wordt. “Lucky” is schoonheid met een doornen kroon, “Full Stop” daarna de Derde Wereldoorlog in sepia. Met die ingehouden openers zet de band het publiek op het verkeerde been. De rest van de set zou een veel donkerdere, lawaaierige en soms hermetische Radiohead brengen. “Everything In Its Right Place” en “Idiotique” ontsporen met waanzin in de ogen. “Myxomatosis” is manisch als altijd. “Climbing Up The Walls” duikt in de bissen finaal de duistere krochten van de ziel binnen. Dat teveel aan kracht werkt echter niet bij alle nummers even goed: “Airbag” is net iets te slordig voor deze groep van perfectionisten, en ook het middendeel van “Bodysnatchers” lijdt daaronder. “2+2=5” kanaliseert de woede wel beter. Zelfs de pianosongs klinken meer paranoïde dan anders. “All I Need” en “You And Whose Army”, met op de achtergrond een close-up van de ogen van Thom Yorke, zijn sinistere gifpijlen. Zelfs “Nude” klinkt onheilspellend, waarmee de sneer “You go to hell” meteen zijn volle gewicht krijgt. “Pyramid Song” is dan weer wel gewoon overrompelend mooi, net zoals een prachtig “Let Down” (nog altijd dé verborgen parel op OK Computer).

Zo fietst de band dwars door zijn gehele oeuvre, waarbij naast veel songs uit het meesterwerk uit 1997 ook verbazingwekkend veel nummers van In Rainbows aan bod komen. “15 Steps” en “Weird Fishes/Arpeggi” zijn prachtig subtiel, en in de bissen haalt de groep ook “Reckoner” boven. Toegegeven: de setlist is soms wat onevenwichtig opgebouwd (“All I Need” na “Myxomatosis” of “You And Whose Army” na “Identikit” doen geen recht aan de subtiliteit van die nummers), maar dichter bij een greatest hits kon de band dan weer nauwelijks komen. Ze lijken zich bovendien zowaar te amuseren, met vooral Ed O’Brien en Colin Greenwood die het publiek al eens durven opzoeken en zelfs geklap aanmoedigen. Jonny Greenwood blijft naar goede gewoonte wel verborgen onder zijn bles en Thom Yorke’s communicatie beperkt zich dan weer voornamelijk tot pogingen tot praten, met alleen bij het afscheid een beetje verstaanbare zinnen. Achja, naar Radiohead ga je nu eenmaal niet om een goeie mop te horen (op Coachella was het er van horen zeggen nochtans bijna van gekomen). Dat afscheid mag er trouwens zijn, met in de eerste bisronde ook nog een prachtig “No Surprises” en de razende gitaren van een manisch “Paranoid Android” en gouden oude “My Iron Lung”, om te eindigen met het meezingmoment dat “Karma Police” heet. Op Glastonbury bleef het publiek nog minutenlang “I lost myself” aanhouden, maar wij blijven wel Belgen en nadat de band voor de derde keer het podium verlaat, is het dus echt wel finaal gedaan. Wij zien nog een jongen zijn t-shirt van Imagine Dragons inruilen voor een exemplaar van Radiohead. Misschien is er toch nog hoop voor deze wereld. Of juist niet, het is maar hoe je het bekijkt.



E-mailadres Afdrukken