Banner

Gent Jazz 2017

Funky! Funky! - Donderdag 13 juli

(tdm), (jvs), (kvp), (hr), (mb), (fl) en (mvs) - foto's: Geert Vandepoele - 09 juli 2017

Donderdag 13 juli

Dat er tussen de talrijke contrasterende meningen van hippe snippers, gepimpte botervliegen en jazzpuristen nog veel ruimte is voor goede muziek zonder begrenzingen, dat bewees Gent Jazz Festival op de ingangsavond van haar tweede weekend. Kamasi Washington, de tot Messias uitgeroepen krullenbol die willens nillens de jazz een tweede millennium moet binnenloodsen, was uiteraard top of the bill, maar ook het Britse én Vlaamse antwoord daarop -- och, wij overdrijven al eens graag -- waren van de partij en lieten zich (uiteindelijk) gelden.

Kendrick. Lamar. Voila, het is eruit. Waarom zouden we het onszelf moeilijk maken en de Koning van de Hedendaagse Hiphop hier niet ineens vernoemen? Hij is immers de mayonaise die jazzacts als Kamasi Washington en Robert Glasper bij het popgevoelige volkje zo makkelijk naar binnen doet glijden. En of die laatste dat beseft. Met een laidback versie van “How Much A Dollar Cost” geeft de pianist aan Gent te kennen wat zijn aandeel in dat weergaloze To Pimp A Butterfly was. En dat ademt, het is frivool. Kenny Kirkland en de jaren tachtig zijn hier nooit veraf, maar het is slechts een aanloopje naar het echte werk.

Want even later verdwijnen de ruimte en de speelsheid. Glasper kiest ervoor het overzicht als bandleider te laten varen en gaat in scherpe dialoog met saxofonist Casey Benjamin. Minutenlang wordt er weggeïmproviseerd en laten beide muzikanten de instrumenten bekvechten op de hakkende drum van Mark Colenburg. Het is een vrij indrukwekkende climax in een set die blijk geeft van vakmanschap en goestingdoenerij, maar die net door dat laatste ook wat aan dwang verliest. Zo kunnen we ons betere keuzes voorstellen om een publiek uit te leiden dan een cocktailversie van “Smells Like Teen Spirit”. Maar dat is nu eenmaal Glasper, iemand die afgaat op het gevoel en zich op geen énkel vlak wenst te laten beknotten. Het is niet dat we daarvan niet op de hoogte waren.

En ook Makaya McCraven laat zich niet door wetmatigheden leiden. De veelzijdigste drummer uit de jazzscene van Chicago mag op de Garden Stage drie korte sets te berde brengen en na elk daarvan is het reikhalzend uitkijken naar de volgende. Vooral de middelste dwingt gewoonweg ontzag af, met een uit de kluiten gewassen exploratie van Miles Davis’ “Sivad”, waarbij de stuwende ritmesectie een bezwerend, Oosters aandoend saxofoonspel lijkt te beconcurreren. Het botst, het schuurt, maar vloeit uiteindelijk mooi samen in een massief hoogtepunt. Het eigen “Three Fifths of A Man” mag nog volgen, maar McCraven heeft deze ronde al lang gewonnen.

In de derde beurt krijgt Makaya’s voorliefde voor funk en hiphop dan weer de vrije ruimte. Gitarist Matt Gold vertolkt een glansrol in een subtiele uitvoering van “The New Untitled” en in het oude “This Place That Place” wordt de Garden Stage met minutieuze ritmewisselingen naar een kookpunt geleid. Zalig toch, die armen van geest die een chicken wrap of hamburger verkiezen boven deze broeierige en ronduit kolossale jam.

Vorige maand op Best Kept Secret lieten we STUFF. nog links liggen omdat onze kleine teen ons toen vertelde dat we dit Gents-Antwerpse kwintet in de loop van de zomer nog wel eens zouden tegenkomen. En kijk, enkele weken later is het al van dattum. Als jazz vandaag in onze contreien weer opleeft, en de jongeren in zowel het heden als het verleden van het genre gaan graven, dan is STUFF. daar zeker mee verantwoordelijk voor. De bandleden nemen hun taak als ambassadeur ter harte. Zo laten ze in interviews niet na om hun muzikale inspiratiebronnen aan te prijzen, en tonen tijdens hun liveshows aan dat jazz na honderd jaar nog bijlange niet versleten is.

Alleen wil het vanavond op de een of de andere manier niet helemaal lukken. Opener "Skywalker" begint vrij mak; de heren lijken het nummer voor elkaar te spelen en vergeten dat er een talrijk opgekomen publiek voor hen staat. Ze houden het bewust klein, spelen haast neus aan neus en staan wat verloren op het gigantische podium. "Strata", dat met zijn diepe bassen en gestage ritme naar Moderat neigt, vormt een hoogtepunt, al is het pas in het slotnummer -- het met dubtechno flirtende "Galapagos" -- dat de band helemaal loskomt. Wanneer Mixmonster Menno zich in de bis volledig laat gaan, onder meer met samples van Jurassic 5, krijg je te zien hoe het wel helemaal kan werken.

Ogenblikkelijk losbarsten is dan weer geen enkel probleem voor Kamasi Washington. De voortrekker van de moderne jazz werd hier wel eens eerder een versmachtende rotvaart aangerekend, en met opener “The Magnificent 7” lijkt het van hetzelfde laken een broek te zullen worden. Jonathan Pinsman en Robert Miller, beiden op drums, zijn duidelijk niet van plan gijzelaars te nemen en slaan alle hupsheid uit het nummer. Maar alvorens de ademnood toeslaat, betreedt fluitspeler Ricky “Pops” Washington het podium om mee te spelen in een subtiel “Askim”. De respectvolle wisselwerking tussen hem, zijn zoon Kamasi en trombonist Ryan Porter werkt vertederend maar bovenal: het voorziet de muziek van een broodnodige spontaniteit en luchtigheid. Ook “Black Man”, een nieuw nummer dat waadt in een civil rights sfeertje, wordt uiterst elegant gebracht en doet ons beseffen dat het dít is wat we vooral van dit achttal willen zien.

Het is trouwens datzelfde “Black Man” dat Kamasi als saxofonist voor het eerst laat floreren. Zijn vliegensvlugge vingers beteugelen het instrument en ontlokken het Gentse publiek vreugdekreten. Maar de leider is ook genereus naar zijn muzikanten toe en weigert er een onemanshow van te maken. Hij stak eerder al (terecht) de loftrompet over zangeres Patrice Quinn, nu is het de nieuwe bassist Joshua Crumbly die bijval mag oogsten. Het nummer dat die schreef (“Nineties”) is echter niet het spannendste en doet de aandacht even wegdeemsteren. Geef ons dan maar toetsenist Brandon Coleman, ofte “Hot Sauce”, die tijdens zijn voorstellingsronde het vuur aan de lont mag steken met een uiterst dansbare funkcompositie.

Gent lust er duidelijk pap van, wat Kamasi helaas weer interpreteert als een teken om plankgas te geven. Een kwartierlang duelleren de koperblazers met een grinta dat nauwelijks bij te houden valt. De nuance gaat opnieuw kopje onder, claustrofobie steekt de kop op en zo raast deze wisselvallige set naar zijn einde. Dat het bij momenten weergaloos geweest is, dat zeker. Maar van een halfgod als Kamasi Washington verwachten we eigenlijk meer consistentie en een aanhoudende fijngevoeligheid. We zullen het op dat tomeloze enthousiasme steken. Want als er één ding duidelijk is geworden: Kamasi houdt van Gent zoals Gent van Kamasi houdt.

Omdat tijdig stoppen niet in het woordenboek van de jazzlui staat, is het al dik na middernacht als we op het zijpodium aankomen voor Shabaka and the Ancestors. Omdat wederzijds respect wél in dat woordenboek is opgenomen, heeft de groep gewacht tot het einde van de set van Kamasi Washington om eraan te beginnen. Vorig jaar tekende bandleider annex saxophonist Shabaka Hutchings hier met zijn kwartet Sons Of Kemet voor een van de hoogtepunten van het festival. Vanavond brengt de Brit andere vriendjes mee, meer bepaald de vijf Zuid-Afrikanen waarmee hij vorig jaar het album Wisdom of Elders inblikte. In deze bezetting gaat Hutchings bedachtzamer tewerk, al is het resultaat niet minder effectief. Wel spiritueler, in de geest van Sun Ra, met hier en daar een dikke klad afro-futurisme over gesmeerd.

De woorden van jazzicoon Charlie Parker schieten ons te binnen: "Master your instrument, master the music, and then forget all that and just play". Hutchings en zijn band gaan volledig op in de muziek, spelen soepel en eigenen zich veel bewegingsruimte toe. Percussie en bas krijgen de tijd om te soleren, en als even later niet alleen vader Washington op klarinet, maar ook Kamasi zelf even komt meejammen, is het hek helemaal van de dam. Het levert zowaar een saxofoonbattle op tussen de grootheden Hutchings en Washington. Prachtig. Wanneer zangeres Siyabonga Mthembu op het einde nog een politieke boodschap meegeeft -- “feminize all politics!” -- houden wij het voor bekeken. Het is inmiddels half twee, en er staat nog één werkdag voor de deur vooraleer de Gentse Feesten écht kunnen beginnen. De prelude was er alvast één die kan tellen.



E-mailadres Afdrukken
Tags: Gent Jazz