Banner

Gent Jazz 2017

Funky! Funky! - Pagina 6

(tdm), (jvs), (kvp), (hr), (mb), (fl) en (mvs) - foto's: Geert Vandepoele - 09 juli 2017

Vrijdag 14 juli

Jazz is een vlag die vele ladingen dekt, dat bleek op de zesde dag van Gent Jazz 2017. Met Peter Doherty en Trixie Whitley strikten de organisatoren twee headliners die met échte jazz weinig uitstaans hebben.

Opener Stadt deed wat het intussen al jaren zo goed doet: perfecte popsongs componeren. Die ze daarna vakkundig en tot op het bot afbreken om vanuit het puin weer nieuwe muzikale ontdekkingstochten te ondernemen. Creatieve destructie als het ware. De band produceert een Europese variant van de psychedelische rock die met namen als Tame Impala, Connan Mockasin of King Gizzard & The Lizard Wizard de laatste jaren opgang maakt. De leden van Stadt zijn zo goed op mekaar afgestemd en spelen al zo lang samen dat een blik en een knik voor Fulco Ottervanger en zijn kompanen vaak al genoeg zijn. De songs die Stadt voor hun nieuwe plaat -- die ergens voorjaar 2018 moet verschijnen -- schreef, doen het beste vermoeden. En of we in blijde verwachting zijn. Nog dit: dat ze lievelingen van het Gentse publiek zijn, wordt duidelijk wanneer ze het podium verlaten. Ondanks een mager publiek (wegens nog vroeg op de dag) werden ze toch onthaald op een respectabele ovatie. Niet evident voor de opener van een festivaldag.

Ivy Falls dan, een nog jonge band rond zangeres Fien Deman die u misschien kent van I Will I Swear, bracht esoterische, ijskoude maar toch zwoele synthesizerpop en triphop. Goed in het oor liggende popsongs -- we onthouden vooral “Long Lost” en “Twelve” -- met groeipotentieel dus. Aandoenlijk was de discrepantie tussen de wijze waarop Deman haar songs met veel panache en een dijk van een stem bracht, en de contrasterende verlegenheid die ze in de pauzes tussen de nummers tentoon spreidde. Muziek die zeker ooit -- mits nog wat schaven en polijsten -- zijn plaats op de radio kan veroveren.

Bij het begin van het optreden van Jenny Hval moesten we spontaan terugdenken aan Anne Clark, de new-wavediva die tijdens onze jonge jaren in zowat elke dj-set van zowat elke chirofuif zat. Getooid in een fluorescerend soort indianenpak bracht Hval dromerige op ambient, drones en soundscapes gefundeerde elektropop. Waarover ze poëzie en spoken word declameerde. Hypnotische muziek, ideaal om thuis in de zetel en na het consumeren van een uit de kluiten gewassen toeter bij weg te zakken en af te drijven richting dromenland. De Noorse deed er allerlei fascinerende dingen bij: van kostuum wisselen, plots een pruik opzetten of met haar micro over haar met velcro beklede pak schuren, om er maar een paar op te noemen. Permanent donker of licht, het doet blijkbaar wat met een mens.

Van Brain//Child zouden we graag meer zien, maar dan in één of andere groezelige club ergens in de vroege uurtjes na een wilde nacht. Je weet wel: je hebt gedanst, gedronken en gevreeën, de rest is al vertrokken, maar jij en je geliefde hebben nog geen zin om al huiswaarts te keren. En dus trek je naar een jazzbar om nog een laatste en misschien zelfs een allerlaatste te drinken. Je bent even uitgepraat -- het was een intense nacht -- maar dat is helemaal niet erg. Moe, ietwat beschonken en voldaan schurk je tegen mekaar aan en luister je naar de jazz van Brain//Child. Af en toe wissel je een blik uit en glimlach je naar mekaar. Om je dan weer te laten meevoeren door de muziek. En het is goed zo, meer hoeft het op dat moment echt niet te zijn.

Wat betreft Peter Doherty was het naar aloude gewoonte bang afwachten. Zou hij nota bene wel komen opdagen en vooral: in welke toestand? U kent zijn reputatie wel. Maar het openingsduo “I Don’t Need Anyone (But You’re Not Just Anyone)” en “The Last of the English Roses” maakten meteen duidelijk dat Pete in goede doen was. Blakend van gezondheid zou een overstatement zijn, maar het is al erger geweest. Zijn rommelige concert hing bij momenten echter met haken en ogen aan mekaar, de nonchalance droop er werkelijk vanaf. Alsof hij en zijn band vergaten wat oefentijd in het repetitiehok te plannen alvorens op tournee te vertrekken. Maar soms, zoals in “Kolly Kibber”, “You’re My Waterloo” of “Hell to Pay at the Gates of Heaven”, viel de puzzel mooi in mekaar en klonk hij plots wel begeesterd en zijn band lekker strak. Maar echt overtuigen deden Doherty en co al bij al niet. Daarvoor was zijn show te vrijblijvend, sommigen haalden zelfs het verhaal van de keizer en de kleren boven om het allemaal te omschrijven. Eindigen deden de bandleden met een wilde groepsknuffel waarbij ze collectief tegen de vlakte gingen. Tot grote hilariteit van het publiek uiteraard. Zouden Doherty en co na afloop nog richting Vlasmarkt getrokken zijn?

De Antwerpenaren van Mount Soon munten uit in rootsy americana en altrock. Ze wisten te overtuigen met songs die doen wegdromen richting Grand Canyon, gigantische cactussen, de prairie en bijhorende wilde mustangs. Al had de zoetgevooisde stem van frontman Nick Fransen er ook wat mee te maken: wie zijn ogen sloot en niet al te kritisch luisterde, kon zich zonder veel moeite Jeff Buckley voor de geest halen. Jammer genoeg liep de Garden Stage druppelsgewijs leeg naarmate hun concert vorderde. Maar dat had vooral te maken met het concert van Trixie Whitley dat met rasse schreden naderde.

Die laatste verscheen op het hoofdpodium getooid in een grote hoed die niet zou misstaan op Waregem Koerse, het wat potsierlijke jaarlijkse hoogtepunt van veel Belgische jetsetters. Dat ze een thuismatch speelde werd dan ook meteen duidelijk, zo uitgebreid was het applaus waarmee het publiek haar onthaalde. Gent is trots op haar rockdiva, zo bleek. De protégé van Daniel Lanois bracht trouwens ongelooflijk straffe zwart-witte visuals mee, waardoor het leek alsof ze in de woestijn stond te spelen of aan de rand van de oceaan. Haar show kreeg er een cachet van tijdloosheid door. Tot onze verbazing -- van op een afstand leek er een volledige band op het podium te staan -- liet la Whitley zich enkel bijstaan door een drummer. Zelf switchte ze tussen gevoelige pianoballads en opzwepende woestijnrock. Hoogtepunt? Een ingetogen pianoversie van haar hit “Closer”. Is Trixie Whitley nu al een wereldster of hoe zit dat? Want wat een gitariste, wat een zangeres, wat een rockchick, wat een babe!

Afsluiten mocht Blow Trio, een gemaskerd trio bestaande uit een drummer en twee saxofonisten. Wie wel eens de straten van Gent frequenteert, is vast en zeker al eens gebotst op dit maffe drietal, dat zijn strepen verdiende als buskers. Ze verzorgden een dansbare afterparty die het publiek duidelijk kon smaken. Als ware rattenvangers van Hamelen warmden ze het publiek met hun tweesaxendisco op voor een wilde Gentse Feestennacht.



E-mailadres Afdrukken
Tags: Gent Jazz