U2

1 augustus 2017, Koning Boudewijnstadion

Matthieu Van Steenkiste - foto's: Jan Van den Bulck - 02 augustus 2017

Als de dood was Bono er voor. U2 mocht nooit een nostalgie-act worden, maar moest blijven zoeken naar relevantie. Zeventien jaar en vier halfslachtige tot slechte platen verder in een nieuwe eeuw staat de groep toch stil om even achterom te blikken. Gelukkig maar. Met het breedbeeld van The Joshua Tree in de achteruitkijkspiegel klonk de groep vitaler dan we ze de afgelopen decennia zagen.

Het bruggetje in "New Year's Day". Dat is het moment waarop het vanavond gebeurt. The Edge heeft net een lange gitaarexcursie gedaan, Bono pikt opnieuw in om naar dat refrein op te bouwen, en zonder dat we er erg in hebben, zijn we aan het meezingen. Het is de tweede song van de set, na een "Sunday Bloody Sunday" dat gebukt gaat onder een chaotische geluidsmix, en nu al voelt dit als een bisronde. Dat kleine podium in het midden van het publiek is dan ook waar Bono en Co normaal hun toegiften lossen, maar nu beginnen ze daar. Knus bij elkaar, op een afspiegeling van die cactusboom die ook op het grote podium achter hen naar de hemel reikt. Het is een aanloop naar wat het echte hoofdprogramma kan zijn, maar dan wel één die enkel uit topsongs bestaat.

Een atmosferisch "Bad" volgt, met lekker weidse gitaren. "Proud to be in the capital of a great idea, called Europe!", roept Bono, en hij gooit er een flardje "Heroes" van David Bowie tegenaan. En dan mag "Pride" de boel doen ontploffen. Als een reusachtig gospelkoor galmt 50.000 man dat "oh-ohoh-oh" mee; dit was het, dankuwel, u kan naar huis.

Neen. Daar begint het pas. De flarden "I have a dream"-speech van Martin Luther King vallen uit elkaar en het scherm kleurt bloedrood wanneer de eerste tonen van "Where The Streets Have No Name" weerklinken. Hier zijn we voor gekomen: de integrale uitvoering van het iconische The Joshua Tree, de plaat die U2 dertig jaar geleden definitief tot grootste rockband van zijn tijd kroonde. Vanavond horen we opnieuw waarom.

De hits, om te beginnen. De vijfde plaat van U2 begon met drie monstersongs, die ook vandaag netjes in volgorde komen aangemarcheerd. Het epische breedbeeld van dat "Where The Streets", in ambitieuze opzet enkel gecounterd door dat enorme videoscherm, om te beginnen. Het landschap dat Anton Corbijn op dat 60 meter lange, 14 meter hoge canvas schildert, is imposant genoeg om zelfs het ego van Bono in de schaduw te stellen, en zo is het goed. De band gaat op in het geheel, zijn niet meer dan kleine stipjes tegen een achtergrond die meer zegt dan aanvankelijk gedacht. Wat onschuldige wandelaars langs de kant van de weg leken, blijken vluchtelingen. Zonder woorden kan ook veel gezegd.

"I Still Haven't Found" eindigt met een kort maar wondermooi stukje samenzang van het publiek -- alweer gospel -- "With Or Without You" is het wereldnummer dat normaal tot op het einde wordt opgespaard. Vandaag mag hij er vroeg uit, om te worden weggeblazen door hét moment van de avond, want "Bullet The Blue Sky" klauwt en bijt als nooit tevoren. Nooit meer nadien klonk de band zo venijnig, zo bruut en acuut als in dat ene nummer waarin het beleid van de Verenigde Staten ten opzichte van Latijns-Amerika op de korrel wordt genomen. Corbijn laat op het scherm Amerikaanse legerhelmen passeren, als symbool voor het militarisme dat het land blijft begeesteren; de snijdende solo die The Edge ontketent is één van de beste die hij ooit zijn zes snaren ontlokte. "Outside it's lalalalala America" sneert Bono. Voor Ieren mogen de Verenigde Staten dan altijd een soort beloofde land zijn geweest, hij had er toch al altijd een ambivalent gevoel bij.

Dat komt ook tot uiting in de tweede helft van The Joshua Tree. De nacht is ondertussen komen aankloppen, en met het junkieverdriet van "Running To Stand Still" trekt U2 ons ook de duisternis in. In "Red Hill Mining Town" duikt op het scherm de blazerskapel van het Ierse Leger Des Heils op, maar het is "In God's Country", een bitter fileren van de redneck country tussen de Amerikaanse kusten, dat hier de show steelt. "Van sommige songs is de betekenis veranderd. Van deze niet", is het droge commentaar, en dat de naam Trump even later zal vallen, had zelfs niet gemoeten. Het klinkt op zich al geweldig: gitaar, bas en drum klikken in elkaar tot die machtige machinale groove, Bono blaast er leven in.

Vijftig minuten lang heeft U2 één van zijn twee beste platen gespeeld, en dat eindigt met een explosief, met de chaos flirtend "Exit", dat door Bono net iets te theatraal wordt aangepakt -- zien we daar even McFisto van de Zooropa-tour terug doorschemeren? -- en het pakkende "Mothers Of The Disappeared". Wat kan hierna volgen? Na een lange pauze: "Miss Sarajevo", begeleid door beelden uit een Jordaans vluchtelingenkamp en een zeildoek met de afbeelding van een ontheemde vrouw die over de tribunes golft. Het is moeilijk géén traan weg te pinken wanneer de solo van Pavarotti -- deze keer doet Bono het niet zelf -- culmineert in dat "L'amor".

Doodjammer dus dat de groep net dan besluit dat het tijd is voor een rondje goedkoop crowdpleasen. Veel te snel schakelt Bono in "oohooh"-modus, om het publiek een lauwe, hertimmerde versie van "Beautiful Day" in te leiden, en vervolgens "Elevation" en "Vertigo" aan te doen. Plots is het opnieuw 2017 en U2 opnieuw die belegen rockband van de laatste jaren. Moést dit echt? "Ultraviolet", nochtans één van de meer verborgen parels op die andere klassieker Achtung Baby, krijgt van de weeromstuit een tamme versie mee, en daar helpen geen projecties van Nafi Thiam, Prinses Mathilde of andere "sterke vrouwen" aan.

Bono blijft overigens opdragen. Was "One Tree Hill" nog voor een overleden crewlid, en dat vorige nummer voor de echtgenotes van de band én de vrouwelijke crewleden, dan gaan voor "One" alle lichten uit ter nagedachtenis van de maandag overleden Sam Sheppard. Het wordt een bevlogen versie, die vanuit het duister opklinkt, en dat stukje "We shall live again" uit "Ghost Dance" van Patti Smith voelt gepast aan. Zo ga je echter niet naar huis. "In Werchter hebben we ontdekt wat het betekent om in een band te zitten", haalt Bono nog één keer Belgische Herinneringen aan; een zinderend "I Will Follow" loeit op. En plots zijn we weer aan het meezingen, met die doorbraaksingle uit 1979. Het klinkt levendig, enthousiast, en fris alsof het gisteren bij de platenboer belandde. Het is lang geleden dat U2 dat nog kon. Misschien is dat nostalgie-act-plan dan toch zo slecht nog niet. Binnen vier jaar afspraak voor de Zoo-TV-rerun, Bono?

E-mailadres Afdrukken
Tags: U2