Banner

Hermia, Ceccaldi & Darrifourcq / McPhee, Edwards & Kugel

1 oktober 2017, Parazzar

Guy Peters - foto's: Mario Pollé - 02 oktober 2017

Exact twee weken nadat het nieuwe concertseizoen stijlvol op gang getrokken werd door het trio John Dikeman, William Parker en Hamid Drake, was het alweer prijs met een double bill die een aantal Parazzar-bekenden bij elkaar bracht. Als de verwachtingen al hoog waren, dan werden ze genadeloos afgerost en terzijde gezwierd. Een avond om niet licht te vergeten.

Cellist Valentin Ceccaldi en drummer Sylvain Darrifourcq maken deel uit van het in Parijs gebaseerde Tricollectif, een bende muzikanten die de Franse jazz, improvisatie en aanverwanten al even op z’n kop zetten en in maart 2016 al een afvaardiging naar Brugge stuurden. Traden ze toen aan met trio In Love With, met violist Théo Ceccaldi erbij, dan vormden ze nu een trio met de Belgische rietblazer Manuel Hermia, met wie ze een paar jaar geleden al het uitstekende God At The Casino uitbrachten. De aanpak daarvan zou, net als een paar composities, overgenomen worden door In Love With.

Dat betekende: een resem waanzinnig strak uitgevoerde composities (eigenlijk werd gewoon de albumchronologie gevolgd) waarin de even neurotische als hectische ritmiek vaak op de voorgrond stond. Ceccaldi en Darrifourcq vormden de ruggengraat van de meeste composities, met spel dat gesjeesde kamermuziek en hedendaagse compositie combineerde met invloeden als Tom Cora, Univers Zero en punkenergie. Eindeloos herhaalde motieven werden stapsgewijs aan de kook gebracht of gevarieerd, waardoor Hermia in een zetel belandde en op tenor- en sopraansax zijn lange lijnen en jankende commentaren over die ondergrond kon draperen.

Er waren een paar heel knappe passages waarin vooral werd gespeeld met schurende en wrijvende texturen zoals in “Du poil de la bête”, maar ook nu waren die mechanisch roterende hoogstandjes weer goed voor de meest memorabele en opwindende momenten. “Les flics de la police” ontstond in een polyritmisch timmeratelier en groeide gaandeweg uit tot een hypnotiserend mantra met een autistische koppigheid en gekmakende strakheid. Robotgrooves uit een andere wereld. U zegt Giuliana, wij zeggen Darrifourcq. Ook deze keer een hoogtepunt: “Chauve et courtois”, waarin een lieflijke cellomelodie gecontrasteerd werd met een verbluffende ritmische heksenketel. Een meesterlijke band die eigenlijk een paar stappen verder gaat dan heel wat jonge, bejubelde talenten van de Belgische jazz, en eentje die je absoluut niet in je voorprogramma wil.

Tenzij je Joe McPhee heet, en al het een en ander meemaakte. Het bijna 78-jarige freejazzicoon weet maar niet van ophouden, blijft albums opnemen én prachtconcerten spelen. Een tijd geleden voor het eerst in de Parazzar met Universal Indians, eerder dit jaar nog de hort op met het kwartet van Rodrigo Amado, volgende maand op Sonic City met het DKV Trio, in december in Antwerpen met Paal Nilssen-Love. Met dit concert, waarvoor hij in de weer was met bassist John Edwards en drummer Klaus Kugel, werd teruggeblikt naar een soloconcert dat McPhee in 1997 gaf in Loppem. Dat concert werd destijds georganiseerd door Tony Hostens, vader van Parazzar-uitbater Joeri. Het concert startte toepasselijk met een solo-aanloop op pockettrompet. Een korte improvisatie, maar dan wel meteen eentje die bulkte van de ideeën, technieken -- gaande van abstracte luchteffecten, tot snelle riedels en breed uitgesmeerde vegen -- en emotie. Het gaf al een hint over de soulvolle bom die iets later zou barsten.

Maar er kwam eerst ook poëzie aan te pas. Hostens had al de aanzet gegeven tijdens zijn kleurrijke aankondiging. McPhee volgde met een respons op Gershwins “Summertime”, dat hij aangreep om het idyllische zomerbeeld te laten overgaan in een kille winter waarin de jacht geopend wordt op de dreamers die van het ene moment op het andere een illegale status krijgen. Een passionele aanklacht, die verder getrokken werd doorheen twee sets, waarbij de drie speelden met een ijzeren overgave en ontvlambare energie. Edwards, die zagen we al vaker van leer trekken met die hyper-fysieke aanpak (het duurde dan ook maar een minuut of vijf voor hij nat van het zweet stond), waarbij de contrabas omhelsd, betimmerd, aangevallen en in een houdgreep gehouden werd, maar zijn collega’s volgden moeiteloos.

Vanuit een bassolo werd gewerkt aan een dramatisch, majestueus gewicht, dat Kugel aandikte met een breed arsenaal aan bellen en cimbalen. Op altsax sloeg McPhee meteen extatisch aan het zingen met een bloedrode intensiteit en voor je het wist, leek de Parazzar bijna te exploderen. Het was de start van een zigzaggend parcours dat vooral aantoonde dat de drie elkaar meesterlijk in evenwicht hielden, maar dat kon ook gezegd worden over de flow van het geheel. Het bleef constant in beweging, bewoog van zware, ingetogen melancholie naar uitbundig vuur en talloze gradaties daartussen. Heftige expressie die kopstoten uitdeelde én zalfde. Om terug toe te slaan. En die vooral in de roots dook, want snel werd duidelijk dat McPhee's voorgangers/inspiraties niet enkel Coltrane, Thornton of Ayler heten, maar ook Mahalia Jackson en Nina Simone.

Hoogtepunt van de eerste set was een stuk waarin de drie “Lift Every Voice And Sing” (een stuk dat McPhee al eerder gebruikte als toetssteen), ook bekend als “The Negro National Anthem”, combineerden met "You Ain't Gonna Know Me ('Cos You Think You Know Me)" van trompettist Mongezi Feza. Razend knap hoe naadloos die hymne, de typisch Zuid-Afrikaanse, zwierige melodieën en kronkelende freejazz hier gecombineerd werden. Edwards haalde stuntwerk uit zonder de koers uit het oog te verliezen en Kugel, die bleef jagen en jagen.

Na het explosieve einde van de langere eerste set, startte de gebalde tweede met een moment van ingetogenheid, met de leider die stond te zingen op z’n trompet en vervolgens plaats maakte voor een gedreven drumsolo van een compleet ontketende Kugel die het trio opnieuw naar een korte piek joeg die zo hard knetterde dat her en der kreten van verbazing en pure opwinding uitgestoten werden. En zo stond je daar een beetje wezenloos toe te kijken hoe een bijna 78-jarige kerel een van de meest begeesterde concerten van het jaar speelde, ondersteund door kleppers die hem voor de volledige rit volgden met eenzelfde natuurlijke feeling. McPhee reciteerde, declameerde en verketterde; hij zong, schalde, scheurde en schetterde; hij bracht lijf en geest op één as en liet zien dat er op inspiratie geen leeftijd staat. Evenmin op urgentie, verontwaardiging, spontaniteit en soul. Een machtig, misschien zelfs onvergetelijk concert.

McPhee staat op 12/11 op Sonic City met het DKV Trio. Op 10/12 staat hij met Paal Nilssen-Love in De Studio (Antwerpen).

E-mailadres Afdrukken