Banner

Storm! Festival

11 november 2017, De Grote Post (Oostende)

Guy Peters - 12 november 2017

Die West-Vlaamse werklust toch. Het samengaan van De Werf en Vrijstaat O. kwam er deels wel uit noodzaak (er valt nu eenmaal meer te bereiken met vereende krachten, maar krijg dat maar eens uitgelegd aan een ziekelijk kibbelende politieke kaste), maar het deed ook een frisse wind waaien door de Vlaamse jazzwereld, met een mooie doorstart voor het W.E.R.F.-label, en een duidelijke profilering van die nieuwe koers die gekoppeld wordt aan een mooi aanbod. De nieuwe editie van Storm! pakte alleszins uit met een ambitieus programma, waarvan wij de tweede dag meepikten.

Of toch bijna, want Verneri Pohjola, die we een dag eerder al in Mechelen zagen, lieten we passeren. Meteen verder dus met Jon Balke’s Siwan. De Noorse pianist, componist en arrangeur is in deze streken een van de minder bekende vertegenwoordigers van de kliek van vaste ECM-namen, maar heeft stilaan een breed gerespecteerd oeuvre bij elkaar gesprokkeld. Een hoogtepunt daarin was het in 2009 verschenen Siwan, waarop hij, midden in economisch donkere tijden, streefde naar een samenleving waarin verschil gezien wordt als een troef, niet als een onoverkomelijk probleem, laat staan een bedreiging. Wat is de rol van de artiest daarin? Balkes antwoord was het combineren van muzikale invloeden, geografische wortels en periodes.

Hij verwees naar de hoogdagen van de Moorse cultuur in Spanje, maar combineerde deze met Arabische invloeden en Europese barokmuziek. Het project kreeg onlangs een vervolg met Nahnou Houm, dat nu werd voorgesteld met een 12-koppige band. Balke had daarvoor twee percussionisten mee, de Algerijnse zangeres Mona Boutchebak, de Turkse violist Derya Türkan (op kemençe) en vervolgens nog Barokksolistene, een achtkoppig Noors strijkersgezelschap dat eigenlijk gespecialiseerd is in, dat was al duidelijk, barokmuziek. Samen slaagden ze er goed in om die werelden wat dichter bij elkaar te brengen. De ene keer door de strijkers het voortouw te laten nemen met exotisch getinte kamermuziek, even later door hypnotiserende ritmes en zang naar voren te schuiven.

Er zat regelmatig veel zwier in de set, met een duidelijke hoofdrol voor Türkan, die tekende voor het meest dominante geluid. Boutchebak was ongetwijfeld ook een aanwinst. Haar zang was, zeker in combinatie met de kemençe, steeds goed voor een bedwelmende muzikale trip die je soms de wat kleffe geluidjes uit Balkes keyboards kon doen vergeten. Ook waren er een paar opvallende solomomenten voor de percussionisten, waarbij de Noor Helge Norbakken net als z’n collega Ingar Zach (onlangs ook bij Linus) liet horen dat je met weinig heel veel kan doen, en de Iraniër Pedram Khavar Zamini een kleurrijke klankenwaaier uit één tombak klopte, tikte en wreef. Ongeforceerd meesterschap.

Het was een prima set die piekte naar het einde, met de marcherende trance van “Duda” en het stukje Andalusische klassiek van “Ma Kontou”, waarin Boutchebak schitterende met kale ondersteuning van Balke. Hier en daar had je nog het gevoel dat het meer ging om een stijloefening dan een intense verkenning die emotioneel tot op het bot ging, maar van de pretentieuze bombast waarmee zulke fusionprojecten vaak gepaard gaan, was geen sprake, ook al kwam de leider zelf er soms wel gevaarlijk dichtbij met z’n synthetische effectjes en geluidjes. Een kleine smet op een fraai concert.

Octurn tekende vervolgens voor een van de meest eigenzinnige concerten die we in tijden zagen op een festival van deze omvang. De band van componist en baritonsaxofonist Bo Van Der Werf is al twee decennia een buitenbeentje binnen de Belgische jazz, dat zich net zo graag laat inspireren door hedendaagse muziek als door een Tibetaans monnikenkoor, en intussen uitgedund is tot het kwartet Van Der Werf, Jozef Dumoulin (Fender Rhodes), Fabian Fiorini (piano) en Dre Pallemaerts (drums). Ze kregen gezelschap van de Nederlandse bassist Clemens van der Feen en Frans-Ivoriaanse fluitspeler Magic Malic in een concert dat weinig toegevingen deed en bijgevolg ook voor wat onrust bij minder geduldige oren zorgde.

Het was vermoedelijk op de tanden bijten voor wie was gekomen voor 'een avondje jazz', want de composities boden weinig houvast en leken een verborgen eigen logica te volgen. Solo’s kwamen en gingen, het was altijd raden naar wat er zou komen, het was een aanhoudend spel met temperamenten en dan heb je natuurlijk nog een geval als Dumoulin. Voor de ene een onuitputtelijk vat van creativiteit, een magiër achter een berg hout, ivoor en kabels, voor de ander een stoorzender met onaardse bliepjes en zeurende klankgolven, een geluidengenerator waarmee hij de instrumenten van z’n collega’s kon imiteren (borrelende bassen, scheurend gefluit, bijna normaal klinkend toetsenwerk), maar vooral voor een extra uitdaging zorgde met abstract bijkleuren. Hier en daar zaten er momenten in die hintten naar broeierige grooves, maar ze waren van korte duur.

Fiorini contrasteerde het golvende van Dumoulin met soms manisch aangehouden motieven, Pallemaerts permitteerde zich een enorme vrijheid, Van Der Werfs solo’s voelden aan als oefeningen in fragmentering en Malik combineerde z’n ongrijpbare fluitspurtjes met falsetto-zang en iets dat het midden hield tussen gegrom en geneuzel op de fluit. Kortom: het was een uitdagende, ongrijpbare en behoorlijk cerebrale bedoening, waar soms een moeilijk doordringbaar muurtje rond leek te staan, maar die wel werd afgesloten met een meer dwingende en krachtige punch.

Natuurlijk heel wat anders met de afsluiter van de festivaldag: knalorkest Flat Earth Society dat samen met verloren zoon David Bovée zijn recent verschenen Boggamasta kwam voorstellen en dat album er integraal doorjoeg. De dierengeluidjes en de vervormde preek van bandleider Peter Vermeersch zetten meteen de absurde toon, en vervolgens was de bende vertrokken voor een zotte rit door een wankele wereld die meesterlijk in onevenwicht gehouden werd. Heel wat passages sloten zo’n beetje aan bij de FES die je kent, zoals het gul spetterende “From Darkness To Light”, maar regelmatig werd ook uitgepakt met stuntwerk dat toch alweer nieuwe geluiden liet horen.

Een vroeg hoogtepunt was zo “Boggamasta”, dat perfect een tweespalt tussen dromerigheid en dansbaarheid illustreerde, met de band die loyaal de voorzang van tubiste/sirene Berlinde Deman volgde. Ook een meerwaarde: percussionist Wim Segers die aan de zijde van motor Teun Verbruggen nog extra kleur en detail toevoegde aan een al weelderige bandsound. Daarin was een hoofdrol weggelegd voor Bovée, en als ’s mans gitaarwerk niet altijd tot z’n recht kwam in die muur van geluid, dan was het met effecten bewerkte zangwerk goed voor een portie surreëel gewauwel in “The Prince Of All” en, iets later, “Sing Hallelujah”, waarvoor de band omgevormd werd tot een vuil groovend nachtorkest. Het was een voortdurend heen en weer geslingerd worden tussen temperamenten, met “Confiscated Song” als een van de knapste voorbeelden, met blazerspartijen vol melancholie die plaats ruimden voor een rondje solo’s, een uitstap richting klezmerachtige hoempapa, en... een openbare veiling.

En zo bleef dat maar onvoorspelbaar kronkelen, van de bezopen, gemuteerde blues van “Slave” naar het bronstige bigbandgeluid van “Continued Progress And Development”, mét een knetterende percussieduet, om ten slotte te eindigen met het gepomp van “Da Beava” en het lieflijke “Coisi Miniti”, dat al net zo delicaat openvouwde als op het album. Het was, kortom, een knalconcert dat de verwachtingen bevestigde en er meteen nog een schep bovenop deed. Als er iets op aan te merken viel, dan misschien dat het gebruik van de stemvervorming aan het einde stilaan z’n verzadigingspunt bereikt had, maar Flat Earth Society & Bovée speelden als gretige, jonge honden, en dat leverde een concert op dat nooit minder dan straf was, en hier en daar ronduit fantastisch.

E-mailadres Afdrukken