Banner

Wolf Parade

24 november 2017, Botanique

Matthieu Van Steenkiste - 25 november 2017

Zeven jaar. Zo lang zat Wolf Parade in het verborgene, te doen alsof het helemaal niet de beste supergroep van Canada was. Met het puike Cry Cry Cry kwamen Spencer Krug en Dan Boecker in oktober dan toch weer uit het struikgewas, op de planken van de Botanique bewees de groep nog altijd voor opwinding te kunnen zorgen.

Had op papier nochtans nooit mogen werken, dat Wolf Parade. Twee ego's die elkaar maar nauwelijks in evenwicht houden volgens een strikt 'eerst ik, dan jij'-regime - in die volgorde. Geen herkenbare frontmannen, ook, maar een jodelend seutje dat constant over zijn orgel gebogen staat, een ander, meer verlopen met delusions of rock-'n-rollgrandeur. En die ene daartussen, de mooiste en gladste jongen die zo een perfecte leider zou zijn? Gewoon Dante DeCaro van Hot Hot Heat in een bijbaantje.

En toch. Toen het Canadese collectief in 2005 debuteerde met Apologies To The Queen Mary was dat niet meer dan een bommetje. In het kielzog van Arcade Fire sloeg de gedreven gitaarrock vol vocale tics aan. In elke Westerse stad ter wereld is tot vandaag wel minstens één indiebandje te vinden dat zich schatplichtig aan die plaat voelt, en vanavond staat minstens een deel van het Belgisch contingent in het publiek.

Zo devoot is het publiek, dat smeekt om zijn favorieten, ook nu nog wel. Dan Boeckner -- hij van de tattoos en de rock-'n-roll neemt het dankbaar in ontvangst. Het mag dan zijn evenknie Spencer Krug zijn die vaak de beste Wolf Paradesongs aandraagt, de benige gitarist draagt dit optreden, maakt de energie ook fysiek. Want het gaat vooruit, zoals het in de beste rockshows gaat: na een mager openend "Lazarus Online" -- geluidsman nog niet helemaal wakker -- tekent knaller na knaller present voor een set die het moet hebben van kracht.

Is "Modern World" nog een opmaatje, dan zet "You Are A Runner And I Am My Father's Son" een hoofdstukje beuken in. Krug laat zijn orgeltje pompen, DeCaro en Boeckner plooien zich dubbel over hun gitaren, terwijl drummer Arlen Thompson pontificaal rustig achter zijn trommels zit alsof zijn slagen niet knallen als de beste zweep. "Fancy Claps" en "You're Dreaming" gaan op de ingeslagen weg verder: razen en jagen, een geluid dat zo vol zit dat het de boxen uitspat. Als Arcade Fire orkestraal is, dan wil dit viertal bewijzen dat je hetzelfde effect ook met beperkte middelen kan bereiken. Als je maar hard genoeg doorgaat.

Het is ondertussen de sterkte van de groep geworden: blijven gaan, zelfs als de laatste strofe, het laatste refrein al lang weer gezongen is. Een matige song als "What Did My Lover Say (It Always Had To Go This Way)" wordt pas echt de moeite op dat moment, wanneer de band tot de uitputting voortborduurt op die tierelelierende orgelriedel. Uitschieter "Baby Blue" heeft er zijn hele bestaan op gebouwd: een break die blijft duren, een motief dat almaar herhaald wordt, en dan nog één keer een rondje triomfantelijk "Burning blue for you".

Het is rock die drijft op het zweet dat op en voor het podium wordt vergoten. Geen punkzweet, eerder euforische druppels vergieten. In hun teksten bezingen Krug en Boeckner het lot van de Westerse wereld waar "ghosts of the century" als nationalisme en fascisme opnieuw de kop op steken, "King Of Piss And Paper" Trump aan de macht is gekomen, hun muziek zoekt naar verlossing, alsof dat smossen met energie tot een katharsis kan leiden.

Vanavond is ze voor bijna nabij, zeker in de bisronde die alles brengt wat nog moet. Dit is voor één keer een enthousiast Belgisch publiek, dat zich laat horen, en danst, en de dankbaarheid spat van het podium wanneer de groep terugkomt, en welgemoed twee publiekslievelingen opvist. "Cloud Shadow On The Mountain" hangt jagend in de bochten, "This Heart's On Fire" brengt het delirium nabij. Als met "I'll Believe In Anything" daarna nóg een sterkhouder van dat debuut komt, dan voel je dat het toch nog steeds hier om draait. Hoe goed de helft van dat nieuwe Cry Cry Cry ook is, de schaduw van Apologies To The Queen Mary zal altijd boven wat volgt blijven hangen. De band heeft dat eindelijk aanvaard, en laat zich de voortdurende populariteit welgevallen. Met een uitgesponnen "Kissing The Beehive", het meest epische nummer van tweede plaat At Mount Zoomer, wordt dan eindelijk afscheid genomen. Je kunt met Wolf Parade nooit helemaal zeker zijn, maar onze kop er af als de band tweede leven van de band niet met meer overtuiging dan ooit zal voortzetten. Doe ons volgende zomer alvast een replay.

E-mailadres Afdrukken
Tags: Wolf Parade