Banner

BRUSSELS JAZZ FESTIVAL: Archie Shepp Quartet

11 januari 2018, Flagey

Guy Peters - 13 januari 2018

Het Brussels Jazz Festival had een vette vis gestrikt voor zijn openingsavond. Archie Shepp, intussen ook al tachtig, liet zijn politiek gechargeerde repertoire grotendeels achterwege en pakte uit met een gulle blues-set.

Shepp wordt vaak gelinkt aan Coltrane, omdat hij in 1964 een album vulde met diens composities en aanwezig was op de tweede opnamedag van de A Love Supreme-sessies (al bevatte het album enkel de kwartetmuziek van de eerste dag), maar hij was daarvoor al in contact gekomen met een paar tenoren van de nieuwe avant-garde. Zo werkte hij niet enkel samen met Cecil Taylor, maar ook nog eens met Bill Dixon én The New York Contemporary Five, waar o.m. John Tchicai en Don Cherry deel van uitmaakten. De connectie met de jonge freejazz was snel verankerd, maar Shepp, zelf een intellectueel die drama studeerde en een gepubliceerd auteur was, zou ook tekenen voor een van de meest politieke oeuvres van de (vrije) jazz.

Of toch tot ergens in de jaren zeventig, toen het expliciete engagement stilaan meer naar de achtergrond schoof en de politiek vooral bewaard bleef door een duik in de gospel- en bluestradities (al wil de man naar verluidt de term ‘jazz’ niet meer horen). Stond hij een paar jaar geleden in Middelheim nog met een uitbundige uitvoering van Attica Blues, een van zijn meest politieke platen, dan bleven de hints naar de revolutie nu beperkt tot een stuk of twee composities. Wie een boon heeft voor ’s mans smeuïge bluesuitvoeringen -- soms zou je zweren dat hij z’n mondstuk staat op te eten -- die kwam nu ruimschoots aan z’n trekken. Daarvoor had hij zich omringd met een solide ritmesectie, waarin vooral de jonge pianist Carl-Henri Morisset opviel door z’n veelzijdigheid. Ondersteunend met net dat tikkeltje meer.

Elmo Hope’s “Hope 2” was meteen goed voor een lekker ronkende, bluesy swing, waarbij Shepp liet horen dat hij nog altijd gezegend is met die prachtsound: net iets wankeler, scheurender dan Sonny Rollins, maar zonder dat majestueuze van Coltrane. Het is vooral een aardse stijl, ideaal voor stukken die nu eens lijken te zwalpen, maar net zo goed van jetje geven met een gemene kracht. Dat kan hij nog altijd en hij doorspekte het als vanouds met die ontglippende, schrille uitschieters. Met Ellingtons “Don’t Get Around Much Anymore” werd de blues lijfelijk en rudimentair, terwijl Shepp z’n tekst huilde met een luid schallende theatraliteit.

Iets verderop zou hij dat nog eens overdoen met “Come Sunday”, nog zo’n klassieker die intussen al decennia in z’n repertoire gebetonneerd is. Uit dezelfde hoek kwam ook Billy Strayhorns fraaie ballade “Isfahan”. Hier leek Shepp even wat weinig geduld te oefenen en begon hij weer te blazen vóór z’n beurt. Het concert piekte dan ook het meest overtuigend in de kleurrijke momenten. Zoals “Une Petite Surprise Pour Mam’selle”, ooit geschreven voor zijn dochter en nu goed voor een bruisende Afro-Caraïbisch getinte trip, waarin Morisetts spel herinnerde aan Horace Silver. “Steam”, opgedragen aan zijn neefje die als vijftienjarige omkwam bij straatgeweld, klonk tegelijkertijd frivool en teneergeslagen, met Shepp die voor het eerst naar een saxello greep.

Dat instrument zou ook nog eens terugkomen in het hoogtepunt van het concert, het aan zijn grootmoeder opgedragen “Revolution”. Voor de melodie had Shepp zich laten inspireren door de vroeg overleden trompettist Cal Massey, wiens geëngageerde oeuvre een sterke stempel drukte op Shepps klassieke werk. Hier speelde het kwartet met een intense, vaag Oosters-getinte zwier die meer dan eens herinnerde aan het klassieke Coltrane Quartet en een kleine storm ontketende. Uiteindelijk werd opnieuw teruggekeerd naar de wortels, met een pompend “Dedication To Bessie Smith’s Blues”. De tenorsax was intussen opgewarmd en vulde de zaal met een autoriteit die je zelden te horen krijgt van een tachtiger. Een sterk einde dat bijna verknoeid werd door een filmploeg die het nodig vond om onbehouwen op het podium rond te hossen.

Shepp zorgde zelden voor verrassingen (het stukje Monk helemaal achteraan was best mooi, maar getuigde ook al van weinig verbeelding), wat hij op Jazz Middelheim wel nog deed. Het was een conservatieve, of toch sterk in de roots verankerde set, met composities die netjes hun uitgestippelde route volgden, en een band die ondanks een paar sterke individuele momenten vooral ervoor zorgde dat de leider goed klonk. Wat het concert mankeerde aan avontuur, werd wél gecompenseerd door de vitale sound van de staatsman, na al die jaren nog altijd zo sappig als een bloedende biefstuk.

Het Brussels Jazz Festival loopt nog tot 20 januari en heeft heel wat in petto. Meer info HIER.

E-mailadres Afdrukken